Tussen wond en droom

Henry Roth, Noem het slaap. Vertaald door René Kurpershoek. Uitg. De Bezige Bij, 458 blz., 347,50; Henry Roth, From Bondage, Uitg. St. Martin’s Press, New York, 397 blz., 349,90
HEEL LANG zwijgen als schrijver kan soms boekdelen spreken. In het geval van Henry Roth (1906-1995) mag je dat gerust letterlijk nemen. In 1934 debuteerde deze Amerikaans-joodse schrijver, geboren in Galicië en in 1909 naar de Verenigde Staten geëmigreerd, met de inmiddels klassieke roman Call it Sleep. Daarna zweeg hij zestig jaar lang. Pas tegen het eind van zijn leven verschenen de eerste delen van de zesdelige romancyclus Aan de genade van een ruwe stroom, romans die van Call it Sleep ineens de proloog van een epos maken dat alleen al door de beeldende beschrijvingen van het leven in Harlem tussen 1914 en 1930 uniek is.

Ongeveer tegelijk met de postume publikatie van het derde deel From Bondage verscheen er een schitterende nieuwe vertaling door René Kurpershoek van Roths debuut: Noem het slaap. Het is een Bildungsroman over een dolend joods jongetje in New York waarbij de taal wisselende gedaanten aanneemt (Engels, Jiddisch, Duits, Hebreeuws). In Kurpershoeks vertaling komt die taalverwarring prachtig tot uiting. ‘Alles wat hij wist beangstigde hem. Waarom had zijn moeder hem binnen gehouden? Waarom moest hij het weten? Je moest alles weten, en dan werd wat je wist opeens iets anders. Je wist niet meer waarom, maar toch was het iets anders, iets engs…’
In het kinderdomein van David Schearl is de moeder het laatste veilige toevluchtsoord en groeit de vader uit tot een boeman: 'Niets aan hem veranderde ooit. Werelden mochten opzwalpen en stollen, hij bleef zichzelf gelijk - altijd die smalle, ondoorgrondelijke mond, altijd die ongenaakbare trots van strakke neusvleugels, halfgeloken ogen. De loodrechte, rotsvaste wand van zijn geslotenheid bood soms luwte, nimmer steun.’
Het isolement van David wordt versterkt door de invalshoek van de roman: de blik van de kleine jongen. David ontdekt de seksualiteit als hij met een buurmeisje in een kast terechtkomt, hij valt in een kelder als hij een boodschap voor zijn vader doet, hij verdwaalt in de stad en kan zich met moeite verstaanbaar maken. Bovendien wordt David geconfronteerd met het enigma van de dood wanneer hij aan zijn moeder vraagt wat 'ten eeuwigen dage’ betekent: 'Het donker. In de donkere aarde. Ten eeuwigen dage. Het was een verschrikkelijke openbaring.’ De metaforische duisternis in Noem het slaap is 'als een waterval, onuitputtelijk, monsterlijk.’
De geladenheid van Noem het slaap wordt versterkt door een ander geheim dat David meent te signaleren tijdens gesprekken onder volwassenen: is hij wel de zoon van zijn vader? Wat is leugen, wat is waarheid? Waar komt David vandaan? De romanwereld wordt langzaam lichter. David krijgt onderwijs van een rabbi en leert dat God 'lichter is dan de dag’. De rabbi vertelt over de engel die Jesaja’s lippen aanraakte met een gloeiend kooltje, zodat hij zonder zonde God kon benaderen en spreken. Dit beeld groeit uit tot een obsessie voor David. De Jesaja-fragmenten in Noem het slaap zijn emblematisch voor de ontwikkeling van de tere, fantasievolle kinderziel. David zoekt verlichting en wil ontsnappen aan zijn vader. Te midden van de harde kinderwereld, het antisemitisme en een anonieme stadswijk vol immigranten zoekt David het licht.
Uitgedaagd door zijn vader stapt de jongen met een melklepel naar de tramrails en maakt kortsluiting door de 'derde rails’ aan te raken. Een 'sirene van licht’ welt in hem op, verwoord in poëtische fragmenten en nuchtere beschrijvingen, joyceaanse innerlijke monologen afgewisseld met zakelijke formuleringen. Eindelijk ontbrandt in het schemergebied tussen waken en slapen de luciditeit, een ijl geknetter van woorden. In Roths taal: 'Noem het maar slaap. Alleen tegen slapen aan kon elke knip van de oogleden een vonk slaan in de mistige tondelzwam van het donker…’
In From Bondage (1996) is David Schearl uitgegroeid tot de bijna negentigjarige schrijver Ira Stigman, die na een writer’s block van tientallen jaren probeert weer voeling te krijgen met het joodse leven in het Harlem van 1925-1927 en die zich wil ontworstelen aan leugenachtigheid, seksuele bezoedeling (hij gaat met zijn zusje en zijn nichtje naar bed), antisemitische stigma’s en literaire vaders.
Evenals de voorgaande twee delen van Aan de genade van een ruwe stroom bevat From Bondage twee tijdlagen die ver uit elkaar liggen en daardoor spanning oproepen. De oude Stigman praat tegen zijn tekstverwerker over de Stigman van toen en de bejaarde schrijver van 1995. De verhaallijn die zich concentreert op de student en beginnende schrijver en minnaar van Edith wordt onderbroken door de gedachten die de oude Stigman aan zijn beeldscherm toevertrouwt.
Andermaal is James Joyce de Literaire Vader die vermoord dient te worden, een moord die al in de voorafgaande romandelen is voorbereid. In From Bondage beschrijft Roth hoe zijn toekomstige geliefde Edith een exemplaar van 'de Ulysses’ uit Europa weet mee te smokkelen. Ira’s vriend Larry vindt het boek onleesbaar, maar Ira wordt betoverd door de taalvirtuoos. De bejaarde Stigman vindt het moeilijk om het beeld van de jonge Joyce-liefhebber Stigman op te roepen, temeer daar hij inmiddels walgt van de Ierse grootmeester en liever John Synge leest. Toch lukt het hem, wat een bevrijdende uitwerking heeft, hij breekt uit 'kluisters door de geest gesmeed’. Ouder worden en tegelijkertijd opnieuw beginnen, die kloof tussen bijna sterven en weer geboren worden weet Roth in zijn epos te overbruggen.
In From Bondage bevrijdt de schrijver Stigman, en zijn alter ego Henry Roth, zich niet alleen van Joyce en zijn schrijfblokkade, ook als jood 'bevrijdt’ hij zich door eindelijk weer zijn creatieve bron op te zoeken: zijn volk, zijn jood-zijn dat hij zo lang had ontkend. Israel heeft hem van Joyce bevrijd. De Ier John Synge ging hem voor: voeling met de tijd, de contemporaine geschiedenis. En Joyce maakte van het Ierse volk een 'fossiel’, verdeelde zichzelf in een 'nepjood’ (Leopold Bloom, hoofdfiguur van Ulysses) en een Ierse intellectueel die zijn volk de rug toekeerde. Dixit Ira Stigman/Henry Roth, die zich in From Bondage zowel naar het altaar Joyce toe schrijft als daar vanaf: Ulysses als bevrijdende lectuur én als levenslange ballast. Joyce en Stigman, allebei aan hun milieu ontstegen, maar Joyce ging nooit meer terug en Stigman moet wel terugkeren naar de bron van zijn bestaan als jood en schrijver.
MAAR TOCH blijft de taal, die Joyce liet schitteren, de 'steen van de filosoof’ in From Bondage, een vorm van alchemie, een middel om de vervreemding van de jonge, gulzige Stigman tegen te gaan. De taal weet het lage en gemene tot kunst te verheffen, de taal 'bemiddelt tussen wond en droom’. 'Zorg ervoor dat het leven de kunst volgt’, verzucht de oude Stigman tegen zijn tekstverwerker, terwijl hij het Harlem van de jaren twintig in zijn herinneringen oproept en stilstaat bij de capriolen van Edith, die Ira langzaam inkapselt.
Joyce is voor Stigman/Roth de ontduiker van de geschiedenis. Joyce besloot 'om niets van de voortgaande evolutie van Ierland te zien, weigerde iets latents te ontdekken binnen het schijnbare betekenisloze van een dag in 1904. De geschiedenis mag dan een nachtmerrie zijn geweest, maar degenen die hem hadden kunnen wakker schudden waren dezelfden die hij omzeild had: zijn volk.’ Daar valt veel op af te dingen, maar de waardering voor Roths epos staat los van welke visie op Joyce dan ook.