Tussen publieke moderniteit en particuliere traditie in een tribale samenleving

Walter van der Kooi ziet veel meer dan alleen dat waarover hij zijn kronieken schrijft. Vandaag: Tegenlicht: Koorddansen in Koeweit.

Medium koorddansen.png
© VPRO

Golfstaat met grondwet en gekozen volksvertegenwoordiging. Het lijkt een eenhoorn maar hij bestaat echt: Koeweit. Shuchen Tan was er voor Tegenlicht en onderzocht de spanning tussen publieke moderniteit en particuliere traditie in een nog altijd tribale samenleving. De invloed van die laatste zul je nooit doorgronden als je er zelf geen deel van uitmaakt, zegt journalist Ibtihal Al Khatib aan het eind van de documentaire en dat blijkt waar. Het weefsel van relaties, ideeën, tradities en religie ligt altijd sluimerend, onzichtbaar onder tafel, zegt ze. De mensen geloven meer in de instituties van ras, religie, familie, stam dan in die van de staat. Maar Tan mag ze dan niet werkelijk kunnen doorgronden, voelbaar maakt ze ze wel, en dat vooral bij monde van een groep dappere, dwarse, ondernemende vrouwen uit de elite. Nou is elite een enigszins verwarrend begrip voor de situatie in Koeweit. Grofweg gezegd behoort bijna elke erfelijke Koeweiti ertoe vanwege de gigantische olierijkdom en de spreiding daarvan over de oorspronkelijke bewoners die rond een derde van de bevolking uitmaken. Gratis onderwijs en gezondheidszorg, gegarandeerde werkgelegenheid bij de overheid met geweldig salaris plus sociale zekerheid als nergens ter wereld. Luilekkerland bestaat (voor wie niet tot de bijna zeventig procent ‘gastarbeiders’ behoort), wat tegelijk problematisch is – van triviaal overgewicht tot geestelijke leegte en verveling. Bovendien is er sprake van verschuiving van letterlijke en figuurlijke gemeenschapszin (de traditionele stedelijke woningbouw met huizen dicht op elkaar, met slapen op de daken en veel contact tussen families maakte plaats voor op zichzelf staande grote tot zeer grote beveiligde villa’s) naar individualisme en egoïsme.

De hoofdrol in de film is weggelegd voor Fareah al Saqqaf, publicist en cultureel ondernemer, die we zien aanschuiven bij een band uit Jordanië in een openluchtconcert, dat ze zelf heeft georganiseerd. Omdat er voor jongeren (25 procent van de bevolking!) zo goed als niets gebeurt. En zelfs bij zo een veel bekritiseerd optreden zijn de kids niet vrij: in fraai wit geklede wakers, waarschijnlijk in dienst van het ministerie van Godsdienstzaken, zien erop toe dat ze niet te veel bewegen, laat staan dat ze opstaan of dansen. Dan word je weggestuurd. Dus zie je brave rijen gehoofddoekte meisjes en onbedekte jongens een piepklein beetje meedeinen en wordt een onbeheerste gozer verwijderd. Want het is in dit land verboden gelukkig te zijn, zegt ze smalend. Geluk is immers haram. Haar culturele en politieke wake up-call kwam in 2001 toen ze haar oudste dochter naar kostschool bracht in Zwitserland (waar als bekend alleen de zon voor niks opgaat). Vliegtuigen boorden zich in de Twin Towers en een deel van de jonge mannen die dat deden kwam uit hun regio. Zij zag de gevaren van extreme collectieve rijkdom, van daaruit volgende totale leegheid en ledigheid, waar vooral jihadisten op inspeelden en -spelen (net als op totale armoe trouwens, maar die vind je in haar land alleen bij tijdelijke verblijvers en statelozen). Dus richtte ze de stichting Loyac op, een curieuze mengeling van maatschappelijk werk, culturele vorming en sociale dienstverlening. Zoals het welzijnswerk bij ons in de negentiende eeuw vooral ontwikkeld werd door de gegoede burgerij, uit een mengsel van empathie en welbegrepen eigenbelang, zo zijn het ook hier welgestelde dames (en wat heren) die projecten opzetten – deels ten gunste van de armen, maar deels ook om hun eigen jeugd werkelijkheidszin, sociaal fatsoen, begrip voor minder bevoorrechten, discipline bij te brengen en een stap op weg naar zingeving te laten zetten.

Het levert een fraaie scène op waarin een stelletje steenrijke verwende jongeren in een busje naar een huis van arme mensen wordt gebracht (we krijgen alleen de waarschijnlijke, zwart gesluierde vrouw des huizes te zien) waar ze de boel een beetje moeten helpen opknappen. Zoals de commentaarstem ongeveer zegt: ze moeten even hun zonnebril afzetten en hun perfect gemanicuurde handjes laten wapperen. Ik heb in eigen leven en zeker via de televisie oneindig veel ellendiger behuizingen gezien, maar de tranen die bij twee van de meiden aan het eind vloeien, vanwege zoveel armoe waar ze geen weet van hadden, zijn bewijs dat Fareah het niet helemaal verkeerd heeft gezien.

Er is ook een voedselbank. En ze organiseren stages in het bedrijfsleven op nederige posities, om zo de andere kant van de voor hen vanzelfsprekende, louter geconsumeerde dienstverlening te zien – aan de counter van een eettent, als kamermeisje of receptionist in een hotel. Het houdt in mijn ogen allemaal iets absurds, alsof het ook een spel is voor die kinderen, maar overtuigd licht ik mijn hoed voor Fareah en haar elite-vriendinnen. Die, andere lijn in de film, ook de positie van zichzelf als vrouw in een patriarchale samenleving aan de orde stellen. Waarbij als centraal probleem het feit genoemd wordt dat in de seculiere staat Koeweit een ministerie van Godsdienstzaken met veel bevoegdheden en uitbreidende macht fungeert. In mijn schooltijd droeg niemand de hijab, zegt Fareah en kijk nu eens om je heen. Inderdaad: zwarte ‘nonnen’ troef. Zie bijvoorbeeld grote billboards met ingelukkige, vrolijke jonge vrouwen die de voorbijgangsters toevoegen: ‘Het leven is toch veel mooier met een hoofddoek?’ Dat mag je vinden en etaleren, luidt de liberale kritiek, maar niet als overheid.

Op een bijeenkomst van vrouwen en wat mannen over de positie van vrouwen neemt een niet verder genoemde gesluierde dame het woord: zij verwijt de alweer fraai wit gejurkte man die, kennelijk nogal patriarchaal, het woord tot hen richtte dat ze haar vrijheid niet van hem hoeft te krijgen, maar dat die haar recht is. En dat ze de sluier draagt omdat die de traditie van de cultuur uitdrukt en omdat ze dat zelf wil. Als u dat per se godsdienst wil noemen, ga uw gang. Het is een superieur betoog dat applaus oogt – helaas zien we de man niet reageren. Enfin, een informatieve Tegenlicht voor wie de Arabische wereld niet alleen in gemeenplaatsen maar in nuances wil leren kennen. Al blijf je natuurlijk altijd met vragen zitten – maar dat heb je ook als het over Appingedam gaat.

Het is een bruggetje van niks, maar ik wil nog even wijzen op een andere recente ‘Arabische’ documentaire waarover ik destijds niet kon schrijven: Halalbus. Over Abu Adnan, vluchteling die bij ons stad en land af rijdt om Syrische eetwaar te bezorgen bij land- en lotgenoten. Een heel ander spectrum dan dat van Koeweit-Stad, wat u zegt. Leuk natuurlijk, de gele bus van Syrische SRV-man door de polders. En leuk die vrolijke, energieke nieuwkomer die er iets van probeert te maken, maar zich schaamt omdat de Nederlandse taal maar niet wil lukken, ook vanwege Arabische klandizie en grossier. Maar het gewicht komt uiteraard tijdens de bezoeken waar een praatje wordt gemaakt. Met de ingenieur die alles wil aanpakken als hij maar kan werken. En met de gemeenteambtenaar uit Aleppo die zijn rijdende kruidenier een filmpje wil laten zien: bewakingscamerabeelden uit die Syrische stad: kijk, daar loop ik naar mijn werk en daar loopt mijn vrouwelijke collega. Boem. Collega dood, hij net niet, maar werken kon hij niet meer. En uiteindelijk is hij gevlucht. Zich afvragend of, als hij zijn collega niet had ontweken om geklets op de vroege ochtend te vermijden, zij misschien ook de dans was ontsprongen – of zij allebei niet, natuurlijk. Het is huiveringwekkend: het gebeuren, de overwegingen, het feit dat hij kennelijk nog altijd die beelden wil of moet zien. En dat wat deze beelden weer bij Adnan aan traumatische herinnering bovenhaalt. Een indringende kleine film (VPRO 3Lab). Die toch niet alleen maar lijden, maar ook veerkracht weerspiegelt. Kijk zelf: https://www.npo.nl/3lab/27-05-2018/VPWON_1290823.


Shuchen Tan, Koorddansen in Koeweit, VPRO Tegenlicht, zondag 3 juni, NPO 2, 21.05 uur