Tussen pot en god

LUUK GRUWEZ heeft er nooit een geheim van gemaakt waar hij in zijn schrijven op uit is: in poëzie en proza wil hij gewone mensen aan de vergetelheid ontrukken om daarmee het schijnbaar vergeefse geploeter dat het leven zo vaak is een glans van betekenis te geven. Niets mag voor niets zijn geweest of woordeloos verdwijnen. Daarom zet hij hun doen en laten even in het licht zonder eeuwigheidspretenties. Juist dat maakt indruk.

Zijn voorbeelden zoekt Gruwez meestal dicht bij huis, ze komen bij voorkeur uit de eigen kring: vrienden, ex-geliefden en vooral de familie. Hij toont ze zijn lezers even liefdevol in de luister van hun jeugd als tijdens hun totale aftakeling aan het eind van de levensweg. Elk theatraal gebaar is hem vreemd. Alledaagse gebeurtenissen, onbenullige details en intieme momenten, daar gaat het om, zo demonstreerde hij onder meer in de bekroonde verhalenbundel Het bal van opa Bing (1994) waarin hij zeven portretten over de familie van zijn vader bij elkaar bracht. In Het land van de wangen krijgen vooral zijn grootouders van moeders kant de volle aandacht. Van 1993 tot 1997 hield Gruwez aantekeningen bij over zijn veertiendaagse bezoeken aan opa Knor (Lucien) en oma Liesje (Alice), in de woning die ‘tijdens mijn jeugd een huis van licht was’. Het dagboek dat daaruit groeide, is de belangrijkste moot in zijn nieuwe boek. De oudjes zijn al stevig op weg naar hun einde, van hun totale aftakeling wordt minutieus verslag gedaan. Nota bene op de wc. Een vreemde lokatie geeft hij toe, maar de omstandigheden in aanmerking genomen toch niet zo'n ongewone. De plek lijkt symbolisch voor wat hij onderging, de terugkeer tot stof: 'Altijd heb ik aan de schrijverij op die pot - hoe potsierlijk dat ook klinkt - een bijna mystieke spanning toegedicht. Boven mij begon de zolder en nog daarboven het uitspansel. Onder mij was er die plee. En nog daaronder lagen mijn grootouders te slapen. Deze bladzijden, ze zijn ontstaan tussen God en pot.’ NOG OP EEN andere manier bepaalt Gruwez zijn positie als de schrijver die hij wil zijn, een positie die wordt gevormd door zijn biografie. Het land van de wangen is opgedeeld in drie hoofdstukken die verwijzen naar drie windstreken: East of Eden, All Quiet on the Western Front en Goodbye South, Goodbye. Ze vertegenwoordigen, behalve de topografische plaatsen die met Gruwez’ eigen leven samenhangen, de normen en waarden die hij er aantrof. Zo beschouwt hij zijn geboortestreek West-Vlaanderen als 'het land van de handen’ vanwege de bedrijvigheid en mercantiele eerzucht die er heersen. Het oosten, Hasselt in het Belgisch-Limburg waar hij zich ten slotte vestigde, is 'het land van de wangen’ omdat het bestaan er wordt beheerst door cultuur en de glimlach van gemoedelijkheid. In een brief aan zijn jeugdliefde Linda legt hij een verdere dimensie van deze structuur bloot wanneer hij haar meedeelt een boek te willen schrijven 'waarin de zon nu eens nooit dient onder te gaan, waarin het altijd dag blijft, een boek over de Hof van Eden, over het begin. Maar het zal een boek worden, uiteraard, waarin die Hof van Eden wordt vernield, en dat boek zal ik schrijven, hier, iets ten oosten van Eden.’ Het noorden doet bewust niet mee omdat daar - zoals een motto vermeldt - de zon nooit staat, en haar licht is nodig om te laten zien hoezeer God zijn schepping verwaarloosde. Je kunt Gruwez’ dagboekaantekeningen deprimerend noemen (zoals de flaptekst doet), of schrijnend (een woord dat al dichter in de buurt komt), maar bovenal zijn ze door hun nietsontziende precisie - daarvoor leent de vorm van het dagboek zich uitstekend - van een onthutsende ontroering. Wie het slepende proces van aan ouderdom of een ongeneeslijke ziekte lijdende mensen meemaakt, gaat onherroepelijk twijfelen aan het bestaan van God, als men er al in geloofde. Zo moet het Gruwez ook zijn vergaan. Plaats van handeling is Deerlijk, het dorp van Gruwez’ jeugd, waar zijn grootouders in betere tijden een confectiebedrijf runden. In de hoogtijdagen gaven ze daarin vijftien mensen emplooi, wevers en naaisters met wie ze zich verbonden voelden. Inmiddels is het doodstil geworden rond het bejaarde echtpaar, de aanloop aan huis bestaat voornamelijk uit verpleegsters. Dik in de tachtig zijn ze. De eens zo babbelzieke Liesje dementeert zienderogen, is incontinent en raakt steeds meer aan haar bed gekluisterd. Slechts af en toe kan ze het met een looprek verlaten. Brompot opa Knor, een koning van vooroordelen die de wereld altijd al als zijn kwispedoor gebruikte, wordt steeds eenkenniger. Zijn beste vriend is de fles en die wordt al vroeg op de dag aangesproken. Zijn praten bestaat vooral uit fulmineren en raaskallen. Hij is allang elke schaamte voorbij, rochelt, reutelt en snurkt ongegeneerd en loopt de godganse dag in een pyjamabroek. Hij piest en poept waar het hem uitkomt. Intussen weet hij maar al te goed wat er met hem aan de hand is: 'Ja, Luuk, ’t is verdomme niet plezant om hier al die miserie te moeten zien voor zo ne jonge mens.’ Als hem iets op de been houdt, is het zijn niet-aflatende angst voor de dood. Die miserie blijft zonder meer menselijk in de mengeling van opstandigheid, excentriciteit en een bizar soort heroïek waarin Gruwez de oude patriarch neerzet en in de intensiteit waarmee hij zich om Liesje bekommert. Aan het dagboek gaat een verhaal vooraf over zijn ouders, die in 1983 kort na elkaar stierven. Luisterrijk proza waarin hij vastlegt wat hij van hen heeft geleerd. Van zijn vader de leugen om bestwil, en daarmee de ultieme smoes waarmee hij in zijn schrijven probeert 'de gevangenis van de wereld iets groter te maken’. Van zijn moeder, 'de vrouw van de reus uit Klein Duimpje’, de mogelijkheid om het kind in jezelf vast te houden. Ooit droomde zij zich een leven als dat van haar boekenheldin Stijfkopje, 'het meisje dat nog niet veroordeeld was tot kiezen’. Dat pakte in haar huwelijk jammerlijk anders uit, maar in die hoedanigheid was ze hem het liefst en zo sluit hij haar in zijn herinnering op. HET CENTRUM VAN het boek, de stukken over zijn ouders en grootouders, ligt ingeklemd tussen brieven, reisnotities en verhalen waarbij vooral dat over zijn voorgenomen bezoek aan zijn Franse jeugdliefde Danielle Grassi opvalt. Omdat het prachtig is geschreven, omdat het laat zien dat niet elke recherche du temps perdu iets substantieels oplevert: een ontmoeting met haar zit er niet in. Of het moet het feit zijn dat hij in het zuidelijke Marseille, haar woonplaats, zijn werkelijke liefde ontdekte. Een schrijversbestaan dat hij zich toen nog in de voetsporen van Rimbaud en Artaud fantaseerde en dat hij in Het land van de wangen waar maakt.