Tussen toen en nu

Harry Mulisch’ debuut, de novelle Tussen hamer en aambeeld, werd geschreven in 1947, vlak na de roman Ik, Bubanik, vervolgens doodverklaard in 1967, weer in genade aangenomen in 1975 en in een herziene versie herdrukt in Verzamelde verhalen 1947-1977.

Jan Hein Donner maakte in Mulisch, naar ik veronderstel (1971) als eerste enkele serieuze observaties over het debuut. Zijn synopsis bevat trouwens ook al een interpretatie: ‘Een Russisch soldaat van de bezettingstroepen in Duitsland schiet ’s(nachts, als hij op wacht staat, een Engels Lagerhuislid dood, dat verdwaald was. Het was een ongeluk, maar de westerse pers schreeuwt in hysterische woede om bloed voor deze “schanddaad”. De hoge officieren van het Rode Leger achten zich gedwongen om redenen van staatsbelang, de soldaat op te offeren en te veroordelen, hoewel deze bij het ongeluk geheel binnen het kader van zijn bevelen handelde. Hij wordt tenslotte door beschaamde collega’s gefusilleerd.’
De reden dat Mulisch Tussen hamer en aambeeld in 1967 'zelf heeft geëxecuteerd’, is volgens Donner waarschijnlijk van politieke aard. De categorische schuld die bij Mulisch 'vrijwel bij uitsluiting op het terrein der politiek zichbaar gemaakt’ wordt, beschrijft hij in het debuut 'nog op een zeer kinderlijke manier’. 'Bovendien nog te veel op de anti-sovjetmanier van: “dat kan bij ons toch maar niet” van Koestler en dergelijken’, aldus Donner.
Wat Mulisch’ positie betreft, geeft Arnold Heumakers in zijn nawoord bij de nieuwe herdruk Donner gelijk: hij vergelijkt Mulisch met de Derdeweggers van destijds. Over de herziening zegt Heumakers dat er 'van ingrijpende inhoudelijke veranderingen geen sprake is geweest’. Maar ingrijpende veranderingen zijn er wel degelijk. Hoe Mulisch bij zo'n herziening te werk gaat, heeft hij in 1994 onthuld in de verantwoording bij de roman Ik, Bubanik: 'Het kwam voornamelijk neer op afstoffen, oppoetsen, moffelen, het vervangen van plechtige woorden als “reeds”, “echter”, “desniettegenstaande”, het rechtzetten van stilistische onhandigheden.’
Diezelfde aanpak lijkt hij ook voor Tussen hamer en aambeeld te hebben gehanteerd. Ook hier heeft hij plechtige woorden geschrapt. Hoogstwaarschijnlijk geneert een auteur zich het meest bij het 'rechtzetten van stilistische onhandigheden’. Mulisch schrapte niet alleen tientallen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, maar zelfs zinnen en hele alinea’s.
Het milieu van de sovjet-soldaten wordt realistischer beschreven. Zo maakt het 'moedertje Rusland’ uit de klassieken plaats voor het 'kameraad’ waarmee ze elkaar aanspreken. De 'buitenlandse kranten’ veranderde Mulisch in 'westerse kranten’.
Deze concretiseringen had hij niet echt nodig voor zijn (intensieve) stilering van Tussen hamer en aambeeld. Ze wijzen dan ook op iets anders. In de 25 jaar tussen 1952 en 1977 veranderde Mulisch’ visie op de Sovjet-Unie niet ingrijpend - de koestleriaanse blik op het arbeidersparadijs was achteraf toch niet zo erg onjuist - maar in ieder geval wel die op Amerika en het westerse bondgenootschap.
Daarmee is Tussen hamer en aambeeld een ander boek geworden en merkwaardig genoeg juist het boek dat Jan Hein Donner er in 1971 al in las. Omdat hij van nabij getuige was geweest van Mulisch’ politieke ontwikkeling?