VSB Poëzieprijs 2006

Tussen vloek en verjaardagswens

Peter Ghyssaert

Zomerschuil

Onder de zon staat een barokke wolk van buxus

en uit hoge nesten klimt gegons. Ga,

nu het avond wordt, gelijke vriendelijkheden langs:

eilanden van pijn in een verstarde zee.

Niemand spreekt en niemand hoeft te roeren

met de lange, hazelhouten stok die altijd klaar staat,

onvergankelijk in de zomerregens

die een uitgewoonde stam verfrissen en bijna

aantrekkelijk maken.

Verpletterende schaduw. Eigeel van banale dagen

aan de daken. Alles steekt. Geef mij uw hand.

U moet niet bang zijn als de stilte verderduurt

en in de nacht is vastgegroeid als een liaan.

Bijna te voelen hangt ze, hoog

boven de val

van uw vertederend gebaar; van uw verhelderende stem.

uit: Kleine lichamen

Misschien moet je hem niet willen rubriceren. Misschien gaat de onderverdeling in -ismen niet op voor een dichter die wil ontregelen, die op zoek is naar een «essentiële taal zonder coherentie», die clichés en vooronderstellingen probeert te vernietigen en daar schoonheid in vindt. Vanaf zijn debuut Honingtuin wordt de Vlaming Peter Ghyssaert (1966) gerekend tot het estheticisme en de decadentie. Nu leest hij in elke recensie over zijn overmatige fascinatie voor ziekte en verval. «Daar word ik echt heel moe van», zegt Ghyssaert in zijn appartement op negen hoog, uitkijkend over zijn geboortestad Antwerpen.

Inderdaad, die classificering achtervolgt hem. In NRC Handelsblad werd het gedicht Neurose, uit zijn laatste, alom geprezen bundel Kleine lichamen (2005), een zeldzaam mooi gedicht over de teloorgang van schoonheid genoemd.

Neurose

De zon maakt met haar fijnste diamantboor

kraters in het zwakke ijs.

De sneeuw smelt weg op het gazon

tot vingers – dun, spierwit –

die ook hun laatste greep verliezen.

Het dooit of het nooit anders heeft gedaan;

het smelt alsof de aarde en haar steden

ijs zijn dat nog weg moet

om dit licht, dit licht

niet in de weg te staan.

Het verval is zeker onderwerp van dit gedicht. Maar zijn de sneeuw en «de aarde en haar steden» ook metaforen voor de schoonheid? Is het niet zo dat dit gedicht wel over het verval gaat, maar dat de oorzaak daarvan juist de schoonheid zelf is? «dit licht», dat door de herhaling, door zijn plaats in het gedicht en ook ritmisch de kern van het gedicht vormt, staat juist voor de schoonheid. En wel een schoonheid die angstaanjagend en destructief is. Vandaar ook de titel «neurose». Het is een gedicht over de ingebeelde angst dat een majesteitelijke schoonheid de aarde en haar steden zou kunnen vernietigen. De schoonheid wordt niet bezongen, zoals estheticisme en decadentie in traditionele zin voorschrijven, de schoonheid is een angstaanjagende natuurkracht.

Zo’n verbintenis van een woord waarbij we normaal positieve gevoelens hebben, met een ziekelijk of verdorven element is kenmerkend voor de poëzie van Ghyssaert, het gaat hem vaak om de «bijna onhoorbare wrijving/ tussen de vloek en de verjaardagswens», zoals twee regels uit de bundel luiden. Dus schrijft de dichter over «het koude schitterende speelgoed van elkaars gezelschap» of over een «verwoestende lente». We vinden in de bundel de verontrustende regels: «Als ik u na het middagslaapje/ terugzie bent u mijn vriend niet meer, maar mijn/ gezworen vijand.» En: «De moeder spoort vloeken aan; dit is bevrijde,/ feestvierende taal.»

Peter Ghyssaert: «Ja, misschien zit er wel iets anarchistisch in mijn poëzie. Elk goed gedicht moet iets moraalloos hebben. Je moet de wereld niet willen bijsturen door middel van je teksten, want dan krijg je iets dat heel tijdgebonden is: de moraal van de ene tijd of cultuur is vaak niet de moraal van de andere tijd of cultuur. Maar mijn poëzie pleit volgens mij vooral voor een zekere vrijheid. Een pleidooi voor de bevrijding van clichés.»

Ook voor de omgang met taal pleit Ghyssaert voor vrijheid: «Het is fascinerend om te zien hoe snel je de taal kunt ontregelen als je maar enkele dingen verandert. De begrijpelijkheid die wij aan onze taal meegeven is van een opperste laag. Ik ben er juist in geïnteresseerd wat er gebeurt als je die eraf krabt. Als je woorden samenbrengt die je in een realistische context nooit bij elkaar zou zetten. Dan krijg je een essentiële taal, zonder coherentie. En dat levert taalschoonheid op.»

De ontregeling die schoonheid is, het is een procédé waar veel poëzie, als zijnde een mysterievergrotend taalspel, uiteindelijk zijn basis in vindt. Ook in het narratief vindt bij Ghyssaert die ontregeling plaats. In veel gedichten wordt wel aanstalten gemaakt tot een verhaal, maar al snel slaat het narratief allerlei zijwegen in, raakt de weg kwijt, komt plotseling tot stilstand om uiteindelijk ergens uit te komen niet ver verwijderd van het begin, de lezer gissend achterlatend naar de zin van dit alles. Neem het prozagedicht Smelt:

De ruiter is op weg naar de vrouw die nu als ijs het dal in schuift. Zij komen elkaar tegen in een zwarte kom. Sterren draaien boven en tussen de vochtige klimop. Het kanaal langs de velden neemt het water mee op reis de wereld rond.

«Mijn gedichten waar een narratief in te bespeuren is zijn inderdaad altijd onvolledige verhaaltjes. Misschien is mijn zwakte ook wel mijn kracht, want ik kan geen plot bedenken, ik kan geen personages gestalte geven. Maar het belangrijkste is misschien wel dat ik het gevoel heb dat als ik het verhaal rechtlijnig uitleg ik de poëzie kwijt ben.

Dat mensen mij indelen bij het estheticisme omdat ik schoonheid belangrijk vind, begrijp ik niet. Schoonheid is van alle tijden. Het is vreemd dat ‹mooi› vaak als negatieve kwalificatie wordt beschouwd. Ik denk dat Luceberts regels ‹in deze tijd heeft wat men altijd noemde/ schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand› te veel in kritieken is blijven doorzinderen. Maar Lucebert bedoelde niet dat het schoonheidsgevoel om zeep was, hij had het over wat in een bepaalde tijd als mooi werd ervaren.

De eerste taak die je als dichter hebt is om te zingen. Ik ben misschien nog het meest door mijn opleiding als musicus overgevoelig voor klank en ritme. Ik vind die zaken te weinig terug in de hedendaagse poëzie. Dat neemt een deel van de schoonheid weg. Het maakt poëzie soms vlak en grijs als je ziet dat mensen misschien interessante ideeën hebben, maar er een doodse, onritmische taal op nahouden. Dat is voor mij een gruwel.»

Een heroriëntering op de schoonheid, zo zou je de bundel Kleine lichamen wel kunnen noemen. Dat schoonheid op de meest onverwachte plaatsen te vinden is, in de ontregeling, in onsamenhangende taal en plotseling afgebroken verhaaltjes, dat schoonheid zelfs angstaanjagend kan zijn. En dat taalschoonheid uiteindelijk ook opgeroepen wordt door wat poëzie aan de basis poëzie maakt: het klank- en ritmespel. Daarvan gebruik makend gaat de taal werkelijk zingen. Voorbeeld: «’s Nachts klimt een haperend geluid van luchtbelletjes uit het waterglas». Een wonderbaarlijke mooie zin, niet alleen door de mooie assonantie en ritmiek, ook het woord «klimt» in plaats van «klinkt» en het feit dat luchtbelletjes uit een spaglas nauwelijks hoorbaar zijn, maken de zin nog sprankelender.

De regel is afkomstig uit het tweede gedicht in de cyclus trapjes, waarin Ghyssaert het in het Nederlandse taalgebied niet vaak beproefde pad van het prozagedicht verkent. Poëzie zonder enjambement dus. Maar toch zeker geen proza, want meer nog dan in de andere gedichten lijkt in deze prozagedichten de toch al niet geringe gevoeligheid van de dichter voor klank en ritme een hoogtepunt te bereiken.

«Mijn gedichten vond ik ritmisch heel eentonig worden. Ze hadden geen ritmiek, maar meer een cadans. In die prozagedichten ben ik me veel meer bewust geworden van polyritmiek binnen het gedicht, de versnelling en de vertraging, het staccato vooruitgaan en het slepende. Misschien kan ik door deze ervaring in de toekomst wel meer ritmische diversiteit brengen in traditionelere poëzie. Het kan ook zijn dat ik prozagedichten blijf schrijven, maar als ik terugkeer naar traditionele poëzie, dan doe ik dat, ritmisch en klankmatig gesproken, als een bevrijd mens.»