Tussen toren en barricade

Julien Benda, La trahison des clercs, € 13,70

De intellectueel Julien Benda, schrijver van Le trahison des clercs, streed de oude strijd tegen cynisme, sofisme en andere vormen van verheerlijking van daad en resultaat.

Halverwege de dertigjarige oorlog die Europa tussen 1914 en 1945 teisterde publiceerde een al wat oudere Franse literator een boekje dat tot op de dag van vandaag in kleine kring voor Geheimtip doorgaat. Dat boekje is getiteld Le trahison des clercs, de auteur heette Julien Benda. Hij was geboren in de jaren zestig van de negentiende eeuw en zowel letterlijk als figuurlijk ‘groot’ geworden ten tijde van de Dreyfus-affaire. Benda was dertig toen deze uitbrak, redelijk vermogend, joods hoewel niet belijdend en vooral druk met lezen, reizen en sociaal verkeer, eerder iemand die buiten dan midden in de actualiteit stond dus. Maar de affaire liet hem niet onverschillig zoals zij niemand onverschillig liet. Je moest partij kiezen. Zo deed ook Benda, vóór Dreyfus natuurlijk.
Met deze keuze koos hij onwillekeurig echter ook partij voor de groep waarmee zijn naam tot op de dag van vandaag verbonden is: intellectuelen. Het begrip werd ten tijde van de Dreyfus-affaire voor het eerst op grote schaal gebruikt, in pejoratieve zin welteverstaan: voor mensen als Emile Zola en Anatole France die van het leven geen kaas hadden gegeten, wegdroomden in hun ivoren toren en daarom de ene na de andere onbenulligheid de wereld in slingerden. Een van die onbenulligheden zou de verdediging van een 'notoire verrader’ als Dreyfus zijn.
In zekere zin hadden 'intellectuelen’ het scheldwoord over zichzelf afgeroepen, namelijk door op de dag nadat Zola zijn beroemde J'accuse had gepubliceerd onder de titel Manifeste des intellectuels een oproep te plaatsen waarin eveneens op herziening van het proces werd aangedrongen. Deze oproep was onder anderen ondertekend door de op dat moment onbekende Julien Benda en zou tot gevolg hebben dat deze zich vanaf dat moment indringend met genoemde 'beroepsgroep’ bezighield. Aanvankelijk was die bezigheid vooral theoretisch. Benda behoorde immers zelf niet tot de groep. Daarvoor was hij te rijk. Dat veranderde nadat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog het familiebedrijf failliet was gegaan en de vraag naar de eigen taak veranderde van tijdverdrijf in noodzaak. Dit te meer omdat de oorlog zo goed als alle intellectuelen mobiliseerde, letterlijk maar vooral figuurlijk.
Veelal schaarden zij zich achter de natie en maakten gemene zaak met de politiek. Zo sprak Thomas Mann in Duitsland over de ideeën van 1914 (die anders zouden zijn dan de Franse 'van 1789’ en de moeite van een gewelddadige confrontatie waard), dichtte Charles Péguy in Frankrijk over het geluk van degenen die stierven voor een rechtvaardige zaak ('Heureux ceux qui sont morts’) en schaarden ook Engelsen als Robert Graves zich enthousiast achter de vechtersbazen van hun land. Van intellectuele onafhankelijkheid was, in de eerste jaren van de oorlog althans, zelden sprake.
Dat veranderde toen de zinloosheid van de strijd duidelijk werd en bleek dat iedereen erbij te verliezen had. De meest beroemde vertaling hiervan staat in de proloog van de in 1918 uitgegeven dichtbundel van de kort tevoren op het slagveld gesneuvelde en gedesillusioneerde Engelse dichter Wilfred Owen: 'This book is not concerned with Poetry. The subject of it is War, and the pity of War. The Poetry is in the pity.’
Maar al realiseerden intellectuelen zich in de loop van de Eerste Wereldoorlog dat ze bij politiek meer te verliezen dan te winnen hadden, te midden van de naoorlogse chaos leek afzijdigheid opnieuw zo goed als onmogelijk. Heel de wereld stond op z'n kop. Overal klonken nieuwe ideeën. Oudere ideeën van revolutionaire strekking bleken opeens populair. Keizerrijken bezweken, democratische denkbeelden wonnen terrein, radicale varianten van links en rechts drongen op. In zoveel woeligheid konden en mochten intellectuelen zich niet terugtrekken - vond men. En zo gebeurde dan ook niet.
Precies dit was Benda een doorn in het oog en vormt de achtergrond van het boek waarmee zijn naam tot op de dag van vandaag geassocieerd wordt. In dit boek spreekt hij met betrekking tot intellectuelen bewust van 'klerken’, een begrip dat in het Frans, anders dan in het Nederlands, eerder staat voor monniken ('klerikalen’) dan voor pennenlikkers. Zij zouden volgens Benda een principieel andere taak hebben dan politici. In dat verband verwijst hij, zijn status van intellectueel waardig, nadrukkelijk naar het debat tussen Callicles en Socrates in Plato’s Gorgias. Eerstgenoemde verdedigde de sindsdien klassieke stelling dat het sterkste tevens het beste is en dat moraal bepaald wordt door politiek. Wat heb je aan een waarheid die onbruikbaar is, wat aan een moraal die geen vuist kan maken? Het waren denkbeelden die in het Europa van na Nietzsche opnieuw furore maakten en in het tijdperk van fascisme zelfs enthousiast in beleid werden vertaald.
Dit laatste zat Benda niet het meest dwars, maar het feit dat zijn mede-intellectuelen met dergelijke gedachten instemden. Dat noemde hij verraad. In zijn ogen behoorden zij immers tot het gilde waartoe - de opsomming is van hem - ook Plato en Kant, Hobbes en Voltaire, Newton, Zola, Shakespeare, Leonardo e tutti quanti behoorden: 'Klerken, waarmee ik al diegenen bedoel die geen praktische doeleinden nastreven en genoegdoening vinden in kunst, wetenschap of metafysica, kortom al degenen die in het bezit zijn van niet-materiële zaken en dus in zekere zin beweren dat hun “koninkrijk” niet van deze aarde is.’
Het is eenvoudig te begrijpen dat Benda om deze opvatting alom belachelijk werd gemaakt. Europa stond in 1927 opnieuw aan de vooravond van een moment waarop het welhaast onmogelijk was afzijdig te blijven. Kijk maar eens, een voorbeeld uit talloze, naar de briefwisseling tussen Menno ter Braak en Eddy du Perron, geen van beiden uitgesproken politieke dieren: hoe de politiek langzaam maar zeker in het gesprek schoof, om op den duur zelfs de kern ervan uit te maken en beiden te verplichten partij te kiezen. Wat ze vervolgens ook deden, net als iedereen, zelfs Benda. Halverwege de jaren dertig belandde hij in het kamp van de ontelbaren die koketteerden met het communisme of andere vormen van linkse politiek, de zogenoemde fellow-travellers. Het maakte zijn tien jaar eerder beleden standpunt zo mogelijk nog belachelijker dan het al was: welhaast fossiel. Want aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd bevestigd wat eerst tijdens de Dreyfus-affaire en vervolgens in 1914 al duidelijk was geworden: dat 'de klerk’ zijn tijd had gehad; hij was voorgoed uit zijn ivoren toren gekomen; het boekje dat Julien Benda in 1927 gepubliceerd had, zou niet meer dan een stuiptrekking zijn geweest.
Iets dergelijks werd op de puinhopen van het oude Europa met de meeste verve verkondigd door Jean-Paul Sartre in het openingsnummer van Les temps modernes uit oktober 1945: dat een intellectueel zelfs op het moment van grootste teruggetrokkenheid betrokken was, 'en situation dans son époque’ zoals hij schreef, geëngageerd zoals wij sindsdien zeggen. Het verbaast dan ook dat Benda zijn Trahison des clercs kort daarop, in 1946, opnieuw uitgaf. In een uitvoerige nieuwe inleiding beklemtoonde hij zijn these zo mogelijk nog krachtiger. Was hij seniel geworden?
In 1987 publiceerde Alain Finkielkraut, jong vertegenwoordiger van een nieuwe generatie Franse intellectuelen, La défaite de la pensée, bij ons vertaald als De ondergang van het denken. Hierin werd een positie betrokken die niet alleen sterk aan die van Benda deed denken maar zich ook nadrukkelijk op hem beriep, zij het dat de klemtoon elders en eerder werd gelegd, namelijk bij de romantische reactie op de Verlichting en de stelling van een man als Johann Gottfried Herder dat elke suggestie van een universele waarheid absurd was. Er zouden talloze waarheden zijn zoals er ook talloze culturen, groepen en tijden waren. Hiermee werd de centrale notie van de Verlichting en, wie weet, het klassieke doel van elke intellectuele bezigheid (dat je door goed nadenken en zorgvuldig redeneren op harde grond kunt stoten die je vervolgens 'waarheid’ kunt noemen) naar de prullenbak verwezen. Hetzelfde hadden intellectuelen in het tijdperk van twee wereldoorlogen en onder indruk van nationalisme, fascisme, communisme en andere ismen gedaan. Benda had dat ronduit verraad genoemd. Finkielkraut herhaalde de beschuldiging, zij het op een moment dat de situatie welhaast omgekeerd was: intellectuelen namen eind jaren tachtig immers veelal geen standpunt in, juist niet. Dat was volgens Finkielkraut echter geen verbetering, integendeel. Het was de totale ontsporing.
Want moderne intellectuelen zouden de particuliere groepswaarheden uit het tijdperk van Benda vervangen hebben door de zo mogelijk nog eigenzinniger waarheden van het individu en het moment. Hiermee was de samenleving verworden tot een onoverzichtelijk va-et-vient van mythes, ficties, ideologieën, discoursen en wat er al niet meer aan tijdelijkheden te bedenken was. Ze zouden allemaal om het even zijn en tot gevolg hebben dat elke poging tot begrip absurd en elke waarheidspretentie niets meer dan blaaskakerij was. De waarheid van vandaag was immers de leugen van morgen - en andersom. Postmodernisme kortom, aldus Finkielkraut, was de nieuwste vorm van intellectueel verraad en tevens het einde van alle denken.
Ruim twintig jaar na Finkielkraut, 65 jaar na Sartre en bijna 85 jaar na Benda is het eenvoudig te zien hoe het standpunt van elk van de genoemden past in zijn tijd maar (saai maar waar) overdreven is als je het op zich bekijkt. Zoals alleen al bewezen wordt door het feit dat Benda minstens tweemaal nadrukkelijk partij koos - tijdens de Dreyfus-affaire en in de jaren dertig - bepleitte hij geen ivoren toren. Hij bepleitte afstand en streed de oude strijd die sinds Plato zo goed als alle intellectuelen gestreden hadden: tegen cynisme, sofisme en andere vormen van verheerlijking van daad en resultaat.
Voor Sartre geldt in omgekeerde zin hetzelfde. Zijn pleidooi voor engagement was in zekere zin een afscheid van de persoon die hijzelf gedurende lange tijd was geweest en in La nausée, dat belangrijke boekje uit 1938, uitvoerig had beschreven: van iemand die zich verloren had in de l'art pour l'art van het denken en daardoor elk contact met de werkelijkheid was kwijtgeraakt. Maar Sartre pleitte natuurlijk allerminst tegen het denken. Hoe zou het kunnen? Hij had en kon niets anders.
Tot slot Finkielkraut. Hij heeft evident gelijk met zijn verzet tegen een postmodernisme dat alle standpunten als tijdelijke speeltjes ziet - waarbij je je overigens kunt afvragen of zo'n postmodernisme buiten de hoofden van zijn critici ooit werkelijk bestaan heeft. Tegelijkertijd is het even onmiskenbaar dat binnen een democratie verschillende posities bestaan, om wille van het systeem zelfs moeten bestaan en dat er dus niet zoiets als één waarheid kan of mag zijn. Zo bezien is een gematigde vorm van 'postmodernisme’ weinig anders dan een gezonde vorm van liberalisme of relativisme en dus een voorwaarde van moderne politiek. Anders gezegd: zoals elk radicaal waarheidsstreven in laatste instantie een pleidooi voor dictatuur is, zo leidt elk radicaal waarheidscynisme tot het einde van het denken. Houdbare posities daarentegen bewegen zich tussen deze polen en neigen, al naar gelang de tijd, meer naar de ene of de andere kant.
Zo bezien is het pleidooi van Benda in laatste instantie een onvergetelijke en noodzakelijke herinnering aan een tijdperk dat intellectuelen naar één kant zijn doorgeslagen - met alle vreselijke gevolgen van dien.

Le trahison des clercs, een digitale editie met aanvullingen, in het Frans, is hier te vinden, voor een goede inleiding bij een Engelse vertaling