Honderd jaar psychoanalyse in Nederland

Tussen sofa en scanner

De geschiedenis van de psychoanalyse in Nederland is behalve een succesverhaal ook een verhaal van twist en verzuiling. Sommige analytici beschouwen hun beroep als een vorm van gesprekskunst, anderen kruipen liever dicht aan tegen de harde wetenschappen.

Small gettyimages 141551809
Sigmund Freud in Den Haag, 1920 © Sigmund Freud Copyrights / ullstein bild via Getty Images

In 1917 werd de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse opgericht. Sigmund Freud, geestelijk vader van de psychoanalyse, stuurde de jonge vereniging vanuit Wenen zijn ‘wärmsten Wünsche’. Twee jaar eerder al speculeerde schrijver en arts Frederik van Eeden in De Groene Amsterdammer dat het werk van Freud ‘de geheele psychologie in nieuwe banen heeft gebracht’. Van Eeden had natuurlijk gelijk. Sterker nog: freudiaanse ideeën over de sluimerende Eros en Thanatos in het onbewuste zouden kenmerkend worden voor het zelfbeeld van de twintigste-eeuwse mens. Dit jaar wordt gevierd dat de psychoanalyse een eeuw bestaat in ons land. Wat is de erfenis van Sigmund Freud? Heeft Nederland nog een onbewuste? Een goede gelegenheid voor een analyse.

Niet lang geleden zag de toekomst van de psychoanalyse in ons land er allesbehalve rooskleurig uit. 2010 was een bijzonder hachelijk jaar. Toen werd de klassieke psychoanalyse – waarbij de patiënt drie, vier of zelfs vijf keer per week op de divan ligt en vrij associeert – uit het basispakket van de Zorgverzekeringswet geschrapt. Critici wreven zich in de handen. Analytici vreesden dat dit wel eens het einde van hun vak zou kunnen betekenen. Die vrees was niet helemaal ongegrond. Slechts een paar honderd mensen maakten gebruik van de intensieve behandelvorm. Aan de universiteit besteedden de opleidingen psychologie en psychiatrie nog maar weinig aandacht aan het freudiaanse gedachtegoed.

De laatste jaren is echter een opleving van de psychoanalyse zichtbaar. Buiten de academie is groeiende interesse voor psychoanalytische cultuur- en maatschappijbeschouwingen. Boeken van psychoanalytici zoals Darian Leader en Paul Verhaeghe vinden een groot publiek. Het huidige politieke klimaat schreeuwt om verklaringen die irrationaliteit als uitgangspunt nemen. Waar komen die ‘onderbuikgevoelens’ vandaan, als niet uit het onbewuste? Klimaatwetenschappers grijpen naar psychoanalytisch jargon om de anders onbegrijpelijke destructie van de eigen leefomgeving te verklaren. In de Verenigde Staten wordt in psychoanalytische termen heftig gespeculeerd over de geestelijke gezondheid van hun president. Het onbewuste is terug op het wereldtoneel. En hoe. Het freudiaanse model van de geest – waarbij onbewust conflict aan de basis ligt van psychisch leed – is diep verankerd in onze taal en cultuur. Zo zijn wij allen, bewust of niet, nog altijd freudianen.

Maar hoe staat het met de behandelkamer – de geboorteplaats van de psychoanalytische Weltanschauung? Wie morgen naar zijn huisarts gaat met psychische klachten zal niet worden doorverwezen naar een psychoanalyticus voor een analyse. In plaats daarvan krijgt hij of zij een kort durende therapie aangeboden, meestal cognitieve gedragstherapie, die is gericht op het zo snel mogelijk wegnemen van klachten door het aanpassen van gedrags- en gedachtenpatronen bij de patiënt. Deze aanpak staat mijlenver af van de klassieke psychoanalyse, waarbij patiënt en analyticus elkaar soms jarenlang ontmoeten.

Maar er zijn ook vormen van ‘psychoanalytische psychotherapie’ beschikbaar. Zo’n therapie, waarbij de patiënt één of twee keer per week wordt behandeld, meestal op een stoel en niet op de divan, wordt door verzekeringen nog steeds vergoed. In de meeste kort durende therapievormen zien we de belangrijkste ideeën van de psychoanalyse terug. Het idee dat de ontmoeting met de eerste mensen die we in ons leven tegenkomen, meestal onze ouders, onbewust een stempel drukt op de verhoudingen die we daarna zullen aangaan, is verre van uit de mode. Vrijwel iedere therapievorm werkt met een variatie op dat idee. Ook de notie dat de relatie van de patiënt met zijn therapeut op een bepaalde manier exemplarisch zou zijn voor zijn verhouding tot de wereld in het algemeen – in de psychoanalyse de ‘overdracht’ genoemd – vindt steeds vaker zijn weg terug in andere therapievormen.

Freud leeft dus voort in onze collectieve fantasie – de taal en cultuur. Zijn belangrijkste inzichten zijn terug te vinden in een aanzienlijk deel van de huidige therapievormen. Kan de kostbare en tijdrovende behandeling op de divan daarmee worden afgeschreven?

Dat zou zonde zijn. Er zijn grote verschillen tussen psychotherapie en klassieke psychoanalyse. Die bestaan niet alleen uit de duur en frequentie van een behandeling. Het belangrijkste verschil ligt in de doelstelling. Waar therapie is gericht op het zo snel mogelijk wegnemen van symptomen is klassieke psychoanalyse gericht op het in kaart brengen van onbewuste motivatie. Beroemd is Freuds uitspraak dat het doel van een analyse is ‘om neurotische ellende te veranderen in draaglijk ongemak’. Dat doel wordt volgens analytici bereikt door de patiënt inzicht te geven in de onbewuste oorsprong van gedrag en gedachtenpatronen. Het verschil tussen psychotherapie en analyse zit al in de naam. Therapie – naar het Griekse therapeia – veronderstelt ziekte en belooft genezing. Om in analyse te gaan hoef je niet ziek te zijn, wel nieuwsgierig. Natuurlijk is het wegnemen van symptomen een welkom bijproduct van een analyse, maar het is niet het uiteindelijke doel. Wie zo snel mogelijk van zijn of haar vliegangst af wil, kan het best in therapie gaan. Wie inzicht wil krijgen in de redenen waarom een bepaalde situatie hem of haar angst inboezemt, is beter af in analyse. Of de klassieke psychoanalyse vergoed zou moeten worden door de overheid of zorgverzekeraars is een andere vraag.

Freud zei dat het doel van een analyse is ‘om neurotische ellende te veranderen in draaglijk ongemak’

Toen Freud aan het begin van de twintigste eeuw de psychoanalyse bedacht, bestonden er nog geen strenge regels over de duur of frequentie van de behandeling. Sommige analytici openden al een psychoanalytische praktijk na een paar korte ontmoetingen met Freud. Het duiden van een droom tijdens een bergwandeling kon een analyse zijn, of een goed gesprek boven een kop Weense koffie. Maar de sofa had Freuds voorkeur en de standaardisering van de psychoanalyse zoals wij die nu kennen, werd gaandeweg geïntroduceerd. In 1910 richtten Freud en zijn aanhangers de Internationale Psychoanalytische Vereniging op. Die organisatie had als taak om analytici met elkaar te verbinden, opleidingen te reguleren en het gedachtegoed te stroomlijnen en verspreiden.

In verschillende landen werden regionale verenigingen opgezet die verantwoording moesten afleggen aan de Internationale Vereniging. Zo ontstond van lieverlee een professioneel netwerk van analytici over de hele wereld. Historicus Henri Ellenberger concludeerde in zijn meesterwerk The Discovery of the Unconscious (1970) dat het grootste succes van Freud niet zozeer was gelegen in de concepten die hij ontwikkelde, als wel dat hij als eerste en enige in navolging van de oude Grieken erin slaagde om een succesvolle filosofische school te stichten. Dat doet de psychoanalytische concepten en praktijk ongetwijfeld te kort, maar er zit een belangrijke kern van waarheid in.

Er was al vroeg animo voor psychotherapeutische ideeën in Nederland. In 1887 opende het Instituut Liébault de deuren in Amsterdam. Liébault was een beroemde hypnotiseur uit de Franse plaats Nancy. Freud zelf was ooit bij een leerling van Liébault op visite geweest om de kunst van het hypnotiseren af te kijken. In het Amsterdamse instituut werden voor het eerst behandelingen aangeboden die enigszins leken op wat later de klassieke psychoanalyse zou worden. De behandelende artsen waren A.W. van Renterghem, ook wel de ‘wonderdokter uit Goes’ genoemd, en Frederik van Eeden. Hun aanbod heette ‘psychotherapie ter behandeling van zenuw- en zielsziekten’. Door middel van hypnose, handoplegging en vooral goed luisteren, probeerden zij hun patiënten – met name welgestelde dames – van hun psychische problemen af te helpen.

Dat sloeg aan. In 1914 werd een belangrijke overwinning behaald voor de psychoanalytische beweging in Nederland. De vooraanstaande hoogleraar psychiatrie Gerbrandus Jelgersma hield een rede waarin hij de psychoanalyse omarmde. De lezing droeg de titel ‘Ongeweten geestesleven’. Het was een vurig pleidooi voor het freudiaanse onbewuste. Toen Freud ervan hoorde was hij in zijn nopjes. Het was de eerste keer dat een hoogleraar psychiatrie zijn ideeën openlijk omarmde. Naar aanleiding van de rede schreef Freud aan een collega: ‘Denken Sie, offizieller Psychiater, Rektoraktsrede, Psychoanalyse mit Haut und Haare! Welche Überraschungen stehen uns noch bevor!’

Nederland was plotseling koploper binnen de freudiaanse beweging. Aangemoedigd door dit succes besloot een kleine groep psychiaters een officiële ‘Freudsche’ vereniging op te richten in Nederland. De Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse had aanvankelijk dertien leden. De vereniging was klein en betrekkelijk invloedrijk. In 1920 werd in Den Haag het zesde Internationale Psychoanalytische Congres gehouden. Nederlandse psychoanalytici geloofden stellig dat de psychoanalyse een tak van de psychiatrie was. Ze kregen de reputatie van een gideonsbende en weigerden kritiekloos te buigen voor het gezag in Wenen. Even leek het erop dat de psychoanalyse in Nederland vruchtbare bodem had gevonden.

De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog maakte aan deze hoopvolle periode snel een einde. Het stuurse karakter van de Nederlandse analytici bleek een akelige schaduwzijde te hebben. Een aantal van hen weigerde in de jaren dertig om joodse vakgenoten uit Duitsland aan werk en een verblijfsvergunning te helpen. Het vraagstuk spleet de vereniging. Een invloedrijke analyticus, Westerman Holstijn, schreef: ‘Ik acht het absoluut verkeerd dat Marxistische Joden, die geen Nederlands artsdiploma bezitten onder de moederlijke zorgen van de Psychoanalytische Vereniging een bestaan als psychotherapeut in Nederland verwerven.’ Uiteindelijk kon door de hulp van een aantal barmhartiger analytici een kleine groep ‘Marxistische Joden’ toch een paar jaar veilig in Nederland praktiseren. Een deel van hen vluchtte op tijd verder naar de Verenigde Staten of Groot-Brittannië waar de vluchtelingen met open armen werden ontvangen door de regionale verenigingen. Anderen werden tijdens de oorlog vermoord in vernietigingskampen. Christien Brinkgreve beschrijft in haar opzienbarende boek Psychoanalyse in Nederland (1984) hoe een van hen, Karl Landauer, in Bergen-Belsen de psychoanalyse van een patiënt voortzette.

Op deze traumatische geschiedenis moest na de oorlog verder worden gebouwd. Dat lukte, ten dele. Met Amerikaans geld werd een succesvol instituut voor psychoanalyse gesticht in Amsterdam. Twee sleutelfiguren binnen de vereniging, Jeanne Lampl-de Groot en Rik LeCoultre, drukten hun stempel op de ontwikkeling van theorie en praktijk in ons land. Zij voeren daarbij een uitgesproken conservatieve koers. Wellicht in reactie op de vroege dwarsheid van Nederlandse analytici – met dramatische gevolgen – kropen veel Nederlandse analytici in de jaren na de oorlog dicht aan tegen de freudiaanse orthodoxie. Lampl-de Groot was bij Freud zelf in analyse geweest en verdedigde een geschrifttrouwe interpretatie van de psychoanalyse. Het verhaal gaat dat de Nederlandse analytica na terugkomst uit Wenen consequent met een zwaar Duits accent bleef spreken. In 1947 splitste een deel van de psychoanalytici zich af en vormde een tweede vereniging, het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap. In 2005 kwam er zelfs een derde vereniging bij. Daarmee is de geschiedenis van de geïnstitutionaliseerde psychoanalyse in Nederland naast een succesverhaal ook een verhaal van twist en verzuiling.

‘Niets wat eens aan de menselijke geest is ontsprongen kan ooit helemaal verdwijnen’

In de jaren zestig van de vorige eeuw beleefde de psychoanalyse haar hoogtepunt in Nederland. De maakbare samenleving maakte dankbaar gebruik van psychoanalytische inzichten. Het werd zelfs mogelijk voor minderbedeelden om een psychoanalyse door de overheid vergoed te krijgen. Nederland was daarin uniek. In geen enkel ander land was zulke verregaande overheidsfinanciering voor psychoanalyse beschikbaar. Een aantal analytici maakte zich destijds zorgen over de invloedrijke rol van de overheid, maar zij vormden een minderheid. De overheidsrol beperkte zich namelijk tot het financieel mogelijk maken van behandelingen; zij had niets te maken met de duur, frequentie – laat staan de vorm of inhoud van de therapie. Zo kwam het dat aan het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw alle hoogleraren psychiatrie en een groot deel van de hoogleraren psychologie in Nederland psychoanalytici waren. Het was inderdaad psychoanalyse mit Haut und Haare, zoals Freud hoopvol had voorspeld.

Onder het grote publiek kreeg psychoanalytische therapie indertijd een goede naam door publicaties zoals Wie is van hout… (1971) van psychiater Jan Foudraine, die een op de psychoanalyse geïnspireerde behandeling van schizofrenen propageerde. In lijn met de tijdgeest werd door marxistische filosofen als Herbert Marcuse en Erich Fromm een bevrijdingsbelofte toegevoegd aan het psychoanalytische gedachtegoed. Analyse zou de vervreemde mens niet alleen beter kunnen maken, maar ook een beter mens. Freuds conservatieve inschatting over wat haalbaar is in een analyse maakte plaats voor radicalere interpretaties van zijn werk. Volgens sommigen overspeelde de analyse met zulke utopische vergezichten haar hand. Hoe het ook zij, de psychoanalyse was ontsnapt uit de behandelkamer en had definitief haar intrede gedaan in het bredere maatschappelijke discours.

Die breed gedragen interesse in de psychoanalyse heeft zich in Nederland nooit voldoende kunnen terugvertalen naar de psychoanalytische praktijk. Het praktiseren van psychoanalyse bleef in de regel voorbehouden aan psychologen en artsen. Daarmee zijn de psychoanalytische verenigingen in Nederland relatief gesloten gezelschappen gebleven. In Groot-Brittannië, het land waar Freud de psychoanalyse na zijn dood achterliet, zag men al vroeg in dat de psychoanalyse meer gemeen heeft met de literatuur en geesteswetenschappen dan met de medische wetenschappen. Daar werd de opleiding tot analyticus toegankelijk voor eenieder met gezond verstand en oprechte belangstelling. Naast artsen en psychologen werken daar tot vandaag ook historici, schrijvers en beroemde cricketers als analytici. Patiënten betalen doorgaans hun therapie naar draagkracht. Zo vertelde een Britse analyticus eens dat hij een werkloze patiënt behandelde voor het symbolische bedrag van één pond per sessie en een bankier voor bijna het duizendvoudige.

De psychoanalyse heeft zich in Groot-Brittannië ontwikkeld buiten de gevestigde geestelijke gezondheidszorg; zo kon een dialoog ontstaan tussen de maatschappij en de psychoanalyse. Omdat in Nederland de psychoanalyse lange tijd vervlochten was met de verzorgingsstaat had zij een medisch stempel nodig als waarborg en keurmerk. Zo heeft ze zich mettertijd laten verstrikken in het web van de onrealistische verwachtingen van zorgverzekeraars. De verlossing uit dat web zou een bevrijding voor de analyse kunnen betekenen.

De drie twistende psychoanalytische verenigingen in Nederland zijn in 2016 gefuseerd. De viering van een eeuw psychoanalyse in ons land is dus tegelijk een viering van het feit dat analytici in Nederland weer door één deur kunnen. Nu de psychoanalyse is losgezongen van overheid en zorgverzekeraars staat het analytici vrij om te heroverwegen wat voor rol de psychoanalyse kan spelen buiten de gevestigde geestelijke gezondheidszorg. Moet bijvoorbeeld worden vastgehouden aan de hoge frequentie van sessies? Kan de opleiding tot analyticus worden opengesteld voor niet-psychologen en artsen? Zijn er constructies denkbaar om de psychoanalyse voor iedereen betaalbaar te houden?

Op inhoudelijk vlak is die professionele herbezinning al lang geleden begonnen. Ondanks de conservatieve koers van naoorlogse analytici heeft de theorie in ons land niet stilgestaan. In psychoanalytische kringen wordt heftig gediscussieerd over de vraag of de psychoanalyse nu een kunst is of een wetenschap. Sommige analytici beschouwen hun beroep als een vorm van gesprekskunst, anderen kruipen liever dicht aan tegen de harde wetenschappen. In 2015 vond in Amsterdam een wereldcongres over neuropsychoanalyse plaats – een onderzoeksgebied waarin wordt getracht om de sofa en mri-scanner via onzichtbare bedrading aan elkaar te koppelen. Of zo’n kruisbestuiving zal leiden tot nieuwe inzichten voor de klinische praktijk valt nog te bezien. Freud beschouwde zichzelf als een wetenschapper, maar droomde van een psychoanalytische universiteit waar wetenschappers, kunstenaars en schrijvers zich samen zouden buigen over de studie van het onbewuste. Een filosofische school dus.

In de afgelopen jaren is dan ook sterk de nadruk komen te liggen op het feit dat de talking cure een talige aangelegenheid is, meer gericht op betekenisgeving dan op genezing in medische zin. In de woorden van de Britse psychoanalyticus Adam Phillips biedt een analyse ‘bearable redescriptions of unbearable things’. Daarmee bevindt zij zich op het eigenaardige snijvlak tussen wetenschap en woordenspel, en neemt ze als haar onderzoeksobject de stofwisseling tussen taal en gevoel. Zulke inzichten hebben de psychoanalyse dichter bij de geesteswetenschappen gebracht. Ook hebben zij de psychoanalytische praktijk aanzienlijk veranderd. Analytici hebben afstand genomen van een al te eenzijdige nadruk op seksualiteit. De ontmoeting tussen patiënt en analyticus wordt door de meeste analytici inmiddels beschouwd als een intersubjectief proces, waarbij wordt geluisterd naar de onbewuste communicatie van patiënt én behandelaar. De psychoanalyticus is al lang niet meer de autoritaire arts die uitlegt wat je dromen betekenen.

Deze ontwikkelingen hebben het contrast tussen klassieke psychoanalyse en andere psychotherapieën alleen maar scherper gemaakt. Voor betekenisvol inzicht is intensief contact tussen behandelaar en patiënt nodig. Een paar korte sessies zijn daarvoor simpelweg niet genoeg. Psychoanalytici werken met een rijk model van de geest dat gestoeld is op een lange traditie van intensief contact tussen patiënten en behandelaars. De psychoanalytische behandelkamer is nog steeds een ruimte waar alles wat verdrongen is vrijelijk kan worden besproken – hoe verdrietig, saai, fantastisch of vreselijk ook. In dat licht is de psychoanalyse een voortdurend experiment met het vrije woord.

Het zou zonde zijn als zulke ruimtes zouden verdwijnen, of erger: als zij werden vervangen door ruimtes waar je als patiënt wordt uitgelegd wat ziek is en wat gezond. Misschien wel het meest radicale inzicht uit de psychoanalyse is dat normaliteit en pathologie in elkaars verlengde liggen. Diagnostische labels zijn handige hulpmiddelen, maar analytici begrijpen dat ze fungeren als fopspeen wanneer ze de therapeut of de patiënt een misplaatst gevoel van zekerheid bieden.

Voorlopig zal de klassieke psychoanalyse een niche blijven. Sommige mensen hebben nu eenmaal behoefte aan het houvast van diagnostische classificaties. Anderen zijn helemaal niet in staat om hun psychische malaise onder woorden te brengen. Voor die mensen bieden medicatie en andere therapievormen uitkomst. Ondertussen stellen psychoanalytici vast dat steeds meer mensen openstaan voor het idee om een paar jaar uit te trekken voor een behandeling. Sommige analytici spreken zelfs van een freudiaanse renaissance. Wishful thinking? Misschien. Maar als de psychoanalyse toegankelijk blijft voor wie geïnteresseerd is in het onbewuste zal ze niet snel verdwijnen. Zoals Freud al schreef: ‘Niets wat eens aan de menselijke geest is ontsprongen kan ooit helemaal verdwijnen. Alles blijft altijd bewaard en kan onder de juiste omstandigheden zo weer herrijzen.’