Tussen zijn en niet-zijn

Bescheidenheid is het handelsmerk van Sem Dresden (1914-2002), bij leven hoogleraar Franse letterkunde en algemene literatuurwetenschap te Leiden. Ondanks zijn imposante wetenschappelijke productie en navenante reputatie laat hij geen gelegenheid voorbijgaan om te benadrukken hoe weinig hij eigenlijk weet van het onderwerp waarover hij, zoals de ondertitel van Wat is creativiteit? (1987) aangeeft, slechts een essay heeft geschreven, dat desondanks ruim driehonderd pagina’s telt. Inderdaad slaagt Dresden er niet in eenduidig de aard van creativiteit te omschrijven, maar de wijze waarop zijn project min of meer mislukt getuigt van een jaloersmakende durf, eruditie en, hoe kan het ook anders, creativiteit. Daarmee hebben we meteen een leidmotief van het boek te pakken: wie creativiteit onderzoekt doet in feite hetzelfde als een kunstenaar die creativiteit in praktijk brengt.
In het eerste hoofdstuk constateert Dresden dat er door psychologen veel empirisch onderzoek naar creativiteit is gedaan, dat helaas weinig zegt omdat men daar uitgaat van een vooropgezet, en dus toetsbaar idee van datgene waarnaar men zoekt: gewoonlijk wordt creativiteit beschouwd als een vorm van problem solving. Daar komt bij dat experimenten in een laboratorium nauwelijks zijn te vergelijken met hoe een kunstenaar in zijn atelier of achter zijn schrijftafel te werk gaat. Vervolgens zoekt Dresden het in de cultuurgeschiedenis, om te beginnen in de klassieke Oudheid en de Renaissance, waar zich het probleem voordoet dat er geen woord voor creativiteit bestond. Voordat het leerstuk van de creatio ex nihilo in de Middeleeuwen door de kerk werd aanvaard, stelde men zich voor dat zelfs goddelijke machten hun scheppingen op modellen baseerden, zoals ook kunstenaars hun ambacht van voorgangers leerden. Vrije creativiteit, spontaan voortvloeiend uit het innerlijk van de dichter of schilder, lijkt pas te ontstaan in de Romantiek, maar ook dan is de praktijk weerbarstiger dan de theorie: ook Lord Byron, Caspar David Friedrich en Gustav Mahler kennen hun klassieken. In zijn schets van de Europese cultuur laat Dresden keer op keer zien hoe genuanceerd er over scheppend kunstenaarschap is nagedacht.
Opmerkelijk genoeg laat hij in het laatste hoofdstuk iets van zijn voorzichtigheid varen en benadert hij het verschijnsel op een steeds persoonlijker, zij het scrupuleus tastende manier, om uiteindelijk toch tot een soort definitie te komen. Creativiteit doet zich voor ‘als voortstuwende en gespannen kracht (…), bevindt zich tussen zijn en niet-zijn, en verwerkelijkt zich alleen maar voorlopig in een werk’. Voor boeken als het onderhavige werd Dresden vlak voor zijn dood de P.C. Hooftprijs toegekend.

S. Dresden, Wat is creativiteit? Een essay, Meulenhoff, 1987