Voor en achter het nieuws

Tussen zeehond en Badr Hari

De ‘look & feel’ van het NOS-achtuurjournaal is dit jaar flink vernieuwd. Volgens sommigen zou het Journaal, een instituut, zichzelf getrivialiseerd hebben. Anderen zien een onvermijdelijke ontwikkeling: je moet met je tijd mee.

Het meest boude stukje nos-nieuwsverslag­geving van afgelopen maand zat in het achtuurjournaal van woensdag 24 oktober. Presentator Rik van de Westelaken leidt het in: ‘Hun grote bruine ogen, hun gladde vacht en de ­hulpeloze kleintjes die zonder moeder aanspoelen op de Nederlandse kust, daardoor vinden we ­zeehondjes maar wat schattig. Toch zijn ze de grootste roofdieren van Nederland en nu blijken ze in de Nederlandse zeeën nog gevaarlijker dan we dachten.’ Vervolgens komt er een filmpje dat begint met een vuurtoren, het strand, een lang shot van de rustieke Waddenzee, waar, zo suggereert verslaggever ter plekke Gerri Eickhof, onder de oppervlakte van het water een strijd wordt gevoerd waarbij dagelijks ‘twee tot drie slachtoffers vallen’: bruinvissen. Met een uitgestreken gezicht vertelt Eickhof dat ze dikwijls ernstig verminkt aanspoelen. En niet omdat ze door boten zijn aangevaren, maar omdat ze ten prooi vallen aan hongerige zeehonden. Elk moment hoop je een knipoog van de verslag­gever te zien, een moment van ironie, de suggestie dat hij ook wel weet dat het over zeehonden gaat, niet over losgeslagen seriemoordenaars, dat opgegeten bruinvissen niet echt ‘slachtoffers’ zijn, maar gewoon deel uitmaken van de voedselketen. Maar nee, Eickhof doet er nog een hitsig schepje bovenop: ‘Amerika kende al de killer whale, maar Nederland kent nu de “killer seal”.’ Een marinebioloog maakt het tot slot nog even af: gezien hoe groot bruinvissen zijn, is het ‘niet uitgesloten dat de mens de volgende in de rij zal zijn’. Het enige wat ontbreekt is een politienummer in beeld dat u kunt bellen als u iets verdachts in het water ziet zwemmen.

Het gekke van de reportage is dat ze in toon en onderwerp nauwelijks aansluiting heeft met de rest van het achtuurjournaal. Die dag opende de uitzending met nieuws over de schijnbaar voorspoedige onderhandelingen tussen de vvd en de pvda, waar an sich weinig over te melden valt (NOS-verslaggever: ‘Betekent dit dat het einde van de onderhandelingen nadert?’ Rutte: ‘Nee’, en weg is-ie), maar dat extra invulling krijgt door de teksten van twee vertrekkend ministers (Verhagen en Hillen) die nog eens willen benadrukken hoe belangrijk de jsf is. Het langste item in het Journaal van die avond is een reportage over de sluiting van een Ford-fabriek nabij Gent waardoor tienduizend Belgen hun baan kwijtraken. In acht minuten tijd geeft de nos de geschiedenis van autofabrieken in België en wanneer ze gesloten zijn, waarom, hoe de werknemers daarmee omgaan, hoe Frankrijk soortgelijke problemen heeft aangepakt en hoe Nederlandse autofabrieken zijn getroffen. Het is voorbeeldige televisiejournalistiek, alles wat je mag verwachten van een _Journaal-_item. Het geeft een brede context, legt de actualiteit uit en toont de impact op de levens van de werk­nemers. En daarna komen de zeehonden.

De zeehonden zijn geen toevaltreffer, al was de toon van de berichtgeving misschien iets vettiger dan normaal. De zeehonden zijn, met een beetje poëtisch inlevingsvermogen, een mooi symbool voor de tweestrijd waar het NOS-achtuurjournaal zich in bevindt, dezelfde tweestrijd waar veel gezaghebbende kranten, tijdschriften en journalistieke tv-programma’s de laatste jaren mee kampen. Aan de ene kant staan er die dagelijkse 1,9 miljoen kijkers die verwachten dat het Journaal een raam op de wereld is, degelijk, objectief en verantwoord verslag doet, waarbij het hypes links laat liggen. Met andere woorden, de doelgroep die over de sluiting van een Belgische autofabriek wil horen. Maar dat publiek vergrijst: aan de andere kant staan namelijk de talloze niet-kijkers, vooral jongeren die in eerdere generaties terwijl ze ouder werden als vanzelfsprekend het kijken naar het Journaal tot hun vaste gewoontes gingen rekenen, maar nu wegblijven. Of liever naar de infotainment-programma’s kijken van de commerciële omroepen, waar zeehonden wel een stuk sneller opduiken.

Het was die tweede groep die de hoofdredactie in gedachten had toen ze in februari van dit jaar besloot de ‘look feel’ van het Journaal flink te veranderen. De Volkskrant citeerde indertijd uit een vertrouwelijk document: ‘We slagen er minder goed in een breed publiek te bereiken: het aantal kijkers in de groep 20-49 neemt af. Anders gezegd: structureel wordt potentieel nieuwe aanwas uitgehold.’

Nu hoeft vernieuwing in het Journaal niet iets heel bijzonders te zijn: de afgelopen tien jaar is het Journaal verschillende keren vernieuwd, soms alleen het decor, of de geliefde introtune, op andere momenten meer de inhoud, steeds op zoek naar betere aansluiting bij het veranderende publiek. De meest opvallende herziening kwam in de nasleep van de Fortuyn-revolte in 2002, toen de journalistiek werd verweten al die jaren niet geluisterd te hebben naar wat ‘de gewone man op straat’ echt bezighield: ineens was de ‘vox pop’ vaste prik in elk nieuwsbericht, het praatjeplaatje waarbij de gewone man/vrouw tijdens zijn gewone man/vrouw-bezig­heden (opvallend vaak aangetroffen in winkelcentra) een microfoon in het gezicht geduwd kreeg en gevraagd werd wat hij of zij van een bepaalde nieuwsontwikkeling vond.

Maar dit jaar kon de nieuwe hoofdredacteur Marcel Gelauff op extra kritiek rekenen. Allereerst omdat hij managementtermen als ‘look feel’ gebruikte, maar ook omdat hij er niet voor terugschrok te zeggen dat het Journaal nooit een RTL Boulevard of Editie NL zou worden, maar dat ze qua presentatie nog veel van de commerciële concurrenten konden leren. Het Journaal, schreef Gelauff, miste de ‘luchtigheid en een gevoel van dichtbij en verbondenheid’. Dus waarom liepen de presentatoren niet? Waarom gebruikten ze niet gewoon spreektaal om iets uit te leggen?

Dat ruikt naar popularisering, vonden critici. Naar trivialisering, schreven anderen (en toen het vernieuwde Journaal eenmaal te zien was, vanaf 27 mei, stonden de vrouwelijke columnisten met geslepen pen klaar om zich af te vragen of anchor Sacha de Boer nu zou zijn afgevallen, omdat we nu haar benen konden zien).

In de praktijk lijkt dat behoorlijk mee te vallen. In plaats van dat Sacha de Boer sec zegt ‘per 1 januari wordt de hypotheekrenteaftrek beperkt’ zegt ze (in de uitzending van 8 november): ‘Als u toch al van plan was een huis te kopen, dan kunt u dat beter dit jaar nog doen, want als u het volgend jaar koopt gaat u misschien tienduizenden euro’s meer belasting betalen.’ Het nieuws wordt naar de kijker toe gepraat, maar de kijker wordt nog altijd keurig met ‘u’ aangesproken.

Maar trivialiseert het nieuws ook? Schuift het achtuurjournaal op richting Hart van Nederland, of RTL Boulevard? Is het, zoals tv-recensent van de Volkskrant Jean-Pierre Geelen het schimpend noemde, ‘hogere Hilversumkunde’ of ‘nieuwstheater’?

Neem een maand. Tussen 15 oktober en 15 november kwamen er in dertig uitzendingen 272 nieuwsitems voorbij, daarbij rekening houdend met het feit dat sommige nieuwsfeiten aan elkaar gekoppeld waren, zoals orkaan Sandy en haar invloed op de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Natuurlijk is het begrip non-nieuws discutabel, dus noem het de _nice to know-_berichtjes: in die periode van half oktober tot half november kon je tien items turven die bepaald geen prioriteit hadden, maar lekker vermaak gaven. Twaalfhonderd vrijwilligers spelen de slag bij Grolle (1627) na, een softballteam heeft geen sponsor en probeert zichzelf via crowdfunding te financieren, de aartshertog van Luxemburg is getrouwd, zeehonden eten vis, et cetera. Met uitzondering van overleden bekendheden (Bernlef, Hetty Blok en Will van Kralingen) waren er maar twee BN’ers die in het nieuws kwamen voor wetenswaardigheden die als ze geen BN’er waren nooit het nieuws hadden gehaald: zowel kickbokser Badr Hari als gewezen advocaat Bram Moszkowicz werd drie keer genoemd.

De enige keer dat het Journaal wel heel erg à la RTL Boulevard tegen een reclamepraatje aanleunde was bij de première van de musical over André Hazes. Om Rob Trip te citeren: ‘André Hazes was een volksheld toen hij nog leefde (…) en het was eigenlijk alleen maar een kwestie van tijd totdat hij postuum zou schitteren in een musical. En die is er nu.’

Wanneer je alle 272 items op een rij zet, kun je meer journalistieke keuzes zien. Het idee dat ‘nieuws van dichtbij’ beter verkoopt (de succesformule van Hart van Nederland, goed voor gemiddeld 850.000 kijkers) valt alles mee, al is de verhouding tussen binnen- en buitenland niet altijd even strikt; zo waren er vier berichten over de vredesonderhandelingen van de Colombiaanse farc, maar spitsten die berichten zich vooral toe op de rol van de Nederlandse guerrillastrijdster Tanja Nijmeijer. Maar dan nog: ook zonder Tanja gingen 102 van de 272 berichten over het buitenland. De meest terugkerende buitenlandonderwerpen waren de presidentsverkiezingen in de VS (11), de burgeroorlog in Syrië (10), orkaan Sandy (8), de Lance Armstrong-dopingaffaire (7), het bbc-schandaal rond Jimmy Saville (6). Zelfs met Syrië als grote uitzondering blijft de blik van het Journaal buitenproportioneel veel op de VS gericht (overigens een veelgehoorde klacht tegen de gehele journalistiek): tegenover veertig items over ‘Europees’ buitenland, van EU-tops tot Berlusconi’s veroordeling, stonden 22 items over ‘Amerikaans’ buitenlandnieuws, en dat is zonder dat Lance Armstrong wordt meegeteld.

Het vreemde is dat het NOS-Journaal zich niet direct presenteert als een nieuwsprogram­ma dat zich sterk op het buitenland richt. Een van de meest in het oog springende vernieuwingen is de intro, die de nos zelf ‘de headlines’ noemt. Het is het televisie-equivalent van wat bij de geschreven pers de ankeiler heet: de teksten onder de cover die melden wat er behalve het coveronderwerp nog meer voor interessants in het blad staat. Voorheen zag je bij het Journaal alleen nieuwsbeelden voorbij komen en hoorde je de voice-over van de anchor die kort uiteenzette wat de belangrijkste onderwerpen waren, daarna kwam de introtune, daarna begon het nieuws. Nu komt meteen de presentator in beeld, staand, die vaak met een zekere ironie, of kwinkslag, een onderwerp introduceert.

In de dertig geturfde Journaals werden zodoende negentig items al in de intro behandeld; 21 keer werd daarin buitenlands nieuws genoemd, wat neerkomt op 23,3 procent, terwijl 102 buitenlandberichten van de 272 berichten in totaal 37,5 procent is. Ook nieuws heeft z’n marktwaarde. Juist in dit soort kleine dingen zie je hoe het achtuurjournaal weet dat het ene nieuwsfeit meer potentiële kijkers heeft dan het andere; voorzover je als kijker kunt beoordelen betekent dat niet dat minder verkoopbare onderwerpen, for lack of a better word, minder aandacht krijgen, alleen worden ze niet meteen aan de kijker gepresenteerd. Opvallend is bijvoorbeeld dat waar Syrië maar drie keer in de intro werd genoemd (van de tien), Sandy alle zeven keer werd genoemd. New York is bekend, Syrië is eng – de afweging lijkt snel gemaakt. Of in de uitzending van donderdag 1 november, waarin Rob Trip in de intro niets meldt over een bijzondere reportage uit het van de wereld afgesloten Taliban-gebied Waziristan, Pakistan, maar wel verhaalt over een inval bij Chinese massagesalons in Nederland, ‘waar niet alleen’ (Trips wenkbrauwen gaan omhoog) ‘wordt gemasseerd’.

Het opmerkelijke is dat de gehekelde term ‘look feel’ buitengewoon goed past bij hoe we het Journaal beleven. Ons vertrouwen in een actualiteitenprogramma is natuurlijk deels rationeel – is het programma goed geïnformeerd? – maar voor een groot deel ook niet. Tot voor kort werd altijd vastgehouden aan het beeld van de anchorman als instituut. Hij is vertrouwd, maar toch op afstand, hij is het gezicht dat op vaste tijden in de woonkamer te zien is, als een oude huisvriend, en tegelijk is hij de man naar wie een land met ingehouden adem kijkt als er rampen zijn en paniek heerst. In die hoedanigheid is de anchorman een vast deel van het teloorgang-van-de-journalistiek-narratief, het verhaal dat de media hun objectiviteit en betrouwbaarheid hebben verloren die ze ooit hadden. Het rolmodel is altijd de Amerikaan Walter Cronkite, ‘the most trusted man in America’, decennialang de onkreukbare presentator van het cbs-journaal. Pas toen hij een fractie van een seconde iets leek weg te slikken, zijn bril afdeed, en daarna mededeelde dat John F. Kennedy was overleden, durfden kijkers het te geloven. Liefhebbers van zulke Americana dissen graag het ‘Cronkite Moment’ op, toen Cronkite zijn beroemde Report from Vietnam uitzond in 1968, waarin hij zich, geheel tegen zijn gewoonte in, tot de kijker richtte en deze keer zijn eigen mening gaf: het is mijn persoonlijke overtuiging dat ‘the bloody experience in Vietnam’ onmogelijk in een Amerikaanse overwinning zal kunnen eindigen. De reportage zou niet alleen de publieke opinie definitief tegen de oorlog hebben doen keren, ze zou ook president Johnson ervan hebben overtuigd zich niet opnieuw verkiesbaar te stellen.

Zoals dat hoort bij iconen valt er een gat tussen de legende en de werkelijkheid. Uit de dit jaar verschenen biografie (Cronkite, door Douglas Brinkley, HarperCollins) blijkt dat Johnson Report from Vietnam nooit heeft gezien; op het moment van uitzending was hij niet thuis. Sterker nog, van de drie grote nieuwslezers op de Amerikaanse televisie was Cronkite misschien de meest vertrouwde, maar ook de minst bekeken. En als je Cronkite’s journalistieke cv vergelijkt met dat van verschillende radio- en tv-journalisten van zijn generatie, ondanks zijn bijzondere oorlogsreportages vanuit bezet Europa, dan valt het op dat hij sterk op hun talenten leunde (met name die van Edward R. Murrow).

Hoe graag we in het continu gevoerde debat over de teloorgang van de journalistiek ook spreken over de nauwkeurigheid en professionaliteit van nieuwsredacties van weleer, televisie is een massamedium en daarin is betrouwbaarheid niet iets wat je bij je publiek wint op ratio. Het is de geloofwaardigheid van het nieuwsprogramma dat alles bepaalt; de journalistieke merites zijn niet doorslaggevend, zie Cronkite, of voor het omgekeerde effect, zie Christine Craft. In zijn klassiek geworden essay over het effect van vermaak en televisie op nieuws en het publieke debat, Amusing Ourselves to Death: Public Discourse in the Age of Show Business (1985, Penguin Books), besteedt Neil Postman aandacht aan het droevige lot van Craft, een journaliste met een fris gezicht en een goed cv, die werd aangenomen als anchor bij een tv-station in Kansas. Een jaar later werd ze ontslagen toen kijkonderzoek uitwees dat ze leed aan ‘hampered viewer acceptance’, wat erop neerkwam dat kijkers haar ongeloofwaardig vonden. Je kunt het alleen als een toneelstuk benaderen: de acteur speelt zijn rol niet goed genoeg. Postman noemt het ‘de casting van het nieuws’.

Eenzelfde soort lijn is terug te vinden in de studie die Irene Costera Meijer, inmiddels hoogleraar journalistiek aan de Vrije Universiteit, in 2006 uitvoerde in dienst van de nos, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het Journaal. Het werd gepubliceerd onder de titel De toekomst van het nieuws (Otto Cramwinckel Uitgever). Voor het (onafhankelijke) onderzoek werden enkele honderden jongeren tussen de vijftien en 25 geïnterviewd, de doelgroep die Gelauff wil bereiken, en gevraagd naar hun redenen om wel of niet naar het Journaal te kijken. Een van de paradoxen van de gesprekken is dat ze het NOS-achtuurjournaal hoger aansloegen dan de nieuwsuitzendingen van de commerciële omroepen, maar dat ze alsnog liever naar de commerciëlen keken – Hart van Nederland scoorde hoog – ‘omdat het lekker weg keek’. Wat bepaalde het verschil in waardering? In hun antwoorden maakten de jongeren duidelijk verschil tussen ‘echt nieuws’ en ‘nepnieuws’: echt nieuws was saai maar relevant, en werd voorgelezen door een meneer met stropdas achter een bureau. ‘Nepnieuws’ was vermakelijk en werd aan je verteld door iemand die je broer of je cafévriend kon zijn.

Het is de vraag of Marcel Gelauff Costera Meijers conclusies heeft gelezen (zijn voorganger, Hans Laroes, schreef het voorwoord van de studie). Afgaande op de door hem geformuleerde doelstellingen – minder stijf, persoonlijker – om juist jongeren te bereiken, zou je moeten concluderen dat het Journaal voor de jongere doelgroep eerder een stap richting ‘nepnieuws’ gezet zou hebben. Maar als je een maand naar elke uitzending kijkt, zie je dat het Journaal dat niet heeft gedaan. Het is inderdaad, zoals Geelen schreef, ‘nieuwstheater’ – maar dat pakt juist beter uit. De anchors (meestal Trip of De Boer) staan er ontspannen bij, maar ze staan er gemaakt ontspannen bij. Hun rug blijft recht. Ze praten minder formeel, maar ze praten nog steeds in keurige volzinnen. De Boer heeft het over ‘uw hypotheek’. Tussen de kijker en de presentator zit een nieuw soort afstand: het is de baas van wie je ‘je’ mag zeggen, maar die nog steeds heel nadrukkelijk je baas is. Heel modern, maar de rolverdeling is hetzelfde gebleven.

Kijkcijfers

De ochtend_-journaals_ werden vorig jaar dagelijks gemiddeld door 200.000 mensen bekeken, het zesuurjournaal trok een miljoen kijkers en het journaal van 22 uur zo’n 600.000. Het best bekeken is nog steeds het achtuurjournaal met 1,9 miljoen kijkers in 2011. Over het algemeen scoort het daarmee enkele honderdduizenden kijkers beter dan het halfachtnieuws van RTL, de grote concurrent.

Het beste scoort de NOS bij evenementen en rampen, maar ook op de zondagavonden dat het ingeklemd zit tussen Studio Sport en Boer zoekt vrouw. In 2011 haalde een uitzending van het NOS-Journaal de tweede plek van best bekeken programma’s van dat jaar. Dat was op zondag 30 januari 2011, toen de revolutie woedde in Egypte, de nasleep van de vliegramp in Tripoli nog speelde, maar vooral de avond dat Boer Richard de waarheid op tafel legde. Dat Journaal werd door 3,9 miljoen mensen bekeken. Naar Boer zoekt vrouw, dat daar direct op volgde, keken 5,4 miljoen mensen.

Kosten

Toenmalig hoofdredacteur Hans Laroes gaf in 2010 openheid over de kosten van de NOS, want de omroep is immers ‘eigendom van iedereen’. Het totale budget van NOS Nieuws – dat tv, radio en internet bedient – was in dat jaar ruim 47 miljoen euro. In 2006 was dat nog vier miljoen euro meer. Tweederde van het budget gaat op aan de 368 werknemers, en nog eens negen procent aan correspondenten. Hiervan werd zo’n 25 miljoen uitgegeven aan tv, waarvan 43.500 minuten Journaal (zonder herhalingen) gemaakt werden. Dat is minder dan zeshonderd euro per minuut NOS-Journaal.