Tussen Porno en Plato

Geerten Meijsing
Siciliaanse vespers
Balans, 285 blz., € 18,95

In de jaren zeventig maakte Geerten Meijsing furore met zijn Erwin-trilogie, onder het pseudoniem Joyce & Co: een broeierig drieluik vol verwijzingen naar de klassieke en moderne literatuur. Meer dan zomaar een romancyclus werd de trilogie een manifest van onomwonden belezenheid en neodecadent eerbetoon aan de Hochkultur die volgens sommigen het onderspit dreigde te delven in het ‘doe maar gewoon’ van dat decennium. Met zijn nieuwe roman Siciliaanse vespers voegt Meijsing zich wederom in zijn eigen neoromantische traditie, zij het inmiddels met minder Griekse citaten en meer seks.

Erik Provenier, de bekende protagonist uit Meijsings eerdere werk, heeft na jaren in Toscane zijn toevlucht gevonden op het droge Sicilië, waar zijn teruggetrokken schrijversbestaan, niet geheel onwelkom, wordt verstoord door de komst van een oude vlam uit Nederland. Zij heet Elizabeth, noemt zichzelf Lee, staat bekend als Wolf en houdt van seks. ‘Ik ben altijd geil’, verklaart ze zonder blikken of blozen. En ze belooft niets te veel. Bijna direct na aankomst laat ze zich aanranden door een lokale horecatycoon. Twee keer op één middag. Als man en als Siciliaan vernederd, besluit Provenier zijn zelfverkozen ballingsoord te verlaten en in zijn mooie oude Citroën een louteringstocht door Italië te ondernemen. Natuurlijk mag zijn nieuwe vriendin mee.

Siciliaanse vespers wordt door de uitgever aangeprezen als een roman ‘doordesemd van seksualiteit’. Daarmee is niets te veel gezegd. Provenier zit het halve boek ‘tot aan zijn kloten’ in alle openingen van Wolf, en het ‘geil’ – het blijft toch een raar woord, zeker als je het zo vaak gebruikt als Meijsing – druipt bijna letterlijk van de bladzijden af.

Gelukkig treft de lezer naast het erotische stucwerk meer dan genoeg – en minstens zo opwindende – beschouwingen over de aard van de liefde en de condition humaine. En – zoals we mogen verwachten van Meijsing – ook de meer dan twintig eeuwen West-Europese beschaving komen ruim aan bod. Meijsings erudiete alter ego mag verslingerd zijn geraakt aan een op het randje van depressie verkerende hysterica – hij is en blijft een moderne uitvoering van de klassieke homo universalis.

Meer dan ooit laveert de schrijver in Siciliaanse vespers tussen cult en canon. Van Plato’s Satyricon vlindert hij moeiteloos door naar het legendarische apparaat van hardcore pornoacteur Rocco Siffredi. Postmodern? Modieus? Een verzoening met de jaren zeventig? Ach, laten we het houden op de hoogstpersoonlijke biotoop van een hedendaagse intellectueel die ook wel eens om zich heen kijkt. En dus oog heeft voor zowel het kapsel van Lee Miller als dat van Rod Stewart, en even gefascineerd is door het onuitputtelijke libido van Georges Simenon als door de figuur van Kaspar Hauser en – wie kent hem nog? – Schimanski, de Turks-Duitse versie van Shaft (en net als Geerten Meijsing verwoed Citroën-rijder). Liefhebbers van Meijsings virtuoze stijl en zijn voelhoorns voor culturele curiositeiten kunnen met Siciliaanse vespers meer dan hun lol op, evenals de literaire spoorzoekers. Proveniers voorliefde voor trivia en zijn haat-liefdeverhouding met ontuchtige vriendin Wolf, spiegelen het werk van de Franse schrijver J.-K. Huysmans en de Italiaanse schelmenromans van Pitigrilli. De verwantschap die Meijsing voelt met deze schrijvers is bekend. In 1990 vertaalde hij Huysmans’ satanistische roman Uit de diepte – en in Malocchio laat Meijsing de kat van Provenier opdraven onder de naam Pitigrilli, de schrijver van Cocaina en L’esperimento di Pott.

Van die laatste roman – in het Nederlandse vertaald als Jaloezie – heeft Siciliaanse vespers overigens wel iets weg. Zoals al even aangestipt, laat Proveniers vrijgevochten vriendin Wolf haar eer in het begin van de roman schenden op een openbare gelegenheid, een gebeurtenis die de schrijver verbindt met de bloedige Siciliaanse opstand tegen de Franse bezetting in 1382, de zogeheten ‘Siciliaanse Vespers’. Wat volgt is een drieste ontdekkingstocht naar de uiterste grenzen van de liefde, passie, promiscuïteit en trouw. Pitigrilli’s L’esperimento di Pott draait om een vergelijkbare reis, twee goedgebekte en wereldwijze minnaars, vermeend of echt overspel en de uiteindelijke vraag wat de liefde tussen man en vrouw nu eigenlijk behelst.

Een heer herkent men niet alleen aan zijn schoenen, maar ook aan zijn boekenkast. Met Siciliaanse vespers slaagt Meijsing er andermaal in om klassieke thema’s en literaire voorgangers op een eigen en sierlijke manier te vertalen naar het nu. Het resultaat is vertederend: een Erik Provenier die, hoewel gestaald in de klassieken, zijn vingers blauw sms’t om een vrouw in bed te krijgen, als een desperado het uiterste uit zijn Citroën CX haalt en plaatjes draait van The Smashing Pumpkins. De intellectuele crisis van de negentiende eeuw leeft nergens in de Nederlandse letterkunde zo sterk, fraai en erudiet door als bij onze man op Syracuse.