Tussen spiegels geboren

Zowel David Shields als Siri Hustvedt pleit voor een persoonlijke essayistiek om het zelf te ontdekken. Voor Shields echter heeft de roman daarbij als vorm afgedaan.

David Shields, How Literature Saved My Life, Notting Hill Editions, € 19,95

Siri Hustvedt, Living, Thinking, Looking, Sceptre, € 13,95

Medium how literature saved my life
Medium living thinking looking

Toen David Shields negentien was, zoende hij een meisje op een rots aan zee. De golven sloegen tegen de kust, de maan maakte halo’s om hun hoofden.

Rebecca, zoals ze heette, werd zijn vriendinnetje en zou hem ontmaagden. Ze wilde hem elk moment van de dag zien, schrijft Shields; ‘she loved the way I talked (my stutter was endearing)’; ‘she was simultaneously attracted and repelled by my strength’. Ze adoreerde hem, maar hoe weet Shields dat bijna veertig jaar later zo zeker? Wel, wanneer Rebecca destijds niet in haar kamer was, las hij haar dagboek. Daarin beschreef ze gepassioneerd al zijn bewegingen, vierde elk aspect van zijn bestaan, concludeerde dat ze nooit zo van iemand had gehouden als van D., dat het nooit zo totaal en compleet gevoeld had: ‘sometimes I want to drink him in like golden water’. Geen wonder, voegt de auteur toe, dat hij zich niet meer kon concentreren op zijn Milton-tentamen, na zulke dingen over zichzelf gelezen te hebben.

Is het waar, dit kleine liefdesepos? Werd de stotterende maagd Shields werkelijk zo kritiekloos aanbeden door zijn ervaren buurmeisje? ‘Who cares? zegt hij zelf. Alles wat verwerkt is door het geheugen is fictie. Iedereen die over zichzelf schrijft liegt.

De Amerikaanse schrijver David Shields (1956) begon ooit als romancier, maar zorgde in 2010 voor opschudding met zijn manifest Reality Hunger: A Manifesto waarin hij te kennen gaf moe te zijn van de traditionele roman en pleitte voor een fragmentarische, non-fictieve literatuur. Wat hij voor ogen had was een radicale vervaging van de grenzen tussen fictie en non-fictie. Het boek was een aaneenschakeling van citaten, bespiegelingen en stukjes auto­biografie, losjes gearrangeerd tot een geheel dat onze versnipperde realiteit beter zou weergeven dan al die hecht gecomponeerde romans. (Inderdaad, geen bijster vernieuwend idee voor wie wel eens een klasje postmodernisme heeft gevolgd.) Vooral in de Verenigde Staten werd het manifest aangegrepen om de goede oude discussie over het voortbestaan van de roman weer eens te openen.

Waar Reality Hunger nog een algemeen pleidooi was voor het soort persoonlijke essayistiek dat Shields graag zou zien, is zijn nieuwe boek How Literature Saved My Life een poging om die opvatting in de praktijk te brengen. Het is een kleine artistieke autobiografie, opgebouwd uit stukjes literaire en culturele kritiek, anekdotes, meditaties en opnieuw: citaten. Maar hoewel het al meer neigt naar het zelfportret in collagevorm dat hij wil creëren, is ook een aanzienlijk deel van dit boek nog gewijd aan het expliciteren van Shields’ voorkeuren en bezwaren.

Dat begint al met de programmatische eerste zin van de proloog: ‘All criticism is a form of autobiography.’ Wat daarop volgt maakt die bewering deels waar, maar ook deels betwistbaar. Alles in How Literature Saved My Life betrekt Shields inderdaad op zichzelf – van flodderastrologie en vrouwenprogramma’s op de radio tot de slechte kanten van George W. Bush. Maar veel inkijk in hoe de auteur zijn leven concreet heeft ingericht krijgen we niet. Wellicht omdat hij een wantrouwen heeft jegens het vertellen van verhalen. De miniatuuressays die het boek vullen lijken eerder als doel te hebben om zijn denkwereld te omkaderen; ze leggen uit hoe hij leeft in literatuur. Het voelt daarom eerder andersom: autobiografie is voor hem een vorm van kritiek.

Een goed voorbeeld daarvan is het Rebecca-verhaal, een van de weinige uitgebreid anekdotische momenten. Wat ik in de versie hierboven wegliet is dat zijn Rebecca hem toevertrouwde dat dagboek bij te houden met de ambitie om er ooit een roman van te maken. Dat maakt de waarheid van deze toch al onbetrouwbaar aandoende vertelling nog onkenbaarder. Wie zegt immers dat Rebecca – misschien wel een matige romanschrijfster – haar liefde voor ‘D.’ niet dramatisch aandikte voor het verhaal? – zoals Shields dat ook doet met de setting: de rots, de golven, de maan.

Veelzeggend is het dat de romance eindigt op het moment dat de jonge verteller zich schuldig begint te voelen. Hij biecht zijn meisje op dat hij haar dagboek heeft gelezen en belooft haar en zichzelf het nooit meer te doen. Maar de magie is weg nu hij haar ego strelende woorden niet meer heeft om zich aan te verlekkeren, en daarmee verdwijnt ook zijn verliefdheid.

Het is een effectief gestileerde illustratie van hoe de auteur zijn leven in hoge – om niet te zeggen pathetische – mate bepaald ziet door taal. Even effectief verantwoordt deze liefdesgeschiedenis zijn ideeën over de onbetrouwbaarheid van persoonlijke herinneringen. Maar wat bij eerste lezing toch het meest in het oog springt is het weergaloze narcisme van Shields.

Ook bij andere passages dient de neiging zich aan om huilende smileys in de marges te zetten. Shields wilde boeken schrijven en aanbeden worden, zo omschrijft hij zijn kinderdroom. En nog steeds, op 56-jarige leeftijd, lijkt dat laatste hem vaak te drijven. (Op p. 59 vinden we de zin: ‘She’d slurp my semen as if it were maple syrup atop pancakes.’) Van die grootheidswaan is hij zich terdege bewust en How Literature Saved My Life is dan ook niet alleen een ergerlijke demonstratie, maar ook een interessante analyse van zijn zelfvergoding.

Shields’ lezing, bijvoorbeeld, van Spiderman, wat hij beschouwt als een verhaal over hoe belangrijk het is voor jongetjes om hun lichaam als machtsinstrument te kunnen zien, is slim en geestig en raakt op ontroerende wijze aan zijn eigen, tegenstrijdige opvattingen over mannelijkheid en heroïek. Daarin, zo schrijft hij, zijn woestheid en bescheidenheid voortdurend met elkaar in gevecht. En eigenlijk laat het hele boek zich lezen als een worsteling tussen zijn narcistische en zijn meer bedachtzame kanten.

De kunst en de literatuur, met hun eindeloze Prometheusen, zijn wat dat betreft boosdoeners én verlossers. Ze maken de mythes en super­helden waaraan het kleine jongetje zich spiegelt, maar bieden ook de mogelijkheid te reflecteren op de echtheid of onechtheid ervan.

Maar nu dan het essay, het probeersel, het genre dat volgens Shields de toekomst heeft, en waarvoor ook dit werk weer een lans moet breken. Dat iemand die zo graag over zichzelf praat als Shields het poëtische essay als vorm neemt verbaast niet. Maar hij voert diepere motieven op. Non-fictie, zegt hij, is een ‘rijk theater’ voor het onderzoeken van epistemologische en existentiële vragen. En dat zijn nogal een paar vragen. Wat is waar? Wat is kennis? Wat is een feit? Wat is herinnering? Wat is het zelf? Wat is de ander? Shields wil het allemaal ontdekken, onze gehele onstabiele, pluriforme, vluchtige ervaring van de wereld.

Daarmee raakt hij aan iets. Het persoonlijke essay, waarin de auteur zichzelf kan opvoeren als proefkonijn, heeft inderdaad veel te bieden in een tijd waarin onze kennis van de psyche, van het menselijk bewustzijn, onder invloed van allerlei ontwikkelingen – neurowetenschap, smartphones… Derek Ogilvie – om herformulering vraagt. En misschien, ja, om nieuwe manieren van vertellen.

Shields is dan ook niet de enige schrijver die speelt met de mogelijkheden van het genre. In hetzelfde jaar als Reality Hunger verschenen bijvoorbeeld het populaire The Possessed van literatuurwetenschapper Elif Batuman, die een jeugd lang droomde van romans schrijven, maar ontdekte dat het essay haar meer vrijheid gaf; Terry Castle’s autobiografie in essays The Professor; en in Nederland een jaar later Kus me, straf me, waarin Marja Pruis naast autobiografie ook stukken kritiek en fictie opnam die in samenhang een portret vormen van haar lezende leven.

Wie zich net als Shields heel expliciet uitspreekt over het potentieel van de essayistiek om te onderzoeken wat ‘het zelf’ dan wel mag zijn vandaag de dag, is romanschrijfster en literatuurprofessor Siri Hustvedt. In haar bundel Living, Thinking, Looking, die vorig jaar verscheen, neemt ze de eerste persoon enkelvoud als ‘filosofisch uitgangspunt’ en ageert daarmee tegen de zogenaamde objectiviteit van veel academische teksten, waarin de ‘ik’ angstvallig wordt weggestopt.

Hustvedt zet zichzelf en haar eigen ervaringen in op het grensgebied dat ze onderzoekt tussen literatuur, neurowetenschap en psychoanalyse. Heel persoonlijk maar ook heel gedegen is het stuk waarin ze vertelt over haar migraine – nog steeds een medisch raadsel – en hoe die haar behalve gruwelijke pijnen ook de meest fascinerende hallucinaties bezorgt. Op een goed moment ziet ze een klein roze mannetje met een os over haar dekens wandelen.

Wat het specifieke syndroom migraine voor Hustvedt interessant maakt, is dat het zo variabel is, zo complex en zo vermengd met externe factoren en de persoonlijkheid van degene die eraan lijdt, dat er zelfs nu met breinscans geen echte duidelijkheid over te verschaffen valt. Het daagt ‘het absurde onderscheid tussen nurture en nature’ uit, en lijkt alleen zinvol te kunnen worden onderzocht wanneer de subjectieve ervaring ervan in overweging wordt genomen.

In de hoofdstukken die volgen raakt Hustvedt aan veel van de onderwerpen die ook Shields bezighouden; ze ontleedt verlangen, deconstrueert onze neiging om onze eigen verhalen op te blazen; bevraagt de relatie tussen psychoanalyse en de roman en buigt zich steeds opnieuw over de kwestie van het geheugen en de status van herinneringen. Net als bij Shields komt Proust daarbij natuurlijk om de hoek kijken en net als Shields benadrukt Hustvedt – zij het met veel meer wetenschappelijke en filosofische onderbouwing – het verband tussen herinnering en creativiteit. Zo voert ze voorbeelden op uit de groeiende berg neurologische onderzoeken die aantonen dat het episodisch geheugen en de verbeelding dezelfde hersenregio’s activeren.

Uit dezelfde constatering trekken de twee schrijvers echter totaal verschillende conclusies. Waar Shields de link tussen herinnering en creativiteit aangrijpt om alles fictie te verklaren, en fictie (in de engere betekenis) daarmee overbodig te bevinden, is het voor Hustvedt juist een pleidooi voor de roman. Ficties zijn in haar optiek ook een soort herinneringen; ze zijn in ons brein niet anders opgeslagen dan andere ervaringen. Het zijn ervaringen.

Wat de twee met elkaar eens lijken te zijn is dat literatuur een bewustzijn moet reflecteren en in het beste geval verruimen. Het essay, met alle ruimte die dat biedt voor experiment en eerlijkheid, dient dat doel beter, volgens Shields. De vraag is echter of hij dat met How Literature Saved My Life wel zo overtuigend aantoont. Shields’ boek is ambitieus, knap en zeker interessant, maar geeft het vorm aan een onontdekt bewustzijn, zoals zijn grote literaire helden dat deden? Want, laten we eerlijk zijn, dat, en niets minder, is zijn inzet: belangrijke vormvernieuwing. Een van de motto’s van Reality Hunger was van Walter Benjamin: ‘All great works of literature either dissolve a genre or invent one.’

Het valt te betwijfelen. Zo ver als Hustvedt haar nek uitsteekt naar onbekende gebieden, zozeer richt Shields zich naar binnen en cirkelt rond in wat hij kent en weet van literatuur en zichzelf. Ook van die gevangenschap is hij zich op zijn beurt weer bewust, maar zijn belangrijkste vraag: ‘Do I have a way out’ wordt niet bevredigend beantwoord. Het is opmerkelijk dat hij zich, om die problematiek aan te kaarten, al in het eerste hoofdstuk wendt tot een jonge fictieschrijver, Ben Lerner, met wie hij zich sterk identificeert. Lerners recente roman Leaving the Atocha Station gaat over de jammerlijk­heden van overmatig zelfbewustzijn en stelt een vraag die Shields hartgrondig kan onderschrijven: ‘Why was he born between mirrors?’

Shields is 23 jaar ouder dan Lerner, maar ‘in exactly the same mess’. Zijn boek maakt dat duidelijk, soms mooi, soms ergerlijk. Maar het idee, het bewustzijn – net als de vorm trouwens – kennen we. Is het niet uit het werk van Lerner, dan wel uit dat van David Foster Wallace. De laatste, zo lezen we in een van de autobiografische snippers, is overigens de favoriete schrijver van Shields’ vrouw.

De tragiek, je krijgt zin om er een roman over te lezen.