Redactie Binnenland Brazilië

Tussen samba en klompendans

eurtelings zijn Groene-redacteuren een aantal weken de gast van een Oegandees dagblad, een Kazachse krant of een weekblad uit Papoea-Nieuw-Guinea. Vanaf de Redactie Binnenland berichtenze over het dagelijks leven ter plekke. Deze week deel twee rondom het Braziliaanse dagblad O Dia.

Het scheelde weinig of Brazilië was een Hollandse kolonie gebleven. Zouden de zwarte Brazilianen dan beter af zijn geweest? Bericht uit een kleurenblinde natie.

RIO DE JANEIRO — Op 22 april is het precies vijfhonderd jaar geleden dat ontdekkingsreiziger Pedro Alvares Cabral als eerste Portugees voet zette op Braziliaanse bodem en dat is reden voor een overladen herdenkingsprogramma dat diepgaand reflecteert op de eigen geschiedenis. Ook het Hollandse aandeel komt ruimschoots aan bod. In het Museu de Belas Artes aan de Avenida de Rio Branco in Rio de Janeiro trekt de expositie O Brazil e os Holandeses veel bekijks. De tentoonstelling, een initiatief van ABN-Amro die bezig is aan een soort monetaire herkolonisatie (daartoe kocht men de Braziliaanse Banco Real op), richt zich vooral op de daden van Johan Maurits van Nassau, de in 1600 te Dillenburg geboren achterneef van Willem de Zwijger. Maurits arriveerde op 26 januari 1637 in opdracht van de West-Indische Compagnie (WIC) in Noord-Brazilië met als missie de Portugezen te verjagen. Van zijn opdrachtgevers kreeg hij slechts 350 man mee, maar het voorwerk was al gedaan. De eerste Hollandse vestiging in Brazilië, bij Bélem, dateert al van 1616. De daaropvolgende jaren had Piet Heyn drie gevoelige slagen uitgedeeld aan de Spaans-Portugese vloot in de Allerheiligenbaai van Salvador, Bahia. Sinds 1630 waren de Hollanders verwikkeld in felle gevechten met de Portugezen en hun indiaanse strijdmakkers in de Pernambuco-regio. In de figuur van Maurits kregen ze een listige veldheer. Dankzij een verbond met de Tapoeia-indianen wist Maurits binnen een maand na aankomst de Portugezen te verslaan. Hierna mocht hij zich gouverneur van ‘Nieuw Holland’ noemen. Een groot deel van de Braziliaanse kust stond onder WIC-controle. Onder Maurits’ patronage vestigde zich een omvangrijke joodse gemeenschap in de stad Recife. Voor de WIC brachten de suikerplantages en de slavenhandel hun geld meer dan op.


Te zijner meerdere glorie liet Maurits op een eiland in de Beberibe-rivier even buiten het overvolle Recife de luisterrijke stad Mauritsopolis verrijzen, rondom zijn met keizerlijke grandeur vormgegeven paleis Vrijhof. Aldaar trof men een omvangrijke bibliotheek, een dierentuin en een museum met meer dan driehonderd opgezette apen aan. In de hofhouding van Maurits zaten enkele bekwame wetenschappers die de Braziliaanse bevolking en natuur alsmede het ruime assortiment exotische ziektes gedetailleerd in kaart brachten. Schilder Frans Post was de eerste die Braziliaanse landschappen vastlegde op het doek. Na zijn eerste eclatante successen kreeg de lichtelijk megalomane Maurits echter te kampen met een serie tegenslagen, waar hij gedeeltelijk zelf schuldig aan was. Zo ontdeed hij zich van zijn belangrijkste militaire adviseur, de Pool Arciszewski. Nadat eerder een vergeefse poging was gedaan om de vijand te verjagen uit zijn laatste bolwerk, het zevenhonderd kilometer verderop gelegen Salvador in Bahia (alwaar de Portugezen zich volgens de legende in hun strijd tegen de Hollanders gesteund wisten door hun slaven), zag Maurits zijn vloot fors uitgedund als gevolg van een — catastrofaal mislukte — poging de goudmijnen van Chili op de Spanjaarden te veroveren.


Ondertussen viel Maurits bij stadhouder Frederik Hendrik uit de gratie toen de laatste via een bedrogen echtgenoot op de hoogte raakte van zijn amoureuze verwikkelingen met de Portugese Anna Pães d’Altro. Toen de suikerproductie ook nog eens tegenviel was het met gouverneur Maurits gedaan. Op 9 mei 1643 kreeg hij zijn congé. Twee miljoen gulden aan provisie rijker keerde Maurits terug naar het vaderland. Vele Hollandse kolonisten gingen met hem mee, of namen — zoals het geval was met een groot deel van de joodse gemeenschap — de wijk naar Suriname. Het nieuwe bestuur van Nieuw Holland onder leiding van luitenant-generaal Van Schoppe en admiraal Witte Corneliszoon de With incasseerde twee gevoelige nederlagen en op 26 januari 1654 was de capitulatie van Recife een feit. De Hollanders ontvingen een forse schadevergoeding en knoopten goede betrekkingen aan met de Portugezen. Zo bleven ze fors verdienen aan de slavenhandel in Brazilië. Mauritsopolis was uit strategische overwegingen toen al bijna geheel door de Nederlanders vernietigd.



‘DE HOLLANDERS HEBBEN als geen ander bijgedragen aan de wording van de Braziliaanse identiteit’, zegt Fernando Rosa Ribeiro, antropoloog van de Universiteit van São Paulo. ‘Uiteindelijk vormden zij de eerste externe vijand, waar de Portugezen, de zwarte slaven en de indianen gezamenlijk tegen hebben gevochten. Lang nadat ze van het toneel waren verdwenen is er in Brazilië een soort cultus rond de Hollanders ontstaan. Men ging Maurits en zijn mannen postuum idealiseren als grote humanisten. Er zijn Braziliaanse intellectuelen die menen dat dit land een beter lot was beschoren indien het blijvend door Nederland gekoloniseerd zou zijn geweest.’


Een van de Braziliaanse apologeten van de Hollandse tijd is de nog immer razend populaire schrijver/componist/muzikant Chico Buarque de Holanda. In 1973, tijdens de militaire dictatuur, schreef hij het toneelstuk Calabrar, elogio da traição, waarin hij het verraad van een Braziliaanse militair die tijdens de oorlog naar het Hollandse kamp overliep, verdedigde als een historisch gerechtvaardigde stap. Domingos Fernandes Calabrar, een mulat uit Porto Calvo, maakte het de Hollanders in Pernambuco aanvankelijk zeer lastig, maar in 1632 liep hij over. Zijn motief was dat de Hollanders gelijke burgerrechten en vrijheid van godsdienst beloofden aan ieder die hen hielp in de strijd tegen de Portugezen. In 1635 werd hij gevangen genomen en opgehangen. Chico Buarques toneelstuk over Calabrar was uiterst controversieel. Hij kreeg het zwaar aan de stok met de militaire censuur. Ribeiro: ‘Het is natuurlijk een interessante vraag wat er met Brazilië zou zijn gebeurd als het door Nederland zou zijn gekoloniseerd. Dan hadden we hier misschien de klompendans in plaats van de samba gehad. Maar of Brazilië er echt beter van zou zijn geworden? Indonesië en Zuid-Afrika zijn toch ook niet bepaald het paradijs.’


De 39-jarige Fernando Ribeiro promoveerde vier jaar geleden aan de Rijksuniversiteit van Utrecht met een studie over de Nederlandse koloniale geschiedenis in de Cariben en Zuid-Afrika, waarbij hij zich met name verdiepte in het wezen van de apartheidspolitiek. Voor zijn onderzoek verbleef hij in Kaapstad, Aruba, Curaçao en Suriname. Momenteel werkt Ribeiro aan een publicatie waarin hij het Nederlandse koloniale systeem afzet tegen dat van de Portugezen, in het bijzonder in Brazilië. Ribeiro: ‘De Portugezen waren geen goede handelaars. Ze hadden in eerste plaats een religieuze missie. Daarom werden ze in Japan ook in de vulkaan gegooid, in tegenstelling tot de Hollanders, die er wel werden gedoogd. De Nederlanders waren veel nuchterder, pragmatisch. Ze ambieerden geen culturele invloed in de door hen gekoloniseerde gebieden. Om verspreiding van hun taal en cultuur was het ze niet te doen. Ze wilden alleen maar verdienen. De door hen onderworpen volken mochten hun eigen taal en religie behouden, ervan uitgaand dat ze toch nooit gelijkwaardig aan de Europeaan konden worden. Dit in tegenstelling tot de Portugezen, die vonden dat iedereen Portugees moest leren en katholiek moest worden, dus ook de indianen en de uit Afrika overgebrachte slaven. In Brazilië ging het proces van nation building gepaard met een sterke nadruk op rasvermenging. In Zuid-Afrika was dat precies omgekeerd. Daar was mixing juist een schande. Het proces van assimilatie moest met alle middelen worden gestopt. In Brazilië moest men zich juist vermengen.’



EEN FRAAI VOORBEELD is het lot van de Duitse gemeenschap van Rio Grande do Sul in Zuid-Brazilië. Hun stad Blumenau in de deelstaat Santa Catarina, genoemd naar stichter Hermann Blumenau, werd in 1937 bezet door het Braziliaanse leger. De Duitsers werden ervan beschuldigd een eigen staat te willen vestigen. Ribeiro: ‘De Duitsers waren halverwege de negentiende eeuw naar Brazilië gekomen en trouwden alleen onderling. Dat werd hier niet geaccepteerd. Het niet hebben van interetnische seks werd kennelijk als een doodzonde tegen de Braziliaanse natie beschouwd. In een eerder stadium achtte men het een groot onrecht dat de Duitsers geen slaven wilden houden. Dat werd als racisme gezien. De slavernij werd in Brazilië pas in 1888 afgeschaft, een jaar voor het uitroepen van de republiek. Het was daarmee het laatste land in de westerse hemisfeer.’


De maatregelen tegen de Duitsers van Blumenau logen er niet om. Op het Duitse kerkhof werden de Gotische grafschriften van de zerken afgebeiteld. Er kwam een samenscholingsverbod voor de Duitsers, hun taal werd verboden, het Portugees verplicht. Het leger ontbond de Duitse scholen en de jongens van Blumenau werden bij wijze van verplichte inburgering in militaire dienst naar de Amazone gestuurd, waar ze allemaal aan malaria zouden bezwijken. ‘Het merkwaardige was dat de toenmalige dictatuur van president Vargas aanvankelijk juist behoorlijk op de hand van Hitler was’, aldus Ribeiro. ‘De nazi’s stuurden agenten naar Zuid-Brazilië om de Duitsers aldaar te winnen voor de hitleriaanse zaak, maar die kregen daar nauwelijks gehoor. Toch werden de Braziliaanse Duitsers zeer gewantrouwd. De belangrijkste ideoloog van die anti-Duitse stemming was de jurist Oliveira Vianna, die in de jaren dertig een reeks boeken schreef waarin hij de wereldgeschiedenis met een geheel eigen occult-racistische terminologie probeerde te duiden. Zijn bekendste werk heette Raça e Assimilação. “Japanners en Duitsers zijn als zwavel; ze smelten niet’’, is een bekende uitspraak van hem. Daarom achtte hij deze volkeren niet geschikt om in te zetten bij de opbouw van de Braziliaanse natie. In plaats daarvan moesten Italianen, Spanjaarden en Portugezen worden aangetrokken, hetgeen inderdaad lang de officiële immigratiepolitiek is geweest.’


Het hedendaagse Brazilië, zo meent Ribeiro, is een kleurenblinde samenleving: ‘Ras is hier geen issue. Gemengde relaties zijn de gewoonste zaak van de wereld. Zoiets als apartheid heeft hier nooit enige kans gehad. Toch moet je vaststellen dat de zwarte Brazilianen bijna altijd tot de onderliggende klasse behoren. De zwarten hebben nauwelijks toegang tot educatie, op universiteiten zie je ze al bijna helemaal niet, in de politiek en in de top van het zakenleven al evenmin. De favela’s, sloppenwijken, zijn vrijwel exclusief zwart territorium. Iedereen weet dit, maar bijna niemand praat erover, zeker niet op politiek niveau. Het is een taboe. Volgens president Cardoso, die van huis uit socioloog is en in de jaren zestig een baanbrekende studie schreef over het leven van de slaven in Zuid-Brazilië, is de ambiguïteit die over de positie van de zwarte bevolking bestaat juist een goede zaak. Persoonlijk vrees ik dat de problemen de komende tijd alleen maar zullen verscherpen. Daaruit zal dan een nieuw zwart bewustzijn groeien, een proces dat ondertussen al hevig aan de gang is.’



INDERDAAD LIJKT de black awareness om zich heen te slaan in Brazilië. De jonge zwarten uit de favela’s dragen T-shirts met opschriften als ‘Sou negro, mesmo’ (Ik ben zwart, echt) en zijn hevig in de weer met Bob Marley, Malcolm X en Angela Davis. Het nieuwe blad Raça Brazil, dat zich richt op de jonge zwarte Braziliaan, is uiterst succesvol. De door de staat gepropageerde stelling als zou Brazilië anders dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten geen rassenprobleem hebben, wordt door steeds meer Brazilianen als een mythe verworpen.


Een van de belangrijkste onderzoekers — en gangmakers — van de Afro-renaissance in Brazilië is de Italiaanse antropoloog Livio Sansone. Sansone is hoofd van het Centro Estudos Afro-Asiáticos van de Universidade Candido Mendes in Rio de Janeiro, waar hij, zo meldt hij met enige trots, de enige ‘niet-zwarte’ is in het medewerkersbestand. In de jaren tachtig woonde hij in Amsterdam, waar hij onderzoek deed naar de ‘overlevingsstrategieën’ van de gemarginaliseerde Surinaams-creoolse jongeren in de Bijlmermeer. Na enige jaren te hebben gewerkt in Bahia, Braziliës meest zwarte staat, kwam Sansone in 1995 naar Rio, alwaar hij recentelijk een opdracht van de deelstaatregering kreeg om het vijftigduizend agenten tellende apparaat van de gevreesde, door corruptie geteisterde Poliçia Militar door te lichten. Het is, zo beaamt hij, een unieke opdracht, tot nu toe de enige in zijn soort, en het was dan ook alleen maar mogelijk in Rio, alwaar het ministerie van Openbare Veiligheid wordt geleid door de linkse antropoloog Eduardo Soares. Sansone: ‘De meeste slachtoffers van de Poliçia Militar zijn zwart. Maar verreweg de meeste agenten zijn dat ook. Dat belooft dus een interessant onderzoek te worden. Overigens zijn lang niet alle leden van de Poliçia Militar de barbaren waarvoor ze worden versleten. Er zitten ook heel erudiete types tussen. Ik ken er een die in zijn vrije tijd gedichten in de stijl van Petrarca schrijft’.


Sansones instituut is een van de weinige in Brazilië die een punt maken van etniciteit als factor in de samenleving. Het beschikt over een archief met alle berichten uit de Braziliaanse pers van de afgelopen twintig jaar waarin melding wordt gemaakt van racistische incidenten. Ook is het Centro Estudos Afro-Asiáticos uniek in zijn — heel voorzichtige — pleidooien voor vormen van positieve actie in de hogere regionen van de Braziliaanse arbeidsmarkt. ‘Brazilië is in etnisch opzicht het absolute tegendeel van Nederland’, zo meent Sansone. ‘Er heerst hier een grote afkeer om te praten in termen van ras en eigen cultuur. Men is voor alles Braziliaan en ontkent dat er hier zoiets als racisme bestaat. Dat is voor een deel ook zo — zeg maar in het privé-leven van de mensen, in hun vrijetijdsbesteding, hun cultuur —, maar in de hardere sectoren, zoals werk, onderwijs en openbare veiligheid, is er wel degelijk sprake van discriminatie. Niettemin vinden veel Braziliaanse wetenschappers en politici mijn werk maar overdreven. Waar je Nederland etnofiel zou kunnen noemen, is Brazilië etnofoob. Over het bewaren van cultuurverschillen, dat in Nederland juist zo wordt gekoesterd, wordt hier nauwelijks nagedacht. Een mooi voorbeeld zijn de wedstrijden tussen de diverse sambascholen tijdens het carnaval: de winnaar is niet de groep die het meest Afrikaans is, maar juist het gezelschap dat zoveel mogelijk elementen door elkaar husselt, overgoten met een barokke Madame de Pompadour-saus. In die zin is Brazilië een pioniersland van het postmoderne. Het was al postmodern voordat het begrip werd uitgevonden’.


Sansone omschrijft de Braziliaanse samenleving als het ‘spiegelbeeld van de Verenigde Staten’: ‘Noord-Amerika is etnisch gezien vastgeroest. In Brazilië zijn de verhoudingen veel vloeiender. Neem alleen al het gigantisch aantal gemengde huwelijken. Daarom heeft dit land in mijn ogen ook veel meer perspectieven dan de VS. Het is makkelijk om het huidige Brazilië af te schilderen als één groot griezelhuis. De bewijzen daarvoor liggen in grote hopen op straat. Wat ontbreekt is economische dynamiek. Bijna nergens ter wereld is de rijkdom zo oneerlijk verdeeld als hier. Aan de andere kant zijn er genoeg tekenen van hoop. De solidariteit is groot. Zo functioneert het informele netwerk van adoptie in de lagere middenklasse heel goed.’


De postume verering in Brazilië van de Hollandse tijd ziet Sansone met zijn ruim tienjarige ervaring in de Lage Landen ondertussen met enige ironische distantie aan. ‘Het is een mythe op zich geworden. Toen ik in Bahia werkte ging ik eens met vier Nederlanders naar Pernambuco om te kijken of er nog iets over was wat aan de Hollanders herinnerde. Op een gegeven moment raakten we in gesprek met een autochtoon die zeer enthousiast bleek en beweerde dat hij van de Nederlanders afstamde. Tenminste, hij vond zelf dat hij een typisch Nederlandse naam had. Hij heette Da Silva.’



Deze serie komt tot stand met steun van het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking (Hivos) te Den Haag.