Het (samen)leven is goed in de Vinexwijk

Tussen tuinhek en schutting

Rousseau had ongelijk. Het moderne voortuinhekje is helemaal geen teken van kleingeestige bezitterigheid. Het hekje zegt niet: ‘Hier heb jij niets te zoeken.’ Het zegt juist: ‘Komt u gerust verder.’ En de schutting in de achtertuin wijst op een goed, ‘stads’ soort nabuurschap.

in de laatste mooie dagen van de afgelopen zomer heb ik ons tuinhekje in de voortuin maar weer eens een flinke onderhoudsbeurt gegeven en het geborsteld, geschuurd en geschilderd. En toen ik toch bezig was, heb ik in de achtertuin de schutting en het schuurtje ook in de beits gezet. Het plaatsen van die schutting was zo’n beetje het eerste dat we tien jaar geleden deden, nadat we de pas opgeleverde woning hadden betrokken. Dat schijnt in iedere Vinexwijk zo te zijn gegaan en de schutting werd dan ook al snel hét symbool voor de Vinexwijk, voor alles wat daar mis zou zijn. ‘Henk en Ingrid’ gelden als prototype van de boze en bange burger die zich achter hoge houten muren verschuilt en niets met anderen te maken wil hebben.

Dit is een verkeerde visie op de schutting en op de Vinexwijken, op buitenwijken in het algemeen. Maar om te beginnen is niet de schutting, maar het tuinhekje in de voortuin hét symbool van de buitenwijk, zo heb ik, na wat tegenstribbelen, ondervonden.

Ongeveer een jaar na de oplevering van de huizen in onze straat, toen iedereen wel zo’n beetje ‘gesetteld’ was, besloten zowel de beide naaste buren als de overburen dat het tijd was voor een tuinhekje om de voortuintjes. Wij wilden natuurlijk geen spelbreker zijn en deden mee, zodat de voortuintjes een mooi, aaneen­gesloten geheel zouden vormen.

Ik had eerlijk gezegd wel wat reserves. Ik voelde me wat ongemakkelijk bij alleen al het idee een hek om mijn stukje grond te plaatsen. Was dat niet wat al te bekrompen en bezitterig? Had Jean-Jacques Rousseau ons, kleinburgerlijke grondbezitters, niet al lang geleden verweten dat we met het plaatsen van een hek een zonde begaan tegen de natuur? Volgens Rousseau is het plaatsen van een hek om een stuk grond zo ongeveer de oerzonde van de mensheid: je denkt een stukje paradijs voor jezelf af te kunnen zonderen, maar wrang genoeg plaats je jezelf zodoende buiten het paradijs.

De mens is volgens Rousseau niet uit het paradijs verdreven, dat hoefde niet eens: het was zijn eigen hebzucht waardoor hij zichzelf verbande. In zijn Vertoog over de ongelijkheid schrijft Rousseau: ‘De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste ene stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen “Dit is van mij”, en onnozelaars trof die hem geloofden. Hoeveel misdaden, oorlogen, moordpartij, ellende en verschrikkingen zouden het mensengeslacht niet bespaard zijn gebleven, als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had dichtgegooid en zijn medemensen had toegeroepen “Luister niet naar deze bedrieger; jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten van de aarde van iedereen zijn en dat de aarde van niemand is.”’

Dat laatste onderschrijf ik overigens van harte: de aarde is inderdaad van niemand, dat wil zeggen van niemand in het bijzonder en in algemeen dus van iedereen. En alleen al het feit dat het tuinhekje een gemeenschappelijke onderneming was, duidt er toch op dat het niet zo eenvoudig is als Rousseau voorstelt. Overigens trof ik, op zoek naar het juiste citaat van Rousseau over dat hek, op het internet een Franse firma genaamd Rousseau, die gespecia­liseerd is in houten hekken en erfafscheiding, maar dan wel hekken met een ruige, ‘natuurlijke’ uitstraling en bovendien van ‘duurzaam’ gewonnen hout.

Als ik me niet vergis is het Rousseau zelf die te veel waarde hecht aan bezit, aan het begrip ‘eigendom’. Hij gunt dat begrip een weliswaar negatieve, maar toch wel centrale rol in zijn maatschappijvisie. Heel algemeen, en misschien wat abstract, zou ik zeggen dat het in een maatschappij niet om bezit moet draaien, maar om beheer. Niet in die zin dat het gaat om de baas (‘heer’) zijn, maar eerder om onderhouden en verzorgen.

de tuinhekjes bij mij en bij mij in de buurt bleken helemaal niet, zoals Rousseau meent, bedoeld om af te scheiden, af te schermen of buiten te sluiten. De tuinhekjes zijn in zekere zin juist bedoeld om te ontsluiten, althans voor het oog, de blik van de voorbijgangers. Het tuinhekje is een blikvanger die de ogen van de voorbijganger dóór de tuin, naar het huis leidt. Het hekje maakt van de tuin een etalage, het is een omlijsting.

In zijn boek Hekken in Nederland, een verrassend interessante studie over een ogenschijnlijk saai onderwerp, beschrijft Peter Meijer de geschiedenis van het tuinhek. Aan het einde van de Middeleeuwen waren de kastelen en burchten met hun dikke, beschermende muren, grachten en poorten, door de ontwikkelingen in de oorlogvoering (buskruit) achterhaald. Het hele idee van een van de wereld afgeschermd tehuis was eigenlijk achterhaald. Tijdens de Renaissance kwam het klassieke landhuis weer op en omsloot men dat met muren en poorten die een meer symbolisch karakter hadden. Ze waren ook niet meer bedoeld om het landhuis af te schermen, maar juist om het aan de blik van buitenstaanders bloot te stellen. Het ‘luchtige’, ‘open’ en luxueuze smeedijzeren hekwerk, dat men kende als ‘koorhek’ in de kerken, voldeed aan deze nieuwe eisen. In Nederland maakte dat type hek in de achttiende eeuw, met de opkomst van de zogenaamde ‘buitens’ van rijke Amsterdamse kooplieden, een enorme bloeiperiode door. Wie het kon betalen, bouwde buiten de stad een ‘buiten’, een buitenhuis met een representatieve tuin. En een toegangshek.

Eind negentiende eeuw was het gedaan met de ‘landhuisbouw’ en dus met het monumentale toegangshek. Parken en plantsoenen kregen nog wel dergelijke, decoratieve hekken, maar ook dat werd minder toen met het modernisme van de twintigste eeuw het ornament in de ban ging.

Maar als ik mij niet vergis is het tuinhekje in de buitenwijken in opkomst, misschien mag je wel van een bloeiperiode spreken. Van ‘monumentale’ hekken is dan natuurlijk geen sprake meer. Het ‘buiten wonen’ is zo gewoon geworden dat iedere vorm van monumentaliteit ongepast zou zijn. Maar het tuinhekje vervult nog steeds dezelfde functie. Tegenwoordig hoef je trouwens niet eens meer zo rijk te zijn om buiten de stad te wonen, integendeel, het is nu weer chic om in de stad te wonen. De buitenwijken zijn een soort ‘volkse’, massale landgoederen geworden. Maar dan in het klein: een rijtjeshuis met een voortuintje met een tuinhekje.

In formaat werden de hekken dan wel veel kleiner, in aantal namen ze sterk toe. Wij zijn bepaald niet de enigen met zo’n hekje. Onderweg naar de school van mijn kinderen telde ik onlangs de hekjes die ik tegenkwam. Het is maar een klein stukje, zo’n vijfhonderd meter, maar ik telde een kleine honderd huizen met voortuintjes en zo’n twintig daarvan hadden een hekje. Bij twee twijfelde ik of ze als hekje mochten meetellen, dat waren eerder heel lage schuttingen. Echte hekjes zijn wat mij betreft wel laag, tot ongeveer kniehoogte, maar hebben een heel ‘open’, ‘luchtige’ structuur: het zijn twee horizontale dunne dragers met veel dunne spijlen. Of ze van hout zijn of metaal doet er niet toe.

Toen ik erop lette, zag ik pas dat van de twintig hekjes er slechts drie gesloten waren. En je kon aan veel hekjes zien dat ze bijna nooit dicht gingen. Ons eigen hekje staat ook altijd open, ik heb het zelfs met een tie-wrap aan een paaltje vastgezet, omdat het openen en sluiten van het hekje door postbode en krantenbezorgers veel herrie maakt. En met je armen vol boodschappen voor een gesloten hekje staan is ook niet handig. Als ik het had geweten, had ik eigenlijk helemaal geen poortje erbij hoeven hebben. Veel tuinhekjes hebben dat ook helemaal niet. Veelzeggend vond ik een voortuintje met, naast een heggetje, alleen maar een poortje – en zelfs dat poortje stond open en het ging zo te zien ook zelden dicht.

Dat laatste hekje overtuigde mij helemaal van het ongelijk van Rousseau. Het moderne voortuinhekje is helemaal geen teken van kleingeestige bezitterigheid. Het hekje zegt niet: ‘Blijf hier weg, hier zijn we de baas en heb jij niets te zoeken.’ Het hekje zegt juist: ‘Goedendag, komt u gerust verder.’ Het hekje is een vriendelijke en beleefde begroeting. Een buiging.

Zonder schaamte of schuldgevoel, maar juist met gepaste trots heb ik dan ook ons metalen tuinhekje geborsteld, geschuurd en geschilderd. Dat is gewoon een kwestie van goed onderhoud en beheer én van vriendelijkheid. En vooral: van openheid.

Maar hoe zit het dan met al die schuttingen die je overal vindt in de achtertuinen in de Vinexwijken, ook in onze achtertuin? Die getuigen toch allesbehalve van ‘openheid’? En bewijzen ze niet dat het in deze wijken geheel ontbreekt aan ‘sociale cohesie’? Binnenkort, zo wordt alom gevreesd, kunnen de buurtopbouwwerkers uit de Vogelaarwijken ook hier aan de slag. Ook hier zullen de onderlinge banden moeten worden aangehaald en de saamhorigheid en het gemeenschapsgevoel aangewakkerd, met behulp van straatfeesten en buurtbarbecues.

Dat de schutting ongerustheid en soms zelfs regelrecht onbehagen oproept, is volgens mij geheel ten onrechte. Sterker nog, de schutting in de achtertuin is prima te beschouwen als een teken van goed nabuurschap.

Bij nadere beschouwing valt het sowieso reuze mee met dat gebrek aan sociale cohesie in de buitenwijken, zoals ook regelmatig blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Het ligt er dan wel aan wat je onder ‘sociale cohesie’ verstaat. Zoals altijd hangt je perceptie van de werkelijkheid grotendeels af van je idealen en komen teleurstellingen meestal voort uit onterechte verwachtingen. Ik geloof dat er zowel een te negatief beeld bestaat van de zogenaamd ‘hyper-individualistische’ en ‘footloose’ (‘ontaarde’) buitenwijkbewoner, als een te rooskleurige opvatting van ‘sociale cohesie’.

Een van de onderzoekers naar sociale ­cohesie in nieuwbouwwijken, Tineke Lupi, vertelde aan een interviewer van de website ruimtevolk.nl dat ‘het streven naar sociale cohesie (…) ingebakken zit, niet alleen bij beleidsmakers maar in de hele maatschappij. Het ideaalbeeld van het dorp, waar iedereen elkaar kent, is een soort automatisme; in een dorp zijn er automatisch veel relaties tussen mensen. Dit ideaalbeeld wordt geprojecteerd op de buurt in de stad.’

Men is inderdaad geneigd een (buiten)wijk op te vatten als een buurt of een verzameling buurten en vervolgens een buurt als een dorp. Volgens mij gaat het echter om stadsbuurten, en dat zijn geen dorpen en moeten dat ook niet willen zijn. De buitenwijk hoort mijns inziens bij de stad en stadsleven is nogal anders dan dorps­leven. In beide gevallen heb je (een netwerk van) bondgenoten nodig, maar simpel gezegd heb je op het platteland minder keus en kun je de weinige mensen die in de buurt wonen maar beter te vriend houden. Voor een stadsbewoner is het andersom, die heeft een ‘overschot’ aan potentiële bondgenoten, hij moet wel kieskeurig zijn. Wie woont in een stad, ook in een buitenwijk, moet zich bekwamen in de kunst van het ontwijken.

Zowel in een dorp als in een stad is goed nabuurschap een kwestie van het vinden van een balans tussen nabijheid en afstand, tussen betrokkenheid en vrijheid. Waar mensen verder van elkaar af wonen, zullen ze elkaar vaker op moeten zoeken, en waar ze dichter op elkaar wonen, zullen ze elkaar uit de weg gaan. Er wordt ook wel gesproken van verschillende soorten sociale verbanden in een buurt. In een dorpse woon­omgeving zijn de verbanden ‘sterk’, tegen het familiare aan, terwijl in een stadsbuurt de verbanden ‘zwak’ zijn, je zou kunnen spreken van ‘kennissen’. De termen ‘zwak’ en ‘sterk’ lijken misschien een verschil in waardering aan te geven, maar dat is niet het geval: zowel de zwakke als de sterke sociale verbanden zijn zeer waardevol – in de geëigende situaties.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau wijdde in 2008 het tweejaarlijkse Sociaal Cultureel Rapport aan ‘sociale cohesie’. De titel van dat rapport luidde veelzeggend Betrekkelijke betrokkenheid. Het rapport relativeerde en temperde namelijk, volgens mij terecht, de verwachtingen omtrent ‘sociale cohesie’. Een mooi hoofdstuk daarin werd geschreven door Lotte Vermeij. Vermeij concludeert dat ‘goede burenrelaties bestaan waar buren een balans gevonden hebben tussen betrokkenheid en vrijheid. Zij helpen elkaar waar het nodig is, zonder beslag op elkaar te leggen; zij hebben interesse voor elkaar zonder elkaar het gevoel te geven een oordeel te vellen of uit te zijn op pikante nieuwtjes. Goede burenrelaties zijn dus gebaat bij een zekere afstand. Naarmate mensen dichter op elkaar wonen, zijn meer strategieën nodig om die afstand te scheppen.’ En één zo’n strategie is de schutting.

Vermeij gaf haar hoofdstuk dan ook de toepasselijke titel Goede schuttingen maken goede buren, naar een Engelse uitdrukking waar vreemd genoeg geen Nederlandse versie van bestaat: ‘Good fences make good neighbours’. Maar ook al blijft onze taal wat dit betreft een beetje in gebreke, in de praktijk weten wij Nederlanders wel raad met die schuttingen. De alomtegenwoordige schuttingen in de nieuwste nieuwbouwwijken van Nederland wijzen dus echter niet op een gebrek aan nabuurschap, maar juist op een goed, ‘stads’ soort nabuurschap.

Kortom, zolang je in de Vinexwijken en andere buitenwijken in de voortuintjes tuinhekjes vindt en in de achtertuinen schuttingen is er reden voor optimisme, want het betekent dat ook daar volop ruimte en mogelijkheden zijn om, op een prettige manier, goed samen te leven…