Op een hoek in een middenstandswijkje in het Iraakse stadje Mahalabia wonen Seif en Osama. Buurjongens die samen opgroeiden, speelden, en in de zomer dagelijks te vinden waren in het zwembadje dat Seifs vader op zijn boerderij had aangelegd. Tot Seif zich in 2014 aansloot bij de islamitische terreurgroep IS, en Osama met zijn familie wegvluchtte om aan de brute bezetting te ontkomen.

Net zoals zij zijn na de komst van IS (of Daesh in het lokale taalgebruik) in Irak veel vrienden en buren uit elkaar gedreven. Meestal zonder goede afloop, want de meeste IS-daders en -aanhangers zijn nergens meer welkom, ook niet als ze hun straf hebben uitgezeten. En dat straalt af op hun familieleden, die met de nek worden aangekeken.

De families van Seif en Osama wonen echter weer vreedzaam naast elkaar. Dat is het resultaat van een speciaal project waarbij IS-families na afspraken met stamhoofden en lokale autoriteiten terug naar huis mogen. En zelfs de daders mogen dat: Seif is een van drie IS-jongeren die in Mahalabia is teruggenomen.

‘Hij heeft maar een nacht bij Daesh doorgebracht’, zegt Abu Seif (46) defensief als hij vertelt hoe zijn toen zeventienjarige zoon zich in 2014 had aangesloten bij IS, in navolging van een neef en twee vrienden. De verslaggever krijgt een plek toegewezen op een van de matjes op de grond maar zelf blijft Abu Seif – dat ‘vader van Seif’ betekent, zijn echte naam wil hij niet kwijt – in zijn lichtblauwe Arabische mannenjurk staan. Het is druk in huis; kinderen lopen in en uit, en schoonzoon Omar vertelt dat hoewel IS zijn vader vermoordde hijzelf toch met Seifs zuster getrouwd is. Trots laat hij hun baby zien. Er wordt thee geserveerd in glaasjes en vrouwen gluren vanuit de gang bij de keuken naar het bezoek.

‘Seif zat in een trainingskamp en ik heb hem eruit gehaald voor het niet meer kon’, verklaart de vader. Dat is het verhaal dat veel jongeren na de bevrijding vertelden om onder straf uit te komen. Hoewel bekend is dat de terreurgroep rekruten niet makkelijk liet gaan, houdt Abu Seif vol dat IS zijn zoon na zijn tussenkomst als straf voor het afhaken alleen kaalschoor en drie dagen opsloot. En dat ze daarna samen naar huis terugkeerden en daar de bezetting uitzaten. Tot ze met IS mee naar West-Mosul verhuisden, waar de groep zich in 2017 aan het einde van de strijd in Irak verschanste. Of ze menselijke schilden waren of aanhangers laat hij in het midden.

Toen het Iraakse leger kwam, werd de familie afgevoerd naar een ontheemdenkamp. Daar vertelde iemand de Koerdische veiligheidstroepen echter dat Seif bij IS zat, waarna hij een jaar in Koerdische detentie zat, zegt zijn vader. ‘Toen we hier terugkwamen, heb ik hem meegenomen naar de nationale veiligheidstroepen. Ze hebben het onderzocht en lieten hem gaan.’

De nu 22-jarige Seif heeft spijt van zijn keuze, zegt de vader. ‘Al vanaf het begin. Hij wil zijn eigen leven leiden.’ Daarom heeft hij Mahalabia alweer verlaten en werkt hij nu in Koerdistan. Al kan dat ook zijn omdat de buurt hem toch niet echt accepteert, maar dat zal zijn vader niet zeggen. Die heeft niets met het feit dat zijn gezin wordt beschouwd als een IS-familie. Hij is slachtoffer, een getuige. ‘Het was een moeilijke tijd, ik ben alles verloren. Twee van onze huizen zijn vernield bij de bevrijding, en mijn boerderij met 32 koeien is gebombardeerd omdat het huis ernaast vol zat met Daesh.’ Of zijn buren hem wel weer kunnen vertrouwen? ‘Ik ben geen Daeshi. En als we dat waren geweest, dan zouden we ons nooit opnieuw aansluiten. We hebben gezien wat ze deden.’

In zijn huis vlak om de hoek zegt Osama’s vader, buurman Hoessein Ahmed (42), hem dat na. ‘De kans dat ze zich weer aansluiten is klein omdat ze gezien hebben dat wat Daesh deed niets met menselijkheid of gerechtigheid te maken had’, zegt hij in de rustige woonkamer waar de geuren voor de komende lunch allesoverheersend zijn. Gevraagd naar Seif en zijn vader zegt hij: ‘De persoon die ons pijn heeft gedaan is er niet, en verder zegt de koran dat je niet gestraft kunt worden voor wat je niet gedaan hebt.’

Seif is dus toch niet echt welkom. Het verhaal van de buurman over de jongen is ook net even anders dan dat van diens vader. Seif heeft in Koerdistan een straf van acht maanden uitgezeten en daarna in Mahalabia nog eens een jaar. Toch is Osama’s vader de jongen zelf gaan ophalen uit de gevangenis. Waarom? ‘Zijn vader heeft geen auto en onze kinderen speelden altijd samen’, zegt hij eenvoudigweg.

Hoe zit het met zijn vertrouwen, na wat er gebeurd is? ‘Daar kunnen wij, normale mensen, niet veel aan doen. We kunnen hen alleen helpen bij het reïntegreren, en laten zien dat leven nog mogelijk is.’ Naast Seif zijn slechts twee van de jongeren die IS rekruteerde teruggekeerd, zegt hij, en wel honderden families. Wat hij daarvan vindt? ‘Ze zijn hier geboren en hebben hier hun eigendommen. Als we ze weigeren kunnen ze zich tegen ons keren. Dan is wraak mogelijk.’

Wel klaagt hij over het uitblijven van overheidssteun aan slachtoffers die hun huizen willen herbouwen, terwijl de IS-families hulp krijgen van internationale ngo’s. Toch is volgens hem alles weer normaal, ‘zoals het voor Daesh was’. Osama loopt inderdaad weer in en uit bij de buren; hij is bij beide gesprekken aanwezig. Maar praten over wat er precies gebeurd is, over schuld, pijn en spijt, dat doet niemand. Er worden geen verhalen uitgewisseld, geen excuses gemaakt. Ook op school is het geen onderwerp, zegt Osama desgevraagd. En met Seif? ‘Ik ga het uit de weg, en hij praat er ook niet over.’

‘We zouden ons nooit opnieuw aansluiten bij Daesh. We hebben gezien wat ze deden’

Op het gemeentehuis heeft de welbespraakte burgemeester Abdelrahman al-Dawla het over ‘de geest van vergiffenis’. Daar draait het volgens hem om bij het terugkeerproject, waarvan hij de motor is. ‘De gemeenschap is onderling verbonden door huwelijken en zo’, zegt hij. ‘Wij moeten ons niet gedragen als Daesh. De vrouwen, kinderen en broers hebben geen schuld. En laten we het wat de daders betreft overlaten aan de rechters.’ Daarom zag hij vanaf het begin de noodzaak van dit project, zegt hij nadat hij een stamhoofd in witte, Arabische kledij uitgeleide heeft gedaan uit de ontvangstzaal waar zijn grote bureau staat.

Al-Dawla is machtig in Mahalabia, een district met voornamelijk leden van de Turkmeense minderheid, waar hij de grootste stam leidt en met een kleine militie deelnam aan de strijd om IS in 2017 te verjagen. Hier hadden velen zich aangesloten bij de terreurgroep. Daarom zag hij na de bevrijding de noodzaak iets te doen voor de vele IS-families die tussen wal en schip terechtkwamen. ‘De pijn en verliezen waren enorm.’ Hij maakte afspraken met stamhoofden, imams, wijkhoofden en andere lokale autoriteiten voor hun terugkeer, en gaat voortdurend zelf met inwoners in het district praten om hen te masseren en problemen op te lossen.

De problemen die Nederland en andere westerse landen hebben met burgers die zich aansloten bij IS vallen in het niet vergeleken met die van Irak. Volgens cijfers die de burgemeester heeft gezien gaat het in Irak zelf om zo’n zeventienduizend Irakezen die banden hadden met IS, en vijftienhonderd strijders. Daarnaast zitten nog tienduizenden vast in Syrië. ‘We moeten voorkomen dat we meer dan achttienduizend vijanden krijgen. Dat is een tijdbom, en bepaald niet het beste voor het land. Maar de regering in Bagdad heeft geen visie over hoe we tot verzoening kunnen komen.’

Dat bood hem tegelijkertijd de mogelijkheid zelf naar een oplossing te zoeken, ‘al ligt daardoor ook alle verantwoordelijkheid bij mij’. In januari 2018 begon hij met de terugkeer van de eerste 25 families, nadat daarover overeenstemming was met slachtoffers van de terreurgroep. ‘We oefenden op niemand druk uit, en om geen scheve ogen te krijgen betaalden we de families geen compensatie bij terugkeer. We wachtten een maand, het ging goed en toen kwam een tweede groep van vijftig families. En zo door.’

In totaal konden op deze manier elfhonderd IS-families in Mahalabia naar huis terugkeren. Hulp van ngo’s als de VN-organisatie undp bij het opknappen en herbouwen van woningen en de Internationale Organisatie voor Migratie die zorgt voor (slaap)matjes, dekens en andere basisbehoeften was daarbij van groot belang, vertelt de burgemeester. ‘Als andere families protesteerden dat zij niets kregen, dan zei ik: “Je moet aan de toekomst denken, en jullie krijgen compensatie van de regering.”’ Probleem is wel dat die steun door gebrek aan visie en fondsen in Bagdad lang op zich laat wachten.

Kritiek was er ook, bijvoorbeeld van de Iraakse veiligheidsdienst, die niet betrokken was en het gevaarlijk vond. Ook de regering in Bagdad keek bezorgd toe. Over lokale tegenstand zegt Al-Dawla: ‘We ontdekten dat sommigen tegen waren omdat ze zich het huis en de eigendommen van een IS-strijder hadden toegeëigend en dat wilden houden.’ Dat speelt elders in Irak een nog grotere rol, stelt hij, waar corrupte veiligheidstroepen en politici profiteren van deze situatie.

In zijn district probeerden mensen ook te voorkomen dat de families hun land weer konden bewerken. ‘Maar ik liet ze juist toe: hoe kunnen ze anders overleven?’ Die economische component is belangrijk, vindt hij. De stad moet weer tot bloei komen, door de combinatie van eigen productie en plaatselijke consumptie. Daarom zijn er projecten om IS-weduwes aan werk te helpen en vijgen-, dadel- en olijfbomen te planten. ‘Om mensen bezig te houden en hen voor hun inkomen minder afhankelijk te maken van de overheid.’

Schoolhoofd Aydan (58) uit Hawija, ziet zich net als veel andere mannen gedwongen om in kamp Hassansham te blijven. ‘Er loopt een valse aanklacht tegen me, dat ik actief was bij Daesh’ © Eddy van Wessel

De laatste groep die onlangs terugkwam bestond uit vierhonderd IS-families, wier familieleden de gemeenschap wel rechtstreeks schade hadden aangedaan. Toch verliep dat goed. ‘Drie jaar nadat we zijn begonnen hebben we eigenlijk geen onoverkomelijke problemen’, zegt Al-Dawla tevreden. Zijn initiatief krijgt ook elders in de provincie voorzichtig navolging. En zelfs families van buiten het district worden hier nu hervestigd. Dat werkt zelfs beter, omdat er geen banden zijn en zij de bevolking niets hebben aangedaan. Niet meer welkom in Mahalabia zijn echter veertig tot vijftig families die nog bij IS zijn, zegt Al-Dawla. ‘Die leven nu in Turkije. Het zou een te groot risico zijn.’

Dan geeft hij toe dat de burgers toch niet zomaar alles accepteerden. Toen hij de IS-jongeren die hun straf hadden uitgezeten toeliet, kwamen boze burgers naar zijn kantoor. De angst voor de tieners die bij IS het hele indoctrinatieproces doorliepen was groot. Hij had geen respect voor de slachtoffers, kreeg hij te horen. Die leefden de wet na en moesten nu aanzien hoe deze criminelen vrijkwamen. ‘Ik zei: “Als we hen bestrijden of weren, gaan ze naar Daesh in Syrië of Turkije, en dan komen ze terug om ons wat aan te doen.”’

De families van de jongens waren zo bang voor aanvallen van stadgenoten dat de burgervader hun zonen in het holst van de nacht zelf thuisbracht. Uiteindelijk kreeg hij het zelfs voor elkaar dat de jongste van hen terug kon naar school. Door zijn positie te gebruiken en op mensen in te praten, zoals hij het hele project heeft gerund. Aan daadwerkelijke verzoening wordt niet gewerkt; de vergiffenis wordt vooral van bovenaf opgelegd.

‘Als we de IS-families weigeren kunnen ze zich tegen ons keren. Dan is wraak mogelijk’

Dat is op zich niet nieuw in Irak, waar de overheid na coups, opstanden en moorden altijd klaar staat met een emmer zand om de gevoeligheden mee te blussen. De Koerden hebben nooit formeel excuses gekregen voor de genocide die dictator Saddam Hoessein in de jaren tachtig tegen hen uitvoerde, en de sjiieten evenmin voor de duizenden doden die vielen nadat zij in 1991 tegen hem in opstand waren gekomen.

Hoe groot het wantrouwen is tegen jongens die zich als tieners aansloten bij IS blijkt wel in het Koerdische kamp Hassansham, waar in een aparte hoek tientallen alleenstaande jongeren wonen. Naast het dozijn tenten dat zij delen staat een jongen omslachtig met emmertjes een deken te wassen, anderen hangen wat rond of zijn gaan zwemmen in de rivier die langs het kamp stroomt.

Meestal hebben deze jongeren al een straf uitgezeten, maar ze kunnen toch niet naar huis. Zoals de twintigjarige Saadi die in een geel Fly Emirates-T-shirt in de schaduw van de gemeenschappelijke wasplaats zijn verhaal wel wil doen. Hij komt uit Sergat, een stad aan de Tigris waar velen zich aansloten bij IS. In zijn familie echter niet, zegt hij. Zijn vader, een timmerman, en zijn jongere broers hadden niets met IS. Hijzelf deed alleen af en toe klusjes voor de groep. ‘Om wat te verdienen. Ik vocht niet, heb geen eed afgelegd. Daesh huurde je gewoon in als er iets gedaan moest worden.’

Na de bevrijding kon hij gewoon thuisblijven. ‘Het Iraakse leger was er, en niemand klaagde over me.’ Maar toen hij naar de Koerdische hoofdstad Erbil ging, werd hij alsnog gearresteerd. ‘Ze hebben me anderhalf jaar gehouden voor verhoor’, zegt hij. Eenmaal vrij kon hij niet meer terug naar huis. ‘Mijn oom, die bij de federale politie zit, heeft daar een klacht tegen me ingediend. Een valse aanklacht’, zegt Saadi verontwaardigd. ‘Hij voelt zich machtig. Hij heeft hetzelfde gedaan tegen andere mensen in Sergat.’

De betrouwbaarheid van zijn verhaal is niet te controleren, en de meeste jongens hier zeggen dat ze nauwelijks iets op hun kerfstok hebben. Ook Adel Ismael (30) uit Mosul zit vast in het kamp, hoewel hij in 2017 veroordeeld is voor zijn lidmaatschap van IS. Na een beroep tegen het vonnis van tien jaar kwam hij na twintig maanden vrij. Met zijn vlotte baardje en kapsel lijkt hij niet echt op een IS-strijder. Hij heeft een eed van trouw afgelegd maar zegt dat hij arbeider was bij de groep. Daarom durft hij niet terug naar huis, uit angst opnieuw gearresteerd te worden. ‘Ik heb veel ellende veroorzaakt voor mijn gezin’, zucht hij over zijn vrouw en vijf kinderen, die nu met hem in een tent wonen. ‘We hebben hier geen toekomst. Daarom plegen sommigen zelfmoord en steken ze zichzelf in brand. Mensen zijn zo wanhopig dat iedereen hen hier kan rekruteren. Daar maken we ons echt zorgen over.’

Over zichzelf zegt hij dat hij ‘niet de juiste keuze heeft gemaakt’ en niemand zou toestaan zich nog bij de groep aan te sluiten. En als IS terug zou komen? ‘Dan vlucht ik. Daesh ziet ons nu als verraders. Nu zitten we overal tussenin.’

Dat geldt ook voor Aydan (58) , een schoolhoofd uit Hawija, die zijn volledige naam niet wil geven en zich om dezelfde reden als Adel gedwongen ziet om in het kamp te blijven. Adel kent hem, want het kamp is net een dorp. Hij zegt over hem: ‘Als hij teruggaat naar Hawija vermoorden ze hem, omdat vijf van zijn zonen bij IS zaten.’

Aydan staat jonge mannen aanwijzingen te geven die in het kamp een simpel, gelijkvloers gebouwtje voor hem aan het bouwen zijn. De ongelijke stenen bakken de mannen in de zon, uit modder van de rivier, en als het huis klaar is wordt het naar eeuwenoud gebruik dichtgestreken met dezelfde modder. ‘Misschien moeten we hier lang blijven, en dan voldoet de tent niet. Vanwege het extreme weer, maar ook vanwege het brandgevaar’, legt Aydan uit, terwijl hij wijst naar de ter isolatie met lappen stof beklede binnenzijde van de tent die hij deelt met naaste familie.

Aydan heeft de driejarige IS-bezetting thuis uitgezeten, in Hawija, dat bekendstond als een bolwerk van de terreurgroep (en daarom in 2015 door Nederlandse coalitievliegtuigen gebombardeerd en deels verwoest werd). Waar andere onderwijzers afhaakten toen de groep een radicaal, indoctrinerend schoolprogramma invoerde, bleef hij aan als hoofd. Na de bevrijding kwam hem dat te staan op een veroordeling van vijf maanden door de terreurrechter in Bagdad. Daarna werd hij naar Mosul gestuurd, want zijn naam is gelijk aan die van een gezochte IS-strijder. Maar zijn onschuld werd bewezen en hij kwam vrij. En toch kan hij niet terug naar Hawija.

‘Mensen in het kamp zijn zo wanhopig dat iedereen hen hier kan rekruteren’

‘Daar loopt een valse aanklacht tegen me, dat ik actief was bij Daesh’, zucht hij. ‘Maar als het zo was, zou ik het zeggen. Ik ben niet met Daesh. Door hen zijn mijn zonen dood.’ Volgens hem zitten de sjiitische milities achter die aanklacht, die hielpen bij de oorlog tegen IS en beheersen nu de beveiliging van Hawija. ‘Toen de milities kwamen, begonnen ze valse klachten in te dienen tegen alle Daesh-gezinnen in de stad.’

Toch zijn z’n vrouw en kinderen terug in Hawija, waar hun huis met hulp van vrienden is herbouwd. Soepel gaat hun reïntegratie daar echter ook niet. Als gevolg van hun leven onder de IS-bezetting hebben zijn kinderen nu problemen met hun officiële papieren, omdat die van IS niet geaccepteerd worden. De overheid staat hen niet toe die te vernieuwen – tot zijn vrouw een verklaring tekent dat ze zich van hem laat scheiden vanwege zijn IS-verleden. ‘Het is je reinste blackmail. Als ze dat zou doen, hebben ze een reden om me te arresteren.’

Het is een optie die veel IS-echtgenotes krijgen opgedrongen, met de belofte dat in ruil daarvoor hun problemen worden opgelost. Bij gebrek aan een geboortebewijs – dat van IS is niet geldig – kunnen hun kinderen niet naar school. Omdat hun man wordt vermist maar niet officieel geregistreerd staat als omgekomen hebben ze nog steeds overal zijn handtekening voor nodig, want zo werkt de Iraakse patriarchale maatschappij. Daardoor hebben ze ook geen recht op pensioen. Veel vrouwen weigeren echter te tekenen, omdat de verklaring door de terreurrechter gebruikt wordt als bewijs dat hun man bij IS was.

Ook de burgemeester van Mahalabia maakt melding van deze regeling, al ontkent hij dat er druk wordt uitgeoefend. Volgens hem hebben daar honderden vrouwen zich voor zo’n scheiding gemeld, en uit zichzelf verklaard dat ze ongelijk hadden om hun mannen en zonen te steunen.

In het kamp Hassansham en enkele andere kampen in Irak zitten duizenden IS-gezinnen op allerlei manieren klem. ‘We kunnen het kamp niet uit, hebben geen papieren, geen werk en geen huis. Dit is een verschrikkelijke situatie, maar het is altijd nog beter dan de gevangenis’, zegt schoolhoofd Aydan. Tegen de meeste mannen lopen thuis aanklachten – ook al zijn ze al eens veroordeeld of zelfs vrijgesproken. ‘De basis van het recht is dat je niet twee keer voor hetzelfde kunt worden veroordeeld, maar Iraakse rechters lappen dat aan hun laars’, zegt Aydan verontwaardigd.

In het drukke gouverneursgebouw in Oost-Mosul schudt vice-gouverneur Ali Omar Gabou zijn hoofd over deze kwestie. Hij ziet er voorlopig geen oplossing voor. Hij legt uit dat de veroordeelden buiten Koerdistan opnieuw worden veroordeeld doordat de Koerden geen doodstraf kennen en de Iraakse terreurwetten niet hanteren, waardoor de Iraakse regering de vonnissen niet accepteert. Daarom krijgen mannen als Aydan toestemming in plaats van hun tent een woninkje te bouwen, vertelt hij. Die meer permanente vestiging in sommige opvangkampen is echter een laatste optie, en de vice-gouverneur is er niet echt voor. ‘Mensen worden daar afhankelijk van hulp, van wat ze van de ngo’s krijgen. Sommigen mensen maken er al misbruik van; die verhuren hun huis in Mosul en wonen in het kamp.’

De vice-gouverneur, die zelf jezidi is en dus lid is van een van de meest getroffen gemeenschappen onder IS, klinkt gedreven. Ondanks alles wat de groep zijn volk aandeed probeert hij ervoor te zorgen dat in de provincie Mosul zo veel mogelijk IS-families naar huis kunnen, of anders elders worden hervestigd. In zijn bescheiden kantoor neemt hij de tijd voor het gesprek en laat geen andere bezoekers toe, waardoor die op de gang staan te wachten.

Vice-gouverneur Ali Omar Gabou is geen voorstander van meer permanente vestiging in kampen, maar met het extreme weer voldoen tenten niet

Hij is trots op het project in Mahalabia, maar ook hij klaagt over het gebrek aan visie in Bagdad, waardoor er geen allesomvattend plan is voor de rehabilitatie van IS-leden en -gezinnen. ‘Als de regering hen niet rehabiliteert, gaan ze naar andere radicale groepen en breken we de geweldscirkel nooit. Vrouwen en kinderen hebben niets met Daesh te maken. Het is hun fout niet. Als we hun probleem niet oplossen, wordt dat alleen maar groter. En daarmee het risico op nieuw geweld.’

Tegelijkertijd erkent hij dat de terugkeer van IS-families niet feilloos verloopt, omdat zij veelal problemen hebben met hun officiële papieren en vaak niet in aanmerking komen voor overheidssteun, wat zij als een extra straf ervaren. ‘Niemand krijgt op dit moment nieuwe steun in Irak, ook de slachtoffers niet’, benadrukt hij, ‘daar is gewoon geen geld voor.’ Wat de documenten betreft vertelt hij dat sommige IS-families juist geen enkele moeite doen om die te vernieuwen: ‘Dan wordt hun werkelijke identiteit bekend en blijkt dat ze gezocht worden.’

Hij verzucht: ‘Wat we tot nu toe hebben gedaan is echt een absoluut minimum.’ Want het grootste probleem komt nog: de 31.000 Iraakse IS-familieleden uit het kamp Al-Hol in Syrië die volgens afspraken met de Syrisch-Koerdische autoriteiten terug moeten naar Irak. Ook al is de algemene stemming dat ze niet welkom zijn. Van hen zijn onlangs de eerste dertienhonderd gezinnen overgebracht naar het Iraakse kamp Jedda. ‘Binnenkort beginnen we met het hervestigen van 99 families, ten zuiden van Mosul. Daarvoor werken overheid en veiligheidstroepen samen met de stamhoofden.’

Hij wijst erop dat de grote meerderheid van de Irakezen in Al-Hol als gevaarlijk bekendstaat omdat die de ideologie van IS nog aanhangt. En toch gebeurt er behalve deradicaliseringsprogramma’s in de gevangenis niets om de ideologie van radicale groepen te bestrijden. Die programma’s zijn er niet in de kampen en de kwestie wordt niet opgenomen in lesprogramma’s, want in Bagdad zijn de bestuurders er niet mee bezig. Voor hen is IS alleen een militair- en veiligheidsprobleem.

In het kamp Hassansham pleit schoolhoofd Aydan voor een generaal pardon, zoals dat in de jaren zestig is uitgevaardigd voor families van betrokkenen bij couppogingen. Want het huidige beleid leidt onder de kampbewoners tot frustratie en woede jegens de overheid. ‘Die vertelt alleen maar leugens. Hier zal de haat toenemen, en de roep om wraak zal luider worden. Dat heeft gevolgen voor de hele Iraakse samenleving. Daarom moet de regering nadenken over verzoening, en hoe die te bereiken. Maar helaas, die kant gaat ze helemaal niet op.’


Met medewerking van fixer en vertaler Faisal Jeber. Dit artikel kwam tot stand dankzij een bijdrage van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek