De markt van de arbeid

Tussen wao en schip

Juist overheden zorgen ervoor dat langdurig werklozen en arbeidsgehandicapten een hevige concurrentiestrijd leveren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. ‘Dat rondpompen van mensen heeft nul effect op de werkgelegenheid.’

Medium hh 12126306

De Tilburgse taxiondernemer Bert Korthout begon in 1986 met behoud van uitkering een taxibedrijfje, met één auto. Hij had een mavodiploma op zak en zijn dienstplicht vervuld, werkte enkele jaren in de bouw en verknalde daar zijn rug. Hij kwam in de WW, daarna in de bijstand en dacht: dit leven wil ik niet. Het was het begin van het Korthout-imperium: een wasstraat, een autoschadebedrijf, een autohandel en een taxibedrijf. Op zijn hoogtepunt had Korthout vierhonderd mensen in dienst, onder wie ruim honderd arbeidsgehandicapten.

Arbeidsgehandicapten zijn wat duurder dan ‘gezonde’ mensen, maar dat had Korthout er graag voor over. Hij kreeg er respect en loyaliteit voor terug, er was weinig verloop onder het personeel en het ziekteverzuim was laag. Chauffeurs vingen elkaars diensten op als het nodig was en ze gedroegen zich tegenover hun klanten hoffelijk en behulpzaam. Korthout bond zijn mensen aan zich met fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en zo veel mogelijk vaste banen. Hij was erin geslaagd om een winstgevende sociale onderneming op te zetten.

Tilburg heeft sociaal en duurzaam ondernemen hoog in het vaandel. Toen de gemeente Tilburg in 2010 het groepsvervoer – scholieren, chronisch zieken, bejaarden – ging aanbesteden, dacht Korthout dan ook: ‘Dat ga ik winnen, want ik heb veel arbeidsgehandicapten in dienst, die allemaal goed zijn opgeleid, levensreddend kunnen handelen en alle benodigde cursussen hebben doorlopen. Bovendien rijden veel van mijn taxi’s op gas.’ De grote aanbesteding van de gemeente kon hem bijna niet ontgaan, dacht Korthout.

Het was dan ook een flinke afknapper toen de gemeente bekendmaakte dat de inschrijver met de laagste prijs de aanbesteding zou winnen. Een taxibedrijf met veel arbeidsgehandicapten in dienst kan onmogelijk als goedkoopste uit de bus komen, die mensen vereisen nu eenmaal meer aandacht, ze kosten extra tijd en dus geld. Voor een deel compenseert de gemeente die kosten met subsidies, maar de ervaring leert dat dat onvoldoende is, juist voor ondernemers die arbeidsgehandicapten geen flexibel contract bieden maar hen in dienst nemen en via cursussen en trainingen de kans bieden om zich verder te ontwikkelen. Er was wel sprake van extra punten voor ondernemers die toezegden dat ze mensen met een bijstandsuitkering in dienst zouden nemen als de opdracht naar hen zou gaan. Social return heet dat beleid. Korthout was verbaasd over die bonus. Niet alle mensen met een uitkering kunnen immers zomaar taxichauffeur worden. ‘Je moet discipline hebben voor dit vak. Het gaat vaak om het rijden van kwetsbare kinderen en volwassenen, die niet de ene dag Jan en de volgende dag Ahmed aan de deur willen.’ Maar wat Korthout nog het meest stak, was dat al zijn inspanningen om een sociaal en duurzaam bedrijf op te zetten geen rol speelden. ‘Wat je bereikt hebt, telt niet mee, ook al onderneem je nog zo verantwoord.’

Het aanbestedingenbeleid met social return, dat inmiddels in veel Nederlandse gemeenten en provincies en bij tal van rijksdiensten gebruikelijk is, beloont de facto ondernemers die op alle mogelijke manieren op materieel en personeel bezuinigen. ‘Het is niet zo relevant wat je in het verleden al gedaan hebt, bijvoorbeeld omdat je een sociale onderneming bent, maar vooral wat je als onderneming gáát doen om uitkeringsgerechtigden een kans te bieden als je van de gemeente een nieuwe opdracht krijgt’, zegt Marc Bevers, senior beleidsadviseur arbeidsmarktbeleid van de gemeente Tilburg. Tilburg heeft begin dit jaar een nieuw beleid voor aanbesteding en inkoop ingevoerd. Veel is veranderd, maar een bonus voor bedrijven die al een sociaal personeelsbeleid voeren, zat er niet bij. ‘We kijken alleen vooruit, niet terug’, aldus Bevers.

De verloren aanbesteding bezorgde het bedrijf van Korthout een flinke klap. Hij stapte naar de gemeente en zei: ‘Help! Mijn bedrijf verzuipt!’ Hij kreeg een extern adviseur toegewezen. Je hebt te veel mensen waar je niet vanaf kunt, zei de adviseur. Die mensen moet je zien kwijt te raken. De enige optie om te overleven is een doorstart, voegde de adviseur eraan toe. Bij een doorstart kan een bedrijf alle werknemers ontslaan en verder gaan met de mensen die in de hernieuwde onderneming nodig zijn. Korthout moest efficiënter gaan werken, aldus de adviseur die de gemeente Tilburg hem toewees. Hij moest flexibeler inspelen op de vraag.

Met kunst- en vliegwerk wist Bert Korthout zijn bedrijf overeind te houden. Zonder krediet van een paar ton kon hij niet verder. Een lening van Start Foundation in Eindhoven, waarvoor hij persoonlijk garant moest staan, trok de Rabobank over de streep. Van de 165 werknemers die Korthout vlak voor zijn faillissement nog over had, zijn er na de doorstart 135 in dienst gebleven. Van hen valt de helft in de categorie ‘mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt’, zoals kwetsbare, veelal laagopgeleide mensen in beleidstermen zijn gaan heten. Die 135 man personeel werken allemaal minder uren dan voorheen. Fulltime contracten voor onbepaalde tijd zijn voor een taxibedrijf niet meer op te brengen, als gevolg van de te lage tarieven voor leerlingen- en groepsvervoer.

Ondernemers die op een sociale en duurzame manier streven naar een zo hoog mogelijk kwaliteits- en serviceniveau krijgen het lid op de neus en wordt een doorstart aangeraden. Een totaal verkeerde prikkel, vindt Korthout: ‘Als die concurrentiedruk zo hoog is, ga je als werkgever de druk op je personeel langzaam maar zeker opvoeren. Daar raken mensen gestrest van, ze worden ziek en dan heb je weer extra kosten. Zo draaien bedrijven elkaar de nek om.’ Hij begrijpt niet wat dat nog met sociaal ondernemen te maken heeft.

‘Wat je bereikt hebt, telt niet mee, ook al onderneem je nog zo verantwoord’

In vrijwel alle bedrijfstakken die sterk afhankelijk zijn van overheidsopdrachten heeft in de afgelopen decennia een race to the bottom plaatsgevonden. De thuiszorg, de catering, het openbaar vervoer, de beveilingsbranche, hoveniers, schoonmaakbedrijven – ze kampen allemaal met dezelfde problemen als de taxibranche: omdat de overheid extreem lage tarieven afdwingt, voeren ze de arbeidsproductiviteit op, beknibbelen ze op het aantal werknemers en op hun arbeidsvoorwaarden en wachten ze zo lang mogelijk met het aanschaffen van nieuw materieel. Een vast dienstverband voor personeel is uitzondering, flexibiliteit is troef.

In de taxibranche is al jaren sprake van draaideurwerkloosheid. ‘Middelgrote bedrijven met ervaren chauffeurs die langer in dienst zijn, hebben relatief duur personeel’, zegt Henk van Gelderen, directeur van Sociaal Fonds Taxi, dat onder meer toeziet op de naleving van cao’s bij taxibedrijven met personeel in loondienst. De branche is met zo’n 1250 bedrijven met personeel en zo’n zevenduizend zzp’ers een belangrijke bron van inkomsten voor tienduizenden laagopgeleiden. Van Gelderen zag al heel wat taxibedrijven failliet gaan of opgeslokt worden door een grotere broer. De hele branche staat volgens hem onder druk: ‘Traditionele bedrijven die het beste voor hebben met hun personeel móeten wel met tijdelijke contracten werken. Je krijgt drie keer een jaarcontract en dan is de keuze: óf een contract voor onbepaalde tijd en hogere loonkosten óf nieuw personeel in een lagere loonschaal. De omstandigheden op de taximarkt maken zo’n keuze eenvoudig.’

Het gevolg is dat ontslagen chauffeurs op zoek gaan naar een nieuwe werkgever of zich gedwongen zien om in een heel andere branche nieuw werk te zoeken. Niet omdat ze slechte chauffeurs zijn, maar omdat hun werk is overgenomen door onervaren bijstandsgerechtigden of arbeidsgehandicapten die via aanbestedingen zijn binnengekomen. Dat tijdelijk personeel vliegt er trouwens ook weer uit zodra de gelegenheid zich voordoet, om plaats te maken voor nieuwe tijdelijke krachten die van de gemeente of het uwv subsidie meekrijgen en op de laagste treden van het loongebouw beginnen.

Nu gemeenten en provincies fors bezuinigen op het leerlingen- en groepsvervoer neemt de hoeveelheid werk ook nog eens af. Nog meer ervaren chauffeurs zullen op straat komen te staan. ‘De marktomstandigheden dwingen bedrijven tot dit gedrag’, zegt Van Gelderen. ‘Dat is het rondpompen van mensen, met nul effect op de werkgelegenheid.’

De ruim vierhonderd Nederlandse gemeenten hebben aardig wat boter op hun hoofd. Zij zorgen er met hun aanbestedingenbeleid immers voor dat vooral superefficiënte bedrijven met veel reserves en een beroerd personeelsbeleid jaarlijks voor miljarden aan opdrachten binnenslepen. Kleine bedrijven, die vaak lokaal geworteld zijn en hechtere banden hebben met hun personeel, verzuipen in een moeras aan regeltjes en eisen. ‘Die aanbestedingen zijn zó ingewikkeld geworden!’ klaagt taxiondernemer Korthout. ‘Pakken papier moet je invullen, je hebt er een gespecialiseerd bureau voor nodig om het tot een goed einde te brengen. Zo’n bureau kan ik niet betalen. Tegen bedrijven die zo wél te werk gaan, is niet op te concurreren. Ik ben nu alleen nog onderaannemer van grote jongens.’

Zowel het rijk als de gemeenten roepen om het hardst dat ze laaggeschoolden aan de onderkant van de arbeidsmarkt aan werk willen helpen. Bij grotere opdrachten bepaalt Brussel de regels, maar onder het drempelbedrag van Europese aanbestedingen heeft de overheid een belangrijke troef in handen. For a few dollars more kunnen gemeenten, provincies en rijk de positie van mensen aan de onderkant van de dienstensector aanzienlijk verbeteren door bij aanbestedingen eisen te stellen aan arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Maar ze doen het niet.

Het werkgelegenheidsbeleidvoor de onderkant van de arbeidsmarkt vertoont tal van tegenstrijdigheden. De kloof is niet alleen groot in het aanbestedingenbeleid, ook in de sociale werkvoorziening neemt de overheid met de ene hand weg wat ze met de andere hand aanbiedt. Hier is wederom ongetwijfeld sprake van de beste intenties, maar het beleid pakt in de praktijk rampzalig uit. Nederland telt ruim negentig sociale werkplaatsen, waar zo’n honderdduizend arbeidsgehandicapten met een indicatie van de Wet sociale werkvoorziening (wsw) werkzaam zijn. Veel van die bedrijven hebben zich inmiddels ontwikkeld tot giganten, die niet alleen wsw’ers tewerkstellen, maar ook bijstandsgerechtigden die verplicht worden om met behoud van uitkering arbeidsritme en werkervaring op te doen.

Om die wettelijke taken te kunnen vervullen, moeten ze natuurlijk werk binnenhalen. Dat doen ze in veel steden en regio’s door schaamteloos de concurrentie aan te gaan met kleine, vaak sociaal opererende bedrijven die het hoofd boven water proberen te houden met inpakwerk, assemblagewerkzaamheden, hovenierswerk, schoonmaak, schilderwerk en kluswerkzaamheden. Overal in het land klagen ondernemers over sociale werkplaatsen die voor één à twee euro per uur werk willen doen waar zij minstens negen à tien euro per uur voor moeten vragen om overeind te blijven. Gemeenten draaien automatisch op voor de verliezen van sociale werkplaatsen, die jaarlijks in de miljoenen kunnen lopen.

Het leidt tot een carrousel van werklozen die even mogen ruiken aan werk en dan weer aan de kant gezet worden

Tegelijkertijd roept de overheid al jaren dat arbeidsgehandicapten zo veel mogelijk in reguliere banen tewerkgesteld moeten worden. Dat streven is een belangrijke pilaar onder de Participatiewet, die op 1 januari 2015 wordt ingevoerd, als de Eerste Kamer geen roet in het eten gooit. Diezelfde nieuwe wet laat de sociale werkplaatsen via een ‘sterfhuisconstructie’ doodbloeden en wil daarvoor in de plaats dertigduizend ‘beschutte werkplekken’. Maar voordat het zo ver is, zijn we decennia verder. wsw’ers die nu een baan hebben in de sociale werkvoorziening behouden namelijk tot aan hun pensioen het recht om er te blijven werken. Zelf zullen ze niet snel opstappen want ze verdienen er lonen die oplopen tot 130 procent van het wettelijk minimum. De verfijnde regelingen van de verzorgingsstaat hebben hier gezorgd voor reservaten van relatieve luxe. De sociale werkplaatsen zouden hen met enige drang en dwang uit die gouden kooi kunnen werken, zoals het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (szw) wil. Maar geen werkgever neemt mensen tegen dat irreëel hoge loon in dienst, zelfs niet als ze er een flinke loonkostensubsidie bij krijgen.

De neiging bestaat ook om juist de wsw’ers met de meeste capaciteiten vast te houden.

Sociale werkplaatsen zijn ooit opgezet om mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking een zinvolle dagbesteding in een veilige werkomgeving te bieden. In veel gemeenten zijn ze nu onderdeel van een omvangrijk apparaat dat werklozen in allerlei geuren en kleuren voorbereidt op een terugkeer naar de arbeidsmarkt. Tot meer banen leidt het nooit, hooguit tot een carrousel van werklozen, die even mogen ruiken aan werk en dan opnieuw aan de kant gezet worden. Een enkeling behoudt zijn baan langere tijd, maar de rij wachtenden wordt er niet korter door. De enigen die er echt baat bij hebben, zijn de tienduizenden Nederlanders die een goed belegde boterham verdienen aan het bezighouden, inschatten en keuren van werklozen en arbeidsgehandicapten die de draaimolen in en uit stappen.

Hans Terhorst is directeur van GroenWerkXL, gevestigd in Varsseveld, in de Achterhoek. Op 1 februari 2011 zette hij met drie collega’s het bedrijf op, dat grootschalige groenvoorzieningen ontwerpt, aanlegt en onderhoudt. Opdrachtgevers zijn particulieren, gemeenten, zorginstellingen en bedrijven. Hij heeft zestig mensen aan het werk, onder wie 25 reguliere arbeidskrachten, voornamelijk mensen die ‘de doelgroepmedewerkers’ begeleiden. De overigen zijn hoveniers en assistent-medewerkers, van veertien tot 64 jaar. Tien van de zestig medewerkers van GroenWerkXL zijn in vaste dienst. ‘Je kunt ook tachtig bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering aan het werk zetten en het daarbij laten’, licht Terhorst toe. ‘Dat is pure winst, maar je verpest wel de hele markt en biedt die mensen geen enkel perspectief. Wij doen juist veel aan opleiding en training. We werken met jonge arbeidsgehandicapten (wajong’ers), met mensen van de sociale werkplaats die bij ons gedetacheerd zijn of een arbeidsovereenkomst hebben via begeleid werken, met mensen die een awbz-indicatie hebben en met bijstandsgerechtigden. Het is een brede doelgroep aan de onderkant van de arbeidsmarkt en die wil ik allemaal een kans bieden.’

Om mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt aan de slag te houden, heeft Terhorst omzet nodig: ‘We zijn een regionaal bedrijf, dat wil en kan werken met de doelgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Laat ons mee inschrijven op projecten, zeggen we tegen gemeenten. Maar in de gemeenten om ons heen, Oude IJsselstreek, Montferland en Doetinchem, zeggen ze: we doen het zelf. Ze halen mensen uit de sociale werkplaats en koppelen die aan opdrachten van de gemeente. Mijn ervaring als voormalig chef beheer en onderhoud bij een gemeente is: dat werkt niet, de cultuurverschillen zijn te groot, professionele begeleiding is essentieel, anders treden er fricties op.’ De gemeenten strijken zo volgens Terhorst de persoonsgebonden subsidies op, die bedoeld zijn als compensatie voor verminderd arbeidsvermogen en voor de ontwikkeling en training van medewerkers. Het geld komt echter in het budget voor de openbare ruimte terecht en wordt niet gestopt in de persoonlijke ontwikkeling van arbeidsgehandicapten.

Er vindt dus ook geen uitstroom plaats. Terhorst: ‘Ze houden die mensen krampachtig vast, want die draaien productie voor ze. Alleen al in Doetinchem gaat het op termijn om 120 man. In Montferland en Oude IJsselstreek om zo’n vijftig mensen per gemeente.’

GroenWerkXL en collega-bedrijven worden zo beconcurreerd door gemeenten, die niet kijken naar het aantal arbeidsgehandicapten dat regulier aan het werk komt, maar naar de hoeveelheid subsidie die ze aan zichzelf kunnen uitkeren.

De nieuwe participatiewet wil van alle arbeidsgehandicapten vaststellen hoe productief ze zijn, welk deel van hun inkomen ze zelfstandig kunnen verdienen. Werkgevers betalen de werknemer wat hij waard is, de gemeente past bij tot het minimumloon. Mensen die voorheen een baan hadden in de sociale werkvoorziening krijgen zelfs bijgepast tot de hoogte van het cao-loon in die sector, dat kan oplopen tot 130 procent van het wettelijk minimumloon. Maar ook dat is weer arbitrair, vindt Terhorst: ‘Het gaat om specifieke functies en om bepaalde omstandigheden. Het gaat erom in welke setting je iemand laat werken. In de ene setting kan hij zestig of zeventig procent van het minimum inkomen zelf verdienen. Haal je hem uit die setting, dan blijft er misschien maar twintig procent over. En vergeet niet: als je drie mensen in dienst hebt die ieder dertig procent van het minimum zelfstandig kunnen verdienen, heb je nog niet de productie van één reguliere werknemer. Terwijl ze wel met z’n drieën in de auto moeten zitten, je voor drie personen werkkleding moet kopen, voor drie personen machines ter beschikking moet hebben en ga zo maar door. Als wij het goed doen en de werknemer kan een steeds groter deel van zijn inkomen zelf verdienen, dan krijgen wij minder compensatie. Dat systeem van prikkels is niet goed ingericht. Als het uwv zegt dat iemand zestig procent van zijn inkomen kan verdienen en wij vinden dat het maar veertig procent is, dan krijgt het uwv vaak gelijk. Maar de arbeidsgehandicapte verliest, want wij beëindigen het contract van zo’n medewerker.’

Slechts zestien procent van alle bedrijven neemt mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst

Er valt uitstekend te werken met arbeidsgehandicapten en bijstandsgerechtigden, vindt Terhorst, maar je moet ze wel serieus nemen: ‘Wij beginnen ’s ochtends om half acht, maar veel werknemers staan al om zeven uur klaar. Kijk, dát is motivatie. We hebben hier een ziekteverzuim van slechts 1,6 procent, dat zegt genoeg. We geven mensen het gevoel: we kunnen je niet missen, je bent nodig. Ze voelen zich belazerd als er niet in hen geïnvesteerd wordt.’

Het wemelt van perverse prikkels aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Neem bijvoorbeeld de Wet Werk en Bijstand, die op 1 januari 2015 opgaat in de Participatiewet. Deze staat werken met behoud van uitkering en het leveren van een tegenprestatie door uitkeringsgerechtigden toe, maar verbiedt verdringing van regulier betaald werk. Uit onderzoek van de fnv en van de Inspectie van szw blijkt echter dat gemeenten creatief zijn in het inzetten van uitkeringsgerechtigden voor zeer uiteenlopende werkzaamheden. Van het rondbrengen van koffie in verzorgingstehuizen en schoonmaken tot buurtpreventie, sneeuw schuiven en het verrichten van hand- en spandiensten in scholen. Werken met behoud van uitkering is vaak geen middel om aan werk te komen maar een doel op zich, stelde de fnv vorig jaar in het onderzoeksrapport Beter zicht op werken in de bijstand. ‘Het werk dat bijstandsgerechtigden uitvoeren, vertoont alle kenmerken van een normale arbeidsovereenkomst met uitzondering van het kenmerk loon’, aldus de grootste vakbond van Nederland.

Het is begrijpelijk dat de overheid probeert om werklozen te activeren en aan het werk te krijgen. Maar in Nederland is de arbeidsmarkt voor laagopgeleiden simpelweg overvol. Ongeveer een kwart van de beroepsbevolking, die in totaal uit 8,5 miljoen mensen bestaat, heeft hooguit een vmbo-diploma. Het aantal banen waarvoor ten hoogste een vmbo-diploma gevraagd wordt, staat al geruime tijd op 2,2 miljoen, zo’n dertig procent van de totale werkgelegenheid. Een groot deel van die banen wordt nu al bezet door mensen met een hoger opleidingsniveau dan noodzakelijk voor die functie. In de hoofdstedelijke metropoolregio gaat het zelfs om de helft van de 350.000 banen voor laagopgeleiden, aldus een recente studie van het Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam. De potentiële beroepsbevolking neemt de komende tien jaar nog eens met 620.000 personen toe als gevolg van de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd tot 67 jaar, zo becijferde ABN Amro begin dit jaar. En dan hebben we het nog niet over de robotisering en automatisering van eenvoudige taken, waardoor volgens sombere voorspellers ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt veel banen verdwijnen. Tel daar nog eens minstens honderdduizend arbeidsgehandicapten bovenop, die volgens de nieuwe Participatiewet in het reguliere bedrijfsleven kunnen werken en daarom niet meer of slechts ten dele kunnen terugvallen op een Wajong-uitkering.

We hebben decennialang gebouwd aan een economie met een maximale productiviteit per werknemer. Mensen die het tempo en de complexiteit van het werk niet konden bijbenen, verdwenen in de wao, later in de Wajong of andere regelingen voor mensen met een beperking. De Nederlandse uitgaven aan arbeidsongeschiktheid horen met twee procent van het bruto binnenlands product tot de hoogste van de Europese Unie. Slechts zestien procent van alle Nederlandse bedrijven neemt bewust mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst.

In het sociaal akkoord van april 2013 is afgesproken dat het bedrijfsleven tot 2026 honderdduizend banen voor arbeidsgehandicapten creëert, en de overheid nog eens 25.000. Zo niet, dan heeft staatssecretaris Jetta Klijnsma van szw de quotumregeling achter de hand: vijf procent van de banen in bedrijven met meer dan 25 werknemers moet aan arbeidsgehandicapten beschikbaar worden gesteld, op straffe van vijfduizend euro per niet gecreëerde arbeidsplaats. Een wassen neus. Bedrijven zullen het label ‘arbeidsgehandicapt’ oprekken en ze zullen zo veel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking in dienst nemen die hun nut al bewezen hebben in bedrijven met minder dan 25 werknemers. Dat is althans de praktijk in Oostenrijk, waar een soortgelijke regeling al van kracht is.

En er ontstaat een kostbare bureaucratie en een complex systeem van keuringen en herkeuringen, dat uitnodigt tot goochelen met cijfers. Zelfs als het plan ten dele slaagt, zal een groot deel van die banen ten koste gaan van de werkgelegenheid voor laaggeschoolden zónder beperking. In dat geval krijgen arbeidsgehandicapten een eerlijke kans, maar een oplossing voor de beroerde positie van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt is het niet.

Het ontbreekt in Nederland simpelweg aan goede ideeën om de onderkant van de arbeidsmarkt in tijden van laagconjunctuur aan het werk te houden. Volgens een internationaal literatuuronderzoek van Pierre Koning, bijzonder hoogleraar arbeidsmarkt en sociale zekerheid aan de VU, hebben scholing, reïntegratietrajecten en gesubsidieerde werkgelegenheid in elk geval geen zin, althans: het positieve effect daarvan is niet gebleken of op z’n minst zeer omstreden. Zijn collega Bas van der Klaauw, hoogleraar algemene economie aan de VU, is nog wat stelliger. Op mijn vraag welke arbeidsmarktinstrumenten werkelijk effectief zijn, antwoordde hij dat we de afgelopen twee decennia veel te weinig interesse hebben gehad voor het meten van de effecten van activerend arbeidsmarktbeleid om er iets zinnigs over te kunnen zeggen: ‘Als je echt iets over beleidseffecten wilt weten, dan moet ik je teleurstellen. Daar is simpelweg te weinig over bekend, en iedereen die zegt het wel te weten kletst uit zijn nek.’

Goede bedoelingen zijn mooi, effectief beleid is beter. Het wachten is op een politieke meerderheid voor een drastische verlaging van belasting op arbeid of een basisinkomen, liefst in combinatie met herverdeling van de beschikbare arbeid over zo veel mogelijk mensen. Arbeidsintensieve projecten in de sfeer van infrastructuur en aanleg en onderhoud van natuurgebieden kunnen ook soelaas bieden. Want eigenlijk helpt geen enkel medicijn tegen de kwaal die in tijden van laagconjunctuur telkens weer de kop opsteekt, behalve meer banen.


Dit artikel is gebaseerd op het onlangs verschenen De kwetsbaren: Verdringing en concurrentie aan de onderkant van de arbeidsmarkt (Nieuw Amsterdam). Ideeën voor de oplossing van de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt? Ga naar het platform.

Beeld: Demonstratie tegen de bezuinigingen op sociale werkplaatsen (Marcel van den Bergh/HH).