Vrouwen van twintig worden meisjes van veertig

Tussen zweven en zwaartekracht

Wat maakt vrouwen mooi? Hoe subjectief dat is laten drie fotografen zien met een serie portretten. Van een erotisch kronkelende muze, via een rijper «meisje», naar een dame met diepe sporen van de zwaartekracht op lichaam en gelaat.

Er valt heel wat te discussiëren over het proces van oud worden. Maar om kort te gaan: de vrouw heeft veel meer te verliezen dan de man. Zij raakt na ongeveer haar veertigste een van haar belangrijkste wapens kwijt: uiterlijke schoonheid en de mogelijkheid om nog (makkelijk en risicoloos) zwanger te worden. Beide zijn biologisch gezien met elkaar verbonden: omdat de vrouw minder vruchtbaar is, hoeft ze, banaal gesteld, niet meer op de markt te strijden om spermatozoïden te bemachtigen middels allerlei natuurlijk geconstrueerde aantrekkelijkheden, zoals volle lippen, vooruitstekende borsten, ronde wangen, volle billen en grote wijde ogen. Met het tikken van de biologische klok begint de zwaartekracht genadeloos te werken op lichaam en gelaat: alles zakt in de richting van de aarde waarin het lichaam ooit terecht zal komen.

Voor de meeste vrouwen is deze onherroepelijke ontwikkeling een hard gelag. Of zij nu lelijk zijn, geen kinderwens hadden, lesbisch, feministisch of intelligent zijn — alle vrouwen kijken op een zekere ochtend bezorgd, zo niet paniekerig, in de spiegel naar de eerste sporen van fysieke aftakeling. Mannen doen dat natuurlijk ook, maar daarbij spelen andere dingen door het hoofd. Mannen maken rond hun veertigste eerder een balans op van hun maatschappelijke status-quo, waarbij ze soms diep wegzinken in een duister gevoel van «is dit alles wat er is?» — de bekende midlifecrisis. De eerste fysieke ouderdomsverschijnselen, zoals grijs haar bij de slapen, kraaienpootjes en zwembandjes rond het middel, worden door de samenleving en dus door de mannen zelf opgevat als een vorm van winst: het zijn tekenen van macht, wijsheid en levenservaring. Hoe belachelijk dit gegeven rationeel beschouwd ook is, zo werken sekseverschillen nu eenmaal bewust of onbewust door in de beleving van de persoonlijke existentie. Feministe Germaine Greer (64) mag nog zo hard jubelen over de adolescente jongen met dons op de kaken, iele schouders en een borsthaarloze torso — zoals ze onlangs deed in haar boek De jongen — het is een uitzondering dat de oudere vrouw een dergelijke jongeling weet te strikken om haar bedfantasieën in praktijk te brengen.

De vrouw na haar veertigste is het centrale thema van twee recente fototentoonstellingen van de Nederlander Bob Bronshoff en de Vlaams Lieve Blancquart. Beide fotografen publiceerden hun serie vrouwenportretten ook in boekvorm, begeleid door teksten van vrouwelijke ervaringsdeskundigen in het passeren van de magische grens van veertig jaar. Uit de projecten van Bronshoff en Blancquart blijkt dat vrouwen het (aanvankelijk) niet leuk vinden om onder ogen te moeten zien dat er definitief een andere fase in hun leven aanbreekt.

In Vlaams cultureel centrum De Brakke Grond vond vorige week een gesprek plaats met de vier makers onder leiding van de zelfbenoemde diepte-interviewer Frénk van der Linden. De Vlaamse fotografe (41, twee kinderen, samenwonend) had een radicale visie: «Ik vond het vreselijk om veertig te worden. Ik kreeg een gevoel dat het met me was gebeurd, dat de algehele afwijzing was begonnen. Het doet veel pijn om niet meer het meisje te zijn dat ik was en eigenlijk nog steeds ben. Seksualiteit wordt anders, de natuurlijke flirt in de openbare ruimte met een passant valt weg. Als vorm van zelftherapie besloot ik oudere vrouwen te fotograferen. Het heeft me geholpen om snel door een rouwproces heen te komen. Ik wilde mijn eigen fysieke toekomst vastleggen.»

Lieve Blancquart zette in twee weken tijd veertig vrouwen tussen de veertig en een jaar of tachtig voor de camera in haar studio in Gent. Ze plukte haar modellen van de straat, ontdeed ze van hun persoonlijke toevoegingen, zoals een bril, sieraden of make-up, waardoor hun sociale context wegviel. Nadat ze door een visagiste op dezelfde manier licht waren opgemaakt, werden ze met ontblote schouders tegen een pastelblauwe achtergrond geplaatst.

De galerij van veertig roze bustes vol rimpels maar met ogen als heldere glazen knikkers brengt in de eerste instantie een schok teweeg. Wat een toonbeeld van ultieme teloorgang van schoonheid! Bestudering van de individuele portretten maakt het er niet beter op: vooral al die groeven die als huidsnoeren om de hals tot aan het oor hangen, zijn confronterend. Net als de diepe lijnen om de mond: ze maken de vrouw misprijzend en streng. De fotografe en de tekstschrijfster, Betty Mellaerts, zien dat anders, getuige de inleiding bij het boek: «Deze vrouwen zijn altijd iemands moeder, dochter, geliefde, maar na de veertig zijn zij ook en vooral zichzelf. Ze hebben alles en niets te verliezen. Ze zijn trots maar zacht.»

Daarover zegt Lieve Blancquart in het interview: «Ze hebben me getroost. Nu ben ik nog mooi, daar moet ik iedere dag van genieten. Je zet steeds weer een nieuwe stap, dat hebben deze vrouwen mij geleerd. Het gaat meer om het innerlijk. Om vriendschappen, goede seks en niet om een korte flirt.»

Beide vrouwen zijn de worsteling voorbij. In de foto’s is dat terug te zien. Wie langer naar ieder portret kijkt, ziet dwars door de huid van craquelé, pathetisch gesteld, de ziel naar voren komen. Dat maakt de vrouwen op de foto’s intrigerend en — inderdaad — ook mooi.

In het boek van Bob Bronshoff zitten de vrouwen nog midden in dit proces. De discrepantie tussen de visie op dit onderwerp van de fotograaf en van de schrijfster, Marja Pruis, is veelzeggend. Bronshoff (45, twee tienerdochters, getrouwd) zegt dat hij twee jaar geleden zijn generatie vrouwen begon vast te leggen omdat hij vindt «dat ze in de fase tussen hun veertigste en vijftigste op hun allermooist zijn». Hij bewondert deze vrouwen om hun levenskunst: «Ze zijn nog steeds meisjes maar toch ook weer niet. Ze staan volop in het leven. Hun levens zijn voor een deel bepaald door keuzes uit het verleden, en liggen voor een ander deel nog open voor de toekomst. Ik vind ze juist spannend en aantrekkelijk.»

Bronshoff heeft, uiteraard, «zelf geen enkel probleem met leeftijd». En hij ziet dat ook niet in «zijn» meisjes: vrouwen die weliswaar afscheid nemen van hun jeugd, maar bij wijze van spreken nog in minirokje op rollerskates met een rugzakje om door de straten van Amsterdam snellen.

Bob Bronshoff portretteerde ruim veertig vrouwen uit zijn eigen kring. Hij zette ze bewust neer in hun dagelijkse context. In zwart-wit afgedrukt maakte hij van ieder een tweeluik, als «symbool van de volheid van hun bestaan waarin ze verschillende rollen tegelijk spelen». De vrouwen zijn geconcentreerd aan het werk of volledig in ontspanning. De een zit tussen de kinderen te telefoneren, de ander ligt met barensweeën in het ziekenhuis. Stuk voor stuk zijn het portretten van vrouwen in de bloei van hun bestaan, zonder opsmuk levensecht neergezet. Bij deze veelal hoog opgeleide, urbane, voortvarende types draait het zichtbaar om schipperen met tijd en verdelen van aandacht. Ze zijn gericht op hun kinderen, relaties en werk, maar ook hebben ziekte en dood hun pad gekruist.

Marja Pruis (43, twee kinderen, getrouwd) schrijft over verwarring, verlies en aanvankelijke wanhoop. Zij heeft geprobeerd de ambivalentie van haar generatie genoten — allen geboren in de hoogtijdagen van het ik-tijdperk en de tweede feministische golf — tot uitdrukking te brengen. «Het is een gevoel van verlies van jeugdigheid, maar tegelijk een ervaring van wakker worden», zegt ze tijdens het interview. «Voor je veertigste ben je in gevecht met de manier waarop je wel of juist niet wenst te voldoen aan verwachtingspatronen over uiterlijk. Vanaf heel jong wordt mooi-zijn positief beoordeeld. Als meisje heb je geleerd je te richten op waar dering. Na je veertigste valt die strijd van je af. Maar tegelijk wil je, bij wijze van spreken, nog altijd een lekker wijf blijven.»

Bronshoff onderbreekt: «Nee, die leeftijd is voor een vrouw geen waterscheiding, het begin van het einde.» In zijn portretten maskeert Bronshoff niet dat het gaat om vrouwen met de eerste sporen van ouderdom. In zijn beleving zijn het dan misschien meisjes, zelf voelen de vrouwen dat niet echt zo, getuige de tekstuele compositie van interviews die Marja Pruis met Bronshoffs modellen hield en de boeken die ze over het onderwerp las.

Zo haalt ze Simone de Beauvoir aan, die enorm kampte met het ouder worden, in tegenstelling tot haar beroemde man, Jean-Paul Sartre. Ondanks zijn legendarische lelijkheid — hij was zeer klein van stuk en droeg een bril met jampotglazen — kreeg hij tot op hoge leeftijd vrouwelijk schoon achter zich aan vanwege zijn erudiete geest. Onderwijl trachtte De Beauvoir te ontsnappen aan haar vrouwelijke lotsbestemming door haar onwillige haar weg te werken onder een sjaal en uren te wandelen om een beginnend buikje kwijt te raken. In haar wereldberoemde boek De tweede sekse (een bijbel voor de generatie veertigers van nu) schreef ze somber: «Terwijl de man geleidelijk aan veroudert, wordt de vrouw plotseling haar vrouwelijkheid ontnomen. Zij is nog jong als ze haar erotische aantrekkingskracht verliest en zo ook haar vruchtbaarheid waaruit zij, in de ogen van de maatschappij en in haar eigen ogen, de rechtvaardigheid van haar bestaan en haar kansen op geluk putte. Van iedere toekomst beroofd heeft ze nog ongeveer de helft van haar volwassen leven te leven.» En: «Vrouwen zouden hun narcisme moeten zien te beteugelen en ermee op moeten houden zichzelf weerspiegeld te zien in de ogen van de ander.»

Voor de veertigers van nu ligt het toch iets anders. Hun moeders waren op die leeftijd «dames» met een kapsel en een mantelpakje. De dochters, geboren tussen 1953 en 1963, noemt Marja Pruis langbloeiers, met als rolmodel de telkens in nieuwe gedaantes opverende popster Madonna. Zij staat voor energiek, ambitieus en sexy — een vrouw die ondanks alle roem, rijkdom, schoonheid en aanbidders laat weten dat ze later herinnerd wil worden als een goede moeder, vrouw en vriendin. Marja Pruis: «Anders dan vele andere vrouweniconen lijkt zij meester van haar lichaam te zijn.»

Het beteugelen van het verval lijkt steeds meer de norm te worden. Het blijft al lang niet meer bij een potje antirimpelcrème of een uurtje zweten in de sportschool. Steeds meer vrouwen vinden de weg naar liposuctie- en botoxstudio’s of belanden in de klauwen van cosmetisch chirurgen die «spectaculaire resultaten» beloven. Wie zich de verstijfde mimiek van ex-Earth & Fire-zangeres Jerney Kaagman voor de geest haalt, beseft dat zo’n kunstmatige Venus eerder een schrikbeeld is.

De vraag die alle vrouwen in beide boeken uiteindelijk stellen is of ze moeten meegaan met de verregaande schoonheidsterreur van «forever young», of het onherroepelijke proces van fysiek uitzakken maar beter kunnen relativeren. Tijdens het interview roepen de drie vrouwen in koor: «Als je het kunt loslaten, is dat enorme winst. Het is een bevrijding.» Marja Pruis verzucht: «Als vrouwen van twintig konden we niet vermoeden ooit meisjes van veertig te worden.»

Over die leeftijdsgroep verscheen onlangs óók een boek, gemaakt door twee mannen van ongeveer veertig. Fotograaf Eric van den Elsen en schrijver Ronald Giphart selecteerden hun heldinnen op basis van uiterlijke perfectie. De twaalf modellen zijn allen beroepsmatig gefixeerd op hun lichaam. Ze zijn ver verwijderd van de eerste rimpels. Ze zweven strak, rond en slank door het leven. De makers bejubelen in hun boek deze onbereikbare, onbegrijpelijke, prachtige wezens. Ze liggen naakt en begeerlijk te kronkelen op een bed, staan hijgend onder de douche, springen omhoog in een open veld of zitten verveeld in een «the day after»-pose aan het ontbijt. Soms worden ze omringd door hitsige mannen in pak, of liggen ze als een Doornroosje in al hun pracht te slapen.

Alles verwijst naar erotiek. Het zijn opwindende foto’s, die zo in glossy tijdschriften als Elle of The Face zouden kunnen staan. In de inleiding schrijven de mannen over zichzelf: «Wij voelen ons gerijpt, knap en welgesteld en straks, vroeger, zouden we met twee of meer vrienden de stad in gaan om dat gevoel met anderen te delen. Dan zouden wij jongens uit veroverland hen meisjes uit betoverland ontmoeten.» Ze citeren uit Nancy Etcoffs boek Survival of the Prettiest: «Diep in ons hart weten we allemaal: niemand kan weerstand bieden aan een mooi uiterlijk.»

Alledrie de fotoboeken zijn op een eigen manier mooi. Ze geven de fases van de levenscyclus weer: de eind-twintigers, lichamelijk en geil; de veertigers, die worstelen met het verlies van hun jeugd, en de oude vrouwen met een lang leven achter zich voor wie het uiterlijk van ondergeschikt belang is. Tussen zweven en zwaartekracht wordt de naakte ziel ontbloot. Niet pijnlijk. Zo is het nu eenmaal.

Betty Mellaerts en Lieve Blancquaert

Vrouw

Lannoo, 240 blz., € 24,95

Ronald Giphart en Eric van den Elsen

Heldinnen

Podium, 272 blz., € 35,00

Bob Bronshoff en Marja Pruis

Meisjes van veertig

Mets & Schilt, 143 blz., € 25,00