DE TOEKOMST VAN SERVIË

Tussen rechtsstaat en McMaffia

De arrestatie van Radovan Karadzic wordt algemeen opgevat als een teken dat Servië snel transformeert tot een normale staat, klaar voor het EU-lidmaatschap. Maar ‘het politieke systeem van Servië blijft diepgaand gecorrumpeerd’.

‘HET IS EEN ZWARE klap. Arkan was een vriend van me’, sprak Zoran Djindjic, de in het Westen alom bewierookte liberale ex-premier van Servië, na de moord op een van de meest brute en gevreesde krijgsheren uit de Bosnische oorlog. De reactie wekte nogal wat verbazing in het Westen, waar oorlogsprofiteur Arkan aan de slechte kant van de morele scheidslijn werd ingetekend en de in Duitsland gepromoveerde filosoof Djindjic aan de goede. Maar binnen de Servische verhoudingen was de reactie volstrekt logisch. Zoals alle Servische politici onderhield Djindjic warme banden met criminelen. De criminelen taxeerden op hun beurt nauwkeurig welke politicus hun belangen op lange termijn het beste kon dienen. En zodoende hielp Arkan Djindjic om te ontsnappen aan de Servische president Milosevic, die een prijs op zijn hoofd zou hebben gezet.
Die voorvallen dateren alweer van enige jaren terug – Arkan en Djindjic zijn inmiddels allebei vermoord – maar ze zeggen nog steeds veel over hoe de Servische politiek achter de schermen werkt. ‘De banden tussen politici en criminele en semi-criminele groepen zijn sinds het uiteenvallen van Joegoslavië erg sterk’, zegt onderzoeker Ton Zwaan van het Centrum voor Genocidestudies in Amsterdam en coauteur van Genocide en de crisis in Joegoslavië 1985-2005. ‘Het lijkt de laatste jaren wel beter geworden, en de grootste regeringspartijen lijken in dat opzicht beter dan de oppositie. Maar het politieke systeem van Servië blijft diepgaand gecorrumpeerd.’
De wortels van die corruptie dateren van eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Na de val van de andere communistische regimes in Oost-Europa trachtte ook Joegoslavië zich economisch te hervormen, en ook daar ging dat gepaard met massaontslagen en onrust. In deze sociale instabiliteit konden nationalistische politici het volk opzwepen, wat het gewelddadige uiteenvallen van Joegoslavië zou betekenen.
Niet alleen waren de nieuwe staten niet berekend op het voeren van een burgeroorlog, ze ontbeerden ook de infrastructuur voor een zelfstandige economie. Ze maakten een valse start doordat ze meteen, begin jaren negentig, al te maken kregen met handelssancties van de Verenigde Naties. Dat betekende een enorme impuls voor de Joegoslavische zwarte economie, met effecten op de hele regio. De Balkan werd de voornaamste smokkelroute naar West-Europa en Servische criminelen verdienden kapitalen met de handel in olie, sigaretten en drugs. En dus zochten de jonge staten steun bij de enige partij die haar weg wist te vinden in de chaotische nieuwe economie van de Balkan, schrijft de Britse Balkan-expert Misha Glenny en auteur van The Fall of Yugoslavia in zijn nieuwste boek McMaffia. ‘Ze wendden zich tot maffiaorganisaties. Daarna duurde het niet lang of de criminelen controleerden de economie, de overheid en de oorlog. Voor iedereen die serieuze politieke ambities koesterde, zat er niets anders op dan zich onder het vaandel van de maffia te scharen.’
De Servische politiek werd voor hen een plaats om hun belangen te beschermen en ook politici als Djindjic die van Servië een liberale, open democratie wilden maken, moesten met hen in zee. Met hun macht drong de criminele handelsstijl de Servische politiek binnen. Een van de slachtoffers daarvan was Djindjic zelf.

De verweving van politiek met zakendoen in al zijn grijstinten verklaart ook waarom Milosevic’ oude partij, de SPS, zwijgend toekeek hoe Radovan Karadzic werd gearresteerd. Hoewel de SPS voor een regering had kunnen kiezen met radicaal-nationalistische partijen, zit zij sinds enkele weken op het pluche in een onwaarschijnlijke combinatie met liberale, pro-Europese partijen. ‘De hardliners in de SPS zijn naar de zijlijn gewerkt door een nieuwe elite van zakenlieden’, zegt Ton Zwaan. ‘De nieuwe regering heeft ingrijpende privatiseringen aangekondigd, en de zakenlieden van de SPS zitten nu op de eerste rij.’ Als er mogelijkheden zijn om financieel van die privatisering te profiteren weten zij er als eerste van.
De aanstaande uitlevering van Karadzic heeft dus meer met opportunisme te maken dan met de normalisering van de Servische politiek. ‘De huidige coalitie en de politiek in Servië in het algemeen is uitermate instabiel’, aldus Zwaan. ‘Er zijn voortdurend plotselinge omwentelingen, wisselingen van kampen, soms afrekeningen. Er is nog lang geen stabiliteit.’
Toch illustreert het opportunisme van de SPS dat ook sommige radicalen in Servië zich lijken te realiseren dat aansluiting bij de Europese Unie de enige levensvatbare optie voor het land is. ‘Servië is nu al heel lang een paria’, zegt Zwaan. ‘Het land is veel armer dan zijn buren. Het heeft een groot vluchtelingenprobleem. Het kampt met de grote macht van criminelen. Voor dat land is er maar één weg. Rusland doet soms alsof het Servië een alternatief biedt, maar dat is schijn. In werkelijkheid zijn de Russen niet bereid daar echt de enorme investering in te doen die nodig is.’
Maar voor een Europese toekomst van Servië staat één massief obstakel in de weg: het Servische nationalisme. Al voor de Joegoslavische oorlogen zweepten politici en nationalistische intellectuelen het gekrenkte Servische vaderlandsgevoel op dat drijft op heroïsche zelfbeelden en de overtuiging van historisch slachtofferschap. Ton Zwaan: ‘De grootste partij in Servië zijn de radicale nationalisten. Zij zien de EU, en het buitenland in het algemeen, als één grote samenzwering tegen Servië.’

Juist bij al het westerse enthousiasme over de arrestatie van Karadzic springt het in het oog hoe terughoudend of zelfs negatief een groot deel van het Servische parlement reageerde. De sterk nationalistische Radicale Partij (de SRS: goed voor bijna tachtig van de 250 zetels) schreeuwde verraad, maar ook de SPS-minister van Binnenlandse Zaken, onder wiens jurisdictie de aanhouding officieel valt, haastte zich om zijn achterban te zeggen dat hij van niets op de hoogte was geweest. Nog altijd is de associatie met mannen als Karadzic en Mladic goed voor electoraal gewin. Dat bleek een half jaar geleden, vlak voor de presidentsverkiezingen, toen ruim 25.000 aanhangers van de Radicale Partij zich verzameld hadden in een voetbalstadion in Belgrado. Het was januari, en om het publiek warm te houden werden er liederen ingezet ter meerdere glorie van hun kameraden, onder wie Karadzic. ‘Onze broer moet zich verstoppen in een grot’, zongen de bezoekers, die veelal buttons droegen met ‘Nee tegen Haagse tirannie’.
Hoewel die verkiezingen door het Westen werden ervaren als een stap naar de EU was de werkelijke winstmarge van de pro-Europese Tadic (DS) miniem: SRS-kandidaat Nikolic haalde in de tweede ronde bijna 48 procent van de stemmen. En dan nog correspondeerde de uitslag volgens kenners eerder met onvrede over de zwakke economie dan dat er sprake was van een ideologiewisseling.

De ideologie van de Radicale Partij is een erfenis van de gehele twintigste eeuw. Het pan-Slavistische element stamt van voor de Eerste Wereldoorlog; de focus op etnische zuiverheid is een residu van het nazisme en de antiliberale, antiwesterse opstelling van een halve eeuw communisme. Het xenofobe nationalisme is het gevolg van de kunstmatige constructie van Joegoslavië, ooit bedacht door staatsmannen op de tekentafels van Versailles, 1919, waarin allerlei etnische groepen kunstmatig bij elkaar werden geveegd. Toen die constructie wegviel stonden de groepen ineens tegenover elkaar. ‘Dat is uiteindelijk de tragiek van de Balkan’, zegt Ton Zwaan. ‘Gewone mensen kunnen niet deelnemen aan het grote spel van politieke krachten. Maar ze laten zich er voortdurend door manipuleren.’
Het is opvallend hoe de hedendaagse retoriek van de SRS lijkt op de manipulatie van Milosevic en Karadzic, vijftien jaar geleden. De nationalistische gevoelens op de Balkan richtten zich toen veel minder op het oprichten van een natie dan op de bescherming van de familiebanden, de clan, de dorpsgemeenschap. De volksmenners speelden hier feilloos op in; de Servische cultuur dreigde uit te sterven, bepleitten ze. In de jaren tachtig was de Servische bevolking in Joegoslavië nauwelijks gegroeid, terwijl de Albanese en vooral de moslimbevolking sterk toenam. Het ‘gemeenschappelijk bloed’ – in zijn retoriek refereerde Milosevic altijd slim aan dat familiegevoel – moest beschermd worden.
Ook nu cultiveert de SRS het slachtofferschap van Servië. Het land wordt bedreigd, zeggen ze. Door hun buren, die het Chetnik-gedachtegoed van de SRS (Chetniks waren de nationalisten die aan de kant van de nazi’s vochten) illegaal hebben verklaard. Door Europa, dat door sancties het land ervan weerhoudt zich economisch te ontwikkelen. Door het Joegoslavië Tribunaal, dat op hun helden jaagt. En door elk lid van de internationale gemeenschap dat onlangs de onafhankelijkheid van Kosovo erkende.
Hoe radicaal en antiwesters haar ideeën ook mogen klinken, in het parlement is de Radicale Partij met haar gedachtegoed geen verstoteling: in 2004 kreeg ze voor elkaar dat er een wet werd aangenomen die soldaten en militieleden die zich als Chetnik aanduidden dezelfde pensioenrechten geeft als de Partizanen. Dat leidt tot de paradoxale situatie dat de collaborerende Chetniks officieel op gelijke voet staan met de tegen de nazi’s vechtende Partizanen.
Zie de wet als symbool voor de wankele balans tussen de uitersten van het Servische verleden, tussen extreem-rechts en communistisch-links, zoals de toekomst ook tussen twee uitersten zal plaatsvinden: tussen een rechtsstaat en McMaffia, een liberale democratie en nationalisme, volwaardig EU-lid en Europese paria. Het is aan de komende generatie of het land afscheid kan nemen van het verleden.
Natuurlijk is daar hoop op. Op internet circuleert de pilot van de sitcom Mladici, gemaakt door Servische filmstudenten: twee jongens erven een appartement van hun grootmoeder, op voorwaarde dat ze Mladic er laten onderduiken. Mladic ontpopt zich als een joviale huisgenoot die steeds vraagt of er nog bier is, en waar de vrouwtjes zijn. Wie zijn geschiedenis kan relativeren kan er ook afstand van nemen.