De Nederlandse identiteit

Tussen tolerantie en lompheid

Jaarlijks komen er tienduizenden migranten naar ons land die op een of andere manier moeten worden ingepast. Waarin precies, en hoe? Waarin moeten nieuwkomers eigenlijk integreren? Wie zijn wij? Wie willen wij zijn? Tijd voor een gesprek.

Scherven uit de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam, veelal gevonden in wrakken van de Oost-Indië-vloot © Rijksmuseum Amsterdam

De zoektocht naar de Nederlandse identiteit is uitgegroeid tot welhaast een nationaal tijdverdrijf. ‘Ryanne van Dorst gaat in het nieuwe bnnvara-programma Holland! op zoek naar de Nederlandse identiteit’, kondigde de publieke omroep enkele jaren geleden aan. De presentatrice wilde daarin ‘graag zelf uitvinden hoe het er nu voor staat en zelf die zogenaamde “Nederlandse identiteit” ontdekken’. Wie liever leest, kan terecht bij geleerden als Herman Pleij, die elke paar jaar een nieuw boek publiceert over het thema, met titels als Moet kunnen: Op zoek naar een Nederlandse identiteit. En wie harde cijfers wil, kon recent zijn hart ophalen bij de omvangrijke studie Denkend aan Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp).

Toch is het antwoord nog niet gevonden. Integendeel, hoe beter je zoekt, hoe meer die identiteit aan elke definitie lijkt te ontsnappen. In het collectieve geheugen gegrift staan de woorden van prinses Máxima uit 2007. ‘Zo’n zeven jaar geleden begon mijn zoektocht naar de Nederlandse identiteit’, vertelde ze. In die zeven jaar ontmoette ze talloze Nederlanders, en kreeg ze van alles te zien, te horen en te proeven van het land. ‘Maar “de” Nederlandse identiteit? Nee, die heb ik niet gevonden.’ Máxima’s woorden werden vervolgens geïnterpreteerd alsof zij beweerde dat die Nederlandse identiteit überhaupt niet zou bestaan. Zoals bekend was het land te klein, en de arme prinses werd overladen met kritiek.

Deze episode maakt duidelijk dat de nationale identiteit niet alleen maar een boeiend tijdverdrijf kan zijn, maar ook een potentiële splijtzwam. De meeste politici wagen zich daarom liever niet aan de kwestie. Al dat gepraat over nationale identiteit, dat leidt enkel tot ruzie en gedoe, om nog maar te zwijgen over het gevaar van uitsluiting en nationalisme…

Straks meer hierover. Maar eerst die grote enquête van het scp. Het bureau ging niet over één nacht ijs en vroeg de vijfduizend respondenten van maar liefst 185 kenmerken in hoeverre die volgens hen ‘typisch Nederlands’ zouden zijn. Op basis van de antwoorden stelde het een top-twintig op voor ons land. Bovenaan prijkt de Nederlandse taal als het meest typerend voor Nederland. De plekken twee tot en met vijf worden bezet door achtereenvolgens Koningsdag, Sinterklaas, fietsen en de Elfstedentocht, terwijl ook de tulpen, dijken en molens niet ontbreken, evenals het Dagboek van Anne Frank.

Al met al een zeer herkenbaar beeld. Maar ook wel een beetje triviaal, met een hoog toeristenfolder-gehalte. Zijn dit nou de dingen waar het om gaat? Het onderzoek zelf bevat ook enige relativering, want als de respondenten wordt gevraagd in hoeverre die 185 kenmerken ook reden zijn voor gevoelens van verbondenheid met Nederland wordt het beeld anders. De afdeling ‘tulpen, dijken en molens’ doet dan een stapje terug, om plaats te maken voor abstractere kenmerken zoals vrijheid, wettelijke gelijkheid van man en vrouw, homo en hetero, vrijheid van meningsuiting en democratie. Opvallend, want hoe belangrijk ook, deze kenmerken zijn nu juist niet ‘typisch Nederlands’. Ze gelden net zo goed voor de ons omringende landen. Dus wat zijn we nu eigenlijk opgeschoten?

Dit is dan ook de verkeerde benadering, vinden historici. De Nederlandse identiteit moet je niet zoeken in de kenmerken van de huidige Nederlanders maar in de vaderlandse geschiedenis. Dáárin ligt de identiteit van Nederland en zijn inwoners besloten. In de teksten van deze historici gaat het steevast over de strijd tegen het water, die ons dwong tot overleg en samenwerking, en over de openheid en gewetensvrijheid van de Gouden Eeuw. Zelden ontbreken ook de woorden van Huizinga over het onheroïsche karakter van de Nederlander: ‘De eenheid van het Nederlandse volk is bovenal gelegen in zijn burgerlijk karakter. Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van de notaris tot de dichter en van de baron tot de proletariër. Onze nationale cultuur is burgerlijk in elke zin, die men aan het woord hechten wil.’

Toch leidt ook de historische benadering niet tot eenduidige antwoorden. Het maakt namelijk nogal verschil op welke feiten je het spotlicht zet. Neem die fameuze tolerantie. Waren wij werkelijk zo open en verdraagzaam? Misschien wel in de Gouden Eeuw en de laatste decennia van de twintigste eeuw, maar in de lange tussenliggende periode was Nederland vooral een conservatief en benepen land van rivaliteiten en strikt gescheiden leefwerelden. Wat is nou de ‘echte’ geschiedenis van Nederland?

Lastig is ook de neiging van historici om niet slechts enkele decennia, maar meteen enkele eeuwen terug te kijken, naar een tijd toen – om maar eens wat te noemen – de groep die we tegenwoordig aanduiden als ‘mensen met een niet-westerse migratieachtergrond’ nog vrijwel ontbrak in ons land. Het fundamentele probleem van verankering van de nationale identiteit in het verleden is dat deze daardoor per definitie achterloopt op het heden. Voor wie bang is voor uitsluiting van groepen is dat wel een reden tot zorg.

—————

De worsteling met de nationale identiteit is allesbehalve typisch Nederlands, zo leert een rondgang langs enkele buurlanden. Neem bijvoorbeeld Frankrijk. In 2009 organiseerde de Franse regering een Grand débat sur l’ identité nationale. Drie maanden lang werd er in de media, op internet en in honderden zaaltjes door het hele land hartstochtelijk gediscussieerd over de vraag ‘wat het betekent om Frans te zijn’. Leidde het ook tot een duidelijk antwoord? Nee. Een politicoloog die na afloop alle bijdragen analyseerde, kwam tot de slotsom dat het onmogelijk is een eenduidige definitie te geven van de Franse identiteit. De discussianten noemden verbondenheid met de Franse geschiedenis en cultuur, haar helden, symbolen en tradities, maar ook loyaliteit aan ‘onze waarden’, zoals liberté, égalité en fraternité. Die waarden zijn in veel andere landen echter niet minder belangrijk…

In Duitsland loopt men liefst met een grote boog om het onderwerp heen. Met het trauma van de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen wordt alles wat ook maar enigszins riekt naar nationalisme of een Germaanse volksaard met diepe argwaan bekeken. Daarmee is overigens niet gezegd dat de kwestie niet leeft. ‘Het kenmerkt de Duitsers dat de vraag “wat is Duits?” bij hen nooit uitsterft’, schreef Nietzsche al. Met enige regelmaat borrelt dan ook de discussie over een veronderstelde Duitse Leitkultur weer op.

Enkele jaren geleden bijvoorbeeld deed cdu-politicus De Maizière in de krant Bild een poging die cultuur te beschrijven. Wie dacht dat consensus en tolerantie ‘typisch Nederlandse’ deugden zijn, zal worden teleurgesteld. Volgens De Maizière is de Duitse democratie namelijk gebouwd op het principe van compromis. ‘Misschien zijn we meer dan andere westerse samenlevingen een op consensus gerichte samenleving (…) Respect en tolerantie zijn voor ons belangrijk. We accepteren verschillende vormen van leven en wie dit afwijst, plaatst zichzelf buiten een brede consensus.’ Zo bijzonder zijn wij Nederlanders dus ook weer niet…

Dan de Britten. ‘Van oudsher onderscheiden de Britten zich doordat ze geen duidelijk idee hebben wie ze zijn, waar ze zijn, of wat ze zijn’, aldus een wetenschappelijke publicatie over de Britse identiteit. Ook in dat land is het een geliefd gespreksonderwerp, compleet met mediadebatten en peilingen onder het grote publiek. Maar waar men in populaire publicaties nog wel concreet durft te worden – Groot-Brittannië, dat is fair play, warm bier, cricket en het verzet tegen de nazi’s – houdt men het in officiële stukken liever algemeen. Zo kwam een chique commissie die moest adviseren over inburgering van nieuwkomers met formuleringen als de volgende: ‘Brits zijn betekent naar onze mening het respecteren van de wetten, de gekozen parlementaire en democratische politieke structuren, de traditionele waarden van wederzijdse tolerantie, respect voor gelijke rechten en gezamenlijk belang.’ Prachtige woorden, die Nederland zo kan overnemen.
Kortom, ook onze buren hebben grote moeite om zichzelf goed te definiëren. In elk land is er ook vroeg of laat wel iemand die voorstelt dat E Pluribus Unum (eenheid in verscheidenheid) eigenlijk een fraai motto zou zijn voor het land. Natuurlijk kent elk land wel zijn eigen taal, tradities en gewoonten, maar als wordt doorgevraagd naar wat men écht belangrijk vindt, komt men – net als hier – uit bij algemene rechtsstatelijke en democratische principes die het nationale juist overstijgen, en veeleer universele westerse waarden zijn.

—————
Er zijn landgenoten die niet bij vrieskou meteen de schaats-kriebels krijgen en die gespeend zijn van elke handelsgeest

Verwarring alom dus. Hoe moet het nu verder met die ‘Nederlandse identiteit’? Laten we eens een stap terug zetten, en de vraag stellen welke problemen die identiteit eigenlijk wordt geacht op te lossen. Dan blijkt het toch vooral te gaan om kwesties die samenhangen met de toenemende diversiteit van de samenleving. Die toenemende diversiteit agendeert twee kernvragen: wat is het nu eigenlijk dat de burgers van ons land met elkaar verbindt? En wat is het nu eigenlijk waarin nieuwkomers moeten integreren?

Het grote probleem is nu dat er automatisch vanuit wordt gegaan dat het antwoord op deze vragen schuilt in de Nederlandse identiteit: het is die identiteit die de boel bijeenhoudt, en het is die identiteit waarin mensen moeten integreren. Maar welbeschouwd is die gedachte onjuist. Hiermee wordt ‘de Nederlandse identiteit’ opgezadeld met twee klussen waarvoor ze helemaal niet is bedoeld, en die ze ook niet aankan.

Hoe dat zo? Laten we beginnen met de kwestie die door Máxima onbedoeld op de agenda werd gezet: bestaat er überhaupt wel zoiets als een nationale identiteit? Veel wetenschappers denken van niet. Ze beschouwen het idee van nationale identiteit als een gevaarlijke mythe, die in de geschiedenis tot de vreselijkste rampen heeft geleid, en waarbij je maar beter uit de buurt kunt blijven. De meeste burgers daarentegen zien dat heel anders. Het scp vond dat meer dan tachtig procent van de Nederlanders meent dat er wel degelijk een Nederlandse identiteit bestaat. Wie heeft er nu gelijk?

Het ligt eraan hoe je het begrip definieert. De Nederlandse identiteit bestaat niet als je die beschouwt als een unieke set van eigenschappen die je bij elke Nederlander zult aantreffen, en waarin Nederlanders ook wezenlijk verschillen van Belgen, Polen, Italianen of welk ander volk dan ook. Er zijn immers altijd Nederlanders die niet passen in het stereotiepe beeld – landgenoten die, ook al liggen hun wortels tot vele generaties terug in Nederland, geen behoefte voelen om sinterklaas te vieren, die niet bij vrieskou meteen de schaatskriebels krijgen, en die gespeend zijn van elke preekzucht of handelsgeest. Ons land telt meer dan zeventien miljoen zielen, en geen van hen is hetzelfde.

De Nederlandse identiteit bestaat daarentegen wel als je die definieert als een set van kenmerken die ons land als geheel beschrijft – de dingen die je zou opsommen als je ons land moet beschrijven aan een buitenlander.

En daarmee komen we op een hardnekkig misverstand. Om de een of andere reden is het idee erin geslopen dat de identiteit van Nederland gelijk is aan het eigene van ons land, aan datgene waarin wij anders zijn dan andere landen, of zelfs uniek in de wereld. Dat is een merkwaardig idee. Vergelijk het met persoonlijke identiteit. Onderdeel van mijn persoonlijke identiteit is dat ik een witte man ben, woonachtig in Utrecht, werkzaam bij de overheid, en liefhebber van die-en-die muziek. Al deze dingen zijn allerminst uniek voor mijn persoon, maar ze horen wel degelijk bij wie ik ben.

Waarom zou dat voor nationale identiteit anders liggen? De Nederlandse identiteit is eenvoudigweg de set van kenmerken die ons land beschrijft. Sommige daarvan zijn sterk onderscheidend, zoals de polders, de Nederlandse taal en de talloze fietsen, andere tref je in vele landen aan, zoals de representatieve democratie, de vrijheid van meningsuiting en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Die kenmerken zijn allesbehalve uniek voor Nederland. Het zou echter onzinnig zijn om te zeggen dat ze geen onderdeel zijn van de Nederlandse identiteit omdat deze zaken ook van belang worden gevonden in België, Duitsland en Denemarken. Veel intellectuele ellende komt voort uit de misvatting dat we iets moeten zien te vinden dat uniek is voor Nederland en zijn inwoners.

—————

Dan de eerste kernvraag: wat is het dat de burgers van ons land met elkaar verbindt? Als we afscheid nemen van de misvatting dat nationale identiteit zou bestaan uit datgene waarin Nederland anders is dan andere landen kan het antwoord niet in die identiteit liggen. Maar wat is dan de lijm die de boel bijeenhoudt?

Het antwoord is zo elementair dat je er gemakkelijk overheen kunt kijken. Er blijkt namelijk één ding te zijn dat uniek is voor alle Nederlandse staatsburgers, en dat hen bovendien onderscheidt van alle andere mensen op de wereld: het gedeelde (juridische) eigenaarschap van het stukje van de planeet dat ligt ingeklemd tussen de Noordzee, België en Duitsland. Wij delen een bepaald leefgebied en zijn daardoor lotsverbonden. Dit is ons hoekje van de wereld, en of we dat nu leuk vinden of niet, hierop moeten we het samen zien te redden.

Het is híer waar de basis ligt voor verbinding. De psychologie leert namelijk dat als het lukt om door samenwerking de collectieve opgaven die voortvloeien uit deze ruimtelijke verbondenheid tot een goed einde te brengen dit ook kan resulteren in gevoelens van verbondenheid. (Dit is de zogenaamde contacthypothese van Allport, die in honderden onderzoeken is bevestigd.)

Bovendien kan dat leefgebied ook zelf een anker van verbondenheid zijn. Mensen hechten zich aan hun favoriete plaatsen, identificeren zich daarmee, en weten zich via die plaatsen weer verbonden met anderen voor wie hetzelfde geldt. Sommige plaatsen hebben daarnaast ook een speciale betekenis. De Amsterdamse grachten, de Deltawerken en de Waalsdorpervlakte zijn de zichtbare dragers van een verhaal over wie we zijn, van onze geschiedenis en hoe we met elkaar zijn verbonden.

Voor sommigen klinkt deze vorm van verankering misschien al te aards. De laatste jaren wordt nogal eens David Goodheart aangehaald, volgens wie er een nieuwe maatschappelijke tweedeling is ontstaan tussen somewheres en anywheres, tussen mensen die nog geworteld zijn in een bepaald leefgebied waarmee zij zich identificeren, en kosmopolieten die de hele wereld als hun thuis beschouwen (en voor wie al dat gepraat over ‘nationale identiteiten’ hopeloos provinciaals en achterhaald is). Maar helaas voor Goodheart, dit stemt niet overeen met de feiten – in ieder geval niet voor ons land.

Ten eerste is het aantal Nederlanders dat werkelijk mondiaal leeft en werkt klein. Bijna 95 procent van de Nederlandse staatsburgers woont gewoon binnen de landsgrenzen, op gemiddeld nog geen dertig kilometer van de geboorteplaats van zijn of haar grootouders. Ten tweede is er geen bewijs dat die veronderstelde anywheres zich niet zouden hechten aan de leefomgeving. Wat er aan onderzoek is, laat zien dat de meeste ‘wereldburgers’ zich wel degelijk verbonden voelen met plaatsen. Sterker nog, soms lijken zij juist méér betrokken bij hun woonomgeving.

Verwachten we ook van nieuwkomers dat zij zich de ‘typisch Nederlandse’ botheid en lompheid eigen maken?

Er is nog een tweede ding dat alle Nederlanders met elkaar delen: de gezamenlijke toekomst in dat leefgebied, inclusief de collectieve opgaven die daarbij horen, zoals het behoud van welvaart en vrijheid en de uitdaging van klimaatverandering. Zoals gezegd kent het nationale verleden zijn beperkingen als bindmiddel, omdat niet iedereen daarvan deel uitmaakt. Maar zoals Ruud Lubbers ooit zei: ‘Als er geen gemeenschappelijk verleden is, kijk dan naar een gemeenschappelijke toekomst, en zoek daar de verbindingskracht.’ Voor alle duidelijkheid: daarmee is niet gezegd dat we het verleden gerust kunnen vergeten, maar wel dat we ons er niet op moeten blindstaren, zoals sommigen wel eens geneigd lijken te doen. Een exclusieve focus op het verleden kan migranten en hun kinderen belemmeren in hun binding met een samenleving die kennelijk zo gefixeerd is op dat verleden. Hou dus één oog gericht op de nationale herkomst, maar richt het andere nadrukkelijk op de gedeelde toekomst.

Uiteindelijk is het niet een bepaalde ‘typisch Nederlandse’ volksaard of cultuur die het land bijeenhoudt, maar de reële lotsverbondenheid die logisch voortvloeit uit het gedeelde leefgebied en de gedeelde toekomst. Tezamen vormen wij ‘project Nederland’: een langlopende onderneming om met een groot aantal mensen in vrijheid samen te leven op een kleine en kwetsbare delta gelegen aan de Noordzee, en deze delta ook weer in goede staat door te geven aan volgende generaties. Uiteindelijk ligt de basis voor verbondenheid in de collectieve inspanning om dit project tot een succes te maken.

—————

Dan de tweede vraag: wat is het waarin nieuwkomers moeten integreren? Op deze vraag zal het antwoord dan toch zeker wel ‘de Nederlandse identiteit’ zijn? Nieuwkomers moeten toch zeker weten wat onze manieren en gewoonten zijn? Nou eh… nee. Opnieuw is de Nederlandse identiteit niet de eerst aangewezen zoekplaats. Want stel dat op een dag gezaghebbend en definitief wordt vastgesteld dat – ja, inderdaad! – de Nederlandse volksaard wordt gekenmerkt door enerzijds tolerantie en verdraagzaamheid, maar anderzijds ook door botheid en lompheid. De knapste koppen hebben er uitputtend onderzoek naar gedaan, en dit is wat eruit komt. Dan doemt onmiddellijk de vervolgvraag op: wat vinden we daarvan? Zijn dit ook eigenschappen waar we blij mee zijn? Waaraan iedereen zich moet conformeren?

Misschien wel als het gaat om tolerantie en verdraagzaamheid. Maar verwachten we ook van nieuwkomers dat zij zich de ‘typisch Nederlandse’ botheid en lompheid eigen maken? Als mensen zeggen dat migranten zich moeten aanpassen aan de Nederlandse manieren zullen ze toch vooral de goede manieren bedoelen, en niet de slechte. En die laatste zijn er natuurlijk wel degelijk. Zo zijn Nederlanders ook beschreven als: gelijkhebberig, stijf en koppig, krenterig en gierig, bekrompen en preuts, geneigd tot middelmatigheid, weinig ambitieus, niet romantisch, en gespeend van elke verbeelding. Zijn dit aspecten van de Nederlandse identiteit waar we trots op zijn? Waarvan we hopen dat nieuwkomers – kinderen en migranten – ze overnemen, en ook weer doorgeven aan volgende generaties?

Kortom, we moeten ons niet richten op de feitelijke maar op de gewenste identiteit. De cruciale vraag is niet: ‘Wie zijn wij?’ maar: ‘Wie willen wij zijn?’

Een van de grote voordelen van de focus op gewenste in plaats van feitelijke identiteit is dat daarmee – in ieder geval in theorie – het gevaar van uitsluiting wordt vermeden. Er wordt immers een bepaald aspiratieniveau geformuleerd dat in principe voor iedereen bereikbaar is. Iedereen kan proberen om zich een zekere tolerantie en wellevendheid eigen te maken, neigingen tot lompheid te onderdrukken, en niet langer mee te doen aan de cultuur van middelmatigheid. Natuurlijk zal dat niet altijd makkelijk zijn, de een zal er harder aan moeten trekken dan de ander, maar onmogelijk is het niet. Zolang de gewenste Nederlandse identiteit niet wordt geformuleerd in onveranderlijke kenmerken als huidskleur of geboortegrond is niemand bij voorbaat uitgesloten.

Wat is dan de gewenste identiteit? Dat is niet aan de wetenschap om te bepalen, maar een vraag voor de samenleving als geheel. Die moet daarover het gesprek aangaan. Maar laat ik – in mijn hoedanigheid van burger – eens een voorzet geven in de vorm van vier mogelijke elementen van die gewenste identiteit.

Ten eerste: Nederlanders beheersen de Nederlandse taal voldoende. In de privé-sfeer mag iedereen de taal bezigen die hij of zij wil, maar in de publieke ruimte is Nederlands de voertaal.

Ten tweede: Nederlanders zorgen voor hun leefomgeving. Daarbij gaat het niet alleen om het eigen stoepje of de eigen straat, maar ook om de fysieke leefomgeving in bredere zin.

Ten derde: Nederlanders houden rekening met elkaar. In ons land moeten veel mensen, die allen gehecht zijn aan hun vrijheid, samenleven op een kleine oppervlakte. Dat lukt alleen als zij bereid zijn tot enig geven en nemen.

En ten slotte: Nederlanders leveren een bijdrage aan de samenleving, bijvoorbeeld in de vorm van betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg, of het goed opvoeden van weer nieuwe generaties Nederlanders.

Toegegeven, deze vier elementen voor gewenste identiteit zijn nog vrij algemeen en laten veel ruimte voor interpretatie. Ze zullen dus geen einde maken aan het debat. Maar dat is ook niet de bedoeling. Juist doordat niet alles wordt dichtgetimmerd, blijft er voldoende ruimte om rekening te houden met veranderende omstandigheden en lokale verschillen. Dit garandeert dat het debat altijd levend blijft, en dat steeds weer de cruciale vraag wordt opgeworpen: wat mogen we van elkaar verwachten?

Overigens, van belang is niet alleen welke elementen wel tot de gewenste nationale identiteit behoren, maar ook welke niet daartoe behoren. Zo heb ik bewust geen tradities als Sinterklaas of Koningsdag genoemd, en evenmin het vieren van bepaalde (religieuze) feestdagen. Dat zijn weliswaar tradities waaraan veel Nederlanders hechten – en rekening houden met elkaar betekent ook respect voor elkaars tradities – maar ze ontbreken als element van de gewenste identiteit, omdat het vreemd zou zijn ze aan iedereen voor te schrijven.

Ook heb ik bewust niet emotionele verbondenheid met de vaderlandse geschiedenis c.q. collectieve herinnering genoemd. Uiteraard moet iedereen wel voldoende kennis hebben van de Nederlandse historie, maar het is geen noodzakelijke vereiste dat men zich ook daarmee emotioneel identificeert. Waar het voor succesvol samenleven om gaat, is dat mensen voldoende de Nederlandse taal beheersen, zorgen voor hun leefomgeving, rekening houden met elkaar, en een bijdrage leveren aan de samenleving. Emotionele identificatie met de Nederlandse geschiedenis is daarvoor noodzakelijke noch voldoende voorwaarde. Gevoelens van trots op de Nederlandse natie zijn geen essentiële vereiste.

Eigenlijk is het idee van de ‘Nederlandse identiteit’ een onding. Niet omdat die identiteit niet zou bestaan, maar omdat je er niet zo veel mee kunt. Onder invloed van de aanhoudende toestroom van migranten is het begrip uit de mottenballen gehaald, maar het heeft ons voornamelijk van de wal in de sloot geholpen. Discussies erover ontaarden al snel in ruzie en gedoe, zonder enig antwoord te geven op samenleefopgaven waarvoor we staan. Erger nog, ze zetten ons alleen maar op een dwaalspoor. Uiteindelijk ligt de kern van wat ons samenbindt niet in een bepaalde volksaard of cultureel erfgoed, maar in de lotsverbondenheid van gedeeld leefgebied en gedeelde toekomst, en de opdracht er samen het beste van te maken. En uiteindelijk volgt de set van normen die we daarbij willen volgen niet uit een descriptie van wie wij – ‘de Nederlanders’ – feitelijk zouden zijn, maar uit het debat over wie wij willen zijn. Laten we vooral dáárop onze aandacht en energie richten.


Will Tiemeijer is onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Dit essay is gebaseerd op zijn boek Project Nederland: Van feitelijke naar gewenste nationale identiteit, dat gratis gedownload kan worden vanaf wrr.nl