Kunst

Tussen pose en expressie

Beeldende kunst: Overzichtstentoonstelling Egon Schiele

«Wenen 1900» is langzamerhand een mythisch begrip geworden. Daar en toen zou de moderne wereld in de steigers zijn gezet. Filosofie en psychologie, muziek en architectuur kregen impulsen die tot in onze tijd nawerken. Het is niet onwaar, maar het is niet de hele waarheid. Neem bijvoorbeeld de beeldende kunst. In 1898 scheidde een groep vooruitstrevende kunstenaars zich af van de Oostenrijkse Kunstenaarsvereniging. Deze groep, de Sezession, met Gustav Klimt als voorman, gold als het nec plus ultra van de avant-garde. Maar nu, terug kijkend, zijn wij geneigd het werk van die kunstenaars eerder als nabloei van de negentiende eeuw te zien dan als wegwijzer naar de twintigste. Klimt zelf met zijn decoratieve vrouwenportretten, stapelingen van kleurvlakjes waaruit, ietwat ongemakkelijk, twee handen en een maskerachtig gezicht steken, doet uitgesproken ouderwets aan naast de eerste kubistische experimenten van Braque en Picasso. En dan die onderwerpen: «De Dood en het Meisje», «De Ziener», dat theatrale in de traditie van het symbolisme. Het was een erfenis die een hele generatie kunstenaars als een albatros om de nek hing.

Ook Egon Schiele (1890-1918), een van de meest getalenteerden van het post-Klimt-tijdperk, had met die erfenis te stellen. Het Van Gogh Museum heeft een mooi overzicht van ruim honderd werken samengesteld, het eerste overzicht van Schiele in Nederland. Wat bij een eerste rondgang in het oog springt is, inderdaad, talent: Schiele was een begenadigd tekenaar. Of hij nu met een paar sobere lijnen een groepje straatjongens weergeeft of, helemaal uitgewerkt, zichzelf in een moeilijke pose – alles is raak. Wonderlijk daarbij is dat het niet uitmaakt of hij nu een «kunsttekening» vervaardigde voor een van zijn verzamelaars of, in zijn diensttijd toen hij op de foerageafdeling werkte, een eenvoudig te ke ningetje van een magazijnkast. Altijd is er die hoogst individuele, virtuoze hand.

Een tweede kenmerk is de hang naar het esthetische. Ook wanneer hij een lelijk motief als een spichtige, halfnaakte straatmadelief op pakt, weet Schiele daar met een subtiele wassing of een geraf fi neerd steunkleurtje iets moois van te maken. Schiele een expressionist noemen, zoals vaak ge daan wordt, gaat dan ook te ver. Het betrappen van het «ware», zonder bekommernis om esthetiek, was hem vreemd. Altijd blijft de stilering voelbaar; voor wie het negatief wil zeggen: de vloek van de vorm.

Een onbedwingbaar vorm gevoel, typerend voor het Wenen van zijn tijd. En evenzeer is dat, in de stad van opera en theater, de neiging tot zelf-enscenering. Le gio zijn de tekeningen van zichzelf waarop hij de beschouwer in dramatische poses aanblikt, vaak ondoorgrondelijk gebarend met zijn handen. Over de betekenis van deze gebaren is druk gespeculeerd; ik denk dat ze niet meer zijn dan een symptoom van aanstelleritis progressiva. Schiele was een verwoed narcist, daarvan getuigen ook de vele geposeerde foto’s die hij van zichzelf liet maken.

Zijn erfgoed was er een van grote woorden en dito thema’s. De titel van de tentoonstellingscatalogus (Liefde en Dood) zou hem dan ook vertrouwd in de oren hebben geklonken. Maar doet die hem recht? Bij zijn overlijden op 28-jarige leeftijd, in de griepepidemie van 1918, liet hij een om vangrijk oeuvre na waarin al een kentering zichtbaar werd. Niet alleen werden zijn hoekige vormen ronder, ook zijn thematiek veranderde. Broeierige erotiek maakt plaats voor zakelijke waarneming. Het is aantrekkelijk je voor te stellen dat Egon Schiele gaandeweg alle laatromantische rimram zou hebben afgeschud en zijn belofte helemáál had ingelost.

Egon Schiele: Liefde en Dood

Museum Vincent van Gogh

Tot en met 19 juni