Interview Sybren Piersma, fractievoorzitter PvdA Amsterdam

Tussenpausen zijn niet machteloos

Sybren Piersma is de nieuwe fractievoorzitter van de Amsterdamse PvdA. In de kunstwereld en elders was hij de ideale voorzitter; in de politiek is hij een onbekende. «Ik zit meestal rond het midden.»

Sybren Piersma is tot fractieleider van de PvdA in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen en weet dus dat hij af en toe in de publiciteit moet treden, maar een interview geven vindt hij «een beetje ijdel». Hij slaagde erin, als voorzitter van de universiteitsraad van de Universiteit van Amsterdam, als voorzitter van de VPRO en als bestuursvoorzitter van talloze kunstinstellingen om buiten de schijnwerpers te blijven, en daar is hij nog steeds trots op. Hij droeg geen meningen uit, maar wilde «ruimte geven aan kunstenaars, wetenschappers en programmamakers». Men noemt hem een onorthodoxe politicus. Hij stemde tegen de stadsdeelraad Binnenstad. En nu leidt hij de Amsterdamse PvdA. Hij wil eerlijkheid, duidelijkheid en openheid in de politiek. Hij houdt niet van het gekonkel waar de PvdA berucht om is.

Sybren Piersma is 64 jaar. Volgend jaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Is hij als fractievoorzitter een tussenpaus? Hij glimlacht: «Het correcte antwoord is dat een democratische commissie van de PvdA-Amsterdam gaat beoordelen wie straks de kandidaten voor de gemeenteraad zijn. Maar inderdaad, 95 procent kans dat ik het niet langer zal doen dan één of anderhalf jaar. Ik kan moeilijk afstand doen van werk, daarom wil ik het laatste jaar voor m’n pensioen nog eens ontzettend hard aanpakken, zodat ik er schoon genoeg van krijg.

Tussenpausen zijn niet machteloos. Er is voor mij weinig reden om in deze functie niet mezelf te zijn. Ik kan meer risico’s nemen omdat mijn bestaan niet meer wordt bedreigd. Wat zouden m’n ambities nog moeten zijn? Ik hoef geen image op te houden, daar ben ik trouwens nooit goed in geweest. Ik heb niet in m’n hoofd wat ik hierna nog zou willen; ik doe wat ik denk dat okee is voor de stad.»

U hebt in de gemeenteraad, anders dan het overgrote deel van de fractie, tegen de instelling van een stadsdeelraad voor de Amsterdamse binnenstad gestemd. Daar komt nu een referendum over.

«Ik zal nog één keer helder zeggen wat ik daarvan vind en dan moet iedereen dat verder maar in jouw artikel nalezen. Toen ik bij de universiteit werkte, was men daar bezig te decentraliseren, aangezien de zaak bestuurlijk was vastgelopen. Maar ’s avonds, bij het VPRO-bestuur in Hilversum, was men juist aan het centraliseren, ook omdat het bestuurlijk was vastgelopen. Aan die golfbeweging van decentraliseren en centraliseren kun je kennelijk geen absolute waarde hechten.

Ik ben niet per se tegen de stadsdeelraden. Waar het mij om gaat, is dat je heldere afspraken moet maken over wie wat doet, en die afspraken zijn nu niet helder. Het strategische beleid, de vraag wat je wilt met de stad, de samenhang en de regie horen thuis bij het gemeentebestuur, gecontroleerd door de gemeenteraad. Die zaken moeten niet bedisseld worden in een overleg tussen wethouder Van der Aa en de stadsdeelraadvoorzitters. Wat mij betreft zou het meer op een hoofdkantoor met filialen moeten lijken. Die filialen mogen buitengewoon veel zelfstandigheid hebben, maar moeten niet contraproductief worden. Daarom stemde ik tegen een stadsdeelraad Binnenstad. Het Amsterdamse centrum is een erg kwetsbaar gebied, en het is van iedereen. Met onduidelijke afspraken kun je beter niet aan een stadsdeel beginnen, want je zult merken dat zo’n stadsdeel nog in effectiever wordt dan de andere stadsdelen.»

Maakt zo’n stadsdeel Binnenstad in de praktijk veel verschil?

«Er zal in de binnenstad niet veel veranderen. Sommige mensen vinden het toerisme te overdadig, maar Amsterdam heeft dat bitter hard nodig. Die toeristen komen er niet alleen voor dingen die ze thuis niet mogen, maar ook voor onze musea en culturele instellingen. Natuurlijk, er zullen ook dingen beter gaan onder zo’n stadsdeelraad; het bestuur komt dichter bij de mensen. Maar het gaat in deze stad om miljarden guldens, dan moet je niet gaan decentraliseren als je niet eerst de boel op orde hebt.»

Vonden ze het in de PvdA lastig dat u tegen zo’n belangrijk beleidspunt hebt gestemd?

«Dat vond niemand prettig. Ze vonden dat ik me moest verantwoorden bij de partij. Er is een hele fuss over gemaakt, maar ik vind dat niet erg. Ik ging naar de vergadering en legde uit waarom ik tegen was. Daarna hebben we met z’n allen vrolijk een pils gedronken. Ze zijn er niet gelukkig mee, maar er is in de Amsterdamse PvdA voldoende openheid. Als je je ergens druk over maakt, kom je niet in een rare dwangpositie terecht. Bouwe Olij, de voorzitter van PvdA-Amsterdam, heeft de boel hier zo georganiseerd dat het een levendige partij is met goede en open debatten. Hij is nu kandidaat voor het voorzitterschap van de landelijke partij. Ik hoop dat hij het wordt. Hij is iemand die de partij kan opbouwen tot meer dan een verzameling ambitieuzen die allemaal ergens een positie nastreven. Hij is een dwarse en lastige man. Dat is uitstekend.

Gerard van Westerloo heeft over de PvdA-fractie in de Tweede Kamer een goed artikel geschreven in het magazine van NRC Handelsblad, maar het beeld van volgzaamheid en partijdwang dat daaruit oprijst, herken ik niet. Ik heb in Amsterdam nog nooit iemand met meel in de mond horen praten, zoals in Den Haag. Toen ik drie jaar geleden voor het eerst in de gemeenteraadsfractie kwam, was ik verrast door de felle discussies.»

Het is niet meer Brezjnev aan de Amstel, zoals de Amsterdamse PvdA vroeger in De Groene werd genoemd?

«Er zijn generaties gekomen die veel minder dat angsthazerige gedrag hebben en die vrijmoedig hun eigen mening verkondigen. In de jaren zeventig en tachtig heerste er in Amsterdam een benepen, autoritaire, neerdrukkende, zure atmosfeer. Ik ben toen hard weggelopen, ook vanwege de lege pretenties van Nieuw Links. Nu is de sfeer veel opener. Een probleem is wel, en dat geldt voor de hele gemeenteraad, dat de raadsleden veel te veel werk op hun bord krijgen en alleen maar kunnen reageren op wat de ambtenaren hebben voorbereid. Er is nooit tijd om rustig achterover te leunen en je af te vragen: wat wilden we ook al weer precies? Je bent als gemeenteraad veel te veel een scha keltje geworden in een bureaucratisch proces.»

Piersma werd in 1937 in Friesland geboren als zoon van de doopsgezinde dorpsbakker van Oldeboorn. Een dromerig jongetje dat bang was voor de Duitse soldaten omdat die eenden doodschoten en opaten. Als enige uit z’n dorp ging hij na de middelbare school in Amsterdam studeren. Hij meldde zich aan voor de nieuwe studie politieke wetenschappen en kwam automatisch in het corps terecht; hij wist niet beter dan dat je ontgroend moest worden. Hij wilde journalist worden. Maar toen hij als wetenschappelijk medewerker van professor Daalder in Leiden artikelen moest publiceren, kreeg hij last van faalangst.

Hij had interesse voor de opstandige beweging in de jaren zestig, ook al was hij er eigenlijk te oud voor: «De provo’s, ik heb nachtenlang met ze zitten praten. Ik vond ze sympathiek maar ik kon hun optimisme niet delen. Ik geloof niet dat je alle problemen ooit kunt oplossen, daarvoor schuilt er te veel kwaadaardigheid in de mens. Van Montesquieu heb ik geleerd dat je de goed geordende rechtsstaat en de scheiding van machten nooit moet opgeven vanwege een geloof in de goedheid van de mens. Daaruit is veel vreselijks voortgekomen. Toch werd ik ondanks m’n pessimisme sociaal-democraat en werd ik 25 jaar geleden lid van de pvda. Ik vind dat je je uiterste best moet doen om er met elkaar iets van te maken, ook als je niet gelooft dat het ooit allemaal goed komt.»

Hij werd studentendecaan, zette aan de universiteit van alles op — voorlichting, een introductieperiode, Crea — en werd als opvolger van Annemarie Grewel («Ik heb m’n hele leven Annemarie Grewel opgevolgd») voorzitter van de universiteitsraad van de Universiteit van Amsterdam. Ondanks de studentenbezettingen ging dat hem goed af. «Zullen we even gaan zitten om erover te praten?» zei hij tegen de studenten, en dan kwam het wel goed. Via Crea, de culturele organisatie van de universiteit, kwam hij in allerlei besturen van kunstinstellingen terecht, om te beginnen bij het Asko Ensemble. Vervolgens werd hij voorzitter van de VPRO en van het bestuur van de Hogeschool van de Kunsten.

Hij is er trots op dat hij in die laatste functie verantwoordelijk was voor de afbraak van het lelijkste gebouw van Amsterdam, het Maupoleum in de Jodenbreestraat. Daarvoor in de plaats kreeg de Theaterschool een redelijk bij de omgeving aangepast, levendig en open gebouw.

U bent minder trots op het groene, glazen, gesloten gebouw van de Filmacademie dat even verderop staat?

«De oordelen daarover zijn buitengewoon verschillend. We hebben geprobeerd de betere architecten te krijgen: Teun Koolhaas voor de Theaterschool en Coen van Velzen voor de Filmacademie. Ik had gedacht dat de Filmacademie beter zou passen in zo’n omgeving, maar het groen is wel erg groen geworden.

M’n belangrijkste doel in al die kunstinstellingen en bij de VPRO is altijd geweest ruimte te scheppen voor mensen die op een minder rationele en analytische manier naar de werkelijkheid kijken dan ik. Ik vind kunstenaars fascinerend en help ze graag de dingen te maken waarvan zij vinden dat ze gemaakt moeten worden. Ze hebben me drie jaar geleden voor de PvdA in de gemeenteraad gevraagd omdat ze iemand nodig hadden die zich druk maakt over cultuur. Ik vind dat we dat niet slecht gedaan hebben. Hier zie je geen demonstraties en blokkades tegen bezuinigingen.»

Soms komt er zelfs te veel geld. Er gaan honderden miljoenen naar Rudi Fuchs om van het Stedelijk Museum een gesloten bolwerk te maken in plaats van de open ruimte die directeur Sandberg daar in de jaren vijftig en zestig heeft gecreëerd.

«Er is in al die tijd veel te weinig geld besteed aan het onderhoud van het gebouw. Het is te klein en met de veiligheid is het slecht gesteld.»

Maar moeten daarom het restaurant en het terras verdwijnen, die zulke uitnodigende plekken waren? De door Van Eesteren ontworpen vijver en de beeldentuin zijn al weg.

«Er komt een nieuw restaurant aan de Van Baerlestraat, maar het verdwijnen van vijver en terras spijt mij ook. De functie die het Stedelijk onder Sandberg had — het tonen van de allernieuwste kunst — is gedeeltelijk overgenomen door de galerieën. Misschien had Sandberg, die ik zeer bewonder om zijn moed, in deze tijd ook veranderingen doorgevoerd.

Ik heb me vooral verzet tegen mensen die het gebouw wilden slopen om een nieuw museum voor moderne kunst te stichten bij de Zuid-as. Ik hecht erg aan het Stedelijk op het Museumplein. Misschien zou er bij de Zuid-as, naast de Rietveldacademie, een gebouw kunnen komen waar de nieuwste beeldende kunst, vormgeving en fotografie worden gecombineerd, met een nieuwe beeldentuin erbij.

Amsterdam doet het in vergelijking met buitenlandse steden helemaal niet zo gek. Er leven hier bijvoorbeeld 180 nationaliteiten. Natuurlijk geeft dat problemen, maar je moet die niet overdrijven. Sommige mensen die hier binnenkomen, willen vasthouden aan dingen die voor hen waardevol zijn, zoals ik met grote vreugde Friese liederen blijf zingen. Of het nou om Drenten, Fransen, Nederlanders of Marokkanen gaat, het percentage klootzakken en aardige mensen loopt niet ver uiteen.

Gelukkig bestaat er in Amsterdam, en niet alleen bij de PvdA, een behoorlijke betrokkenheid bij mensen met wie het niet goed gaat. De VVD is hier linkser dan landelijk. Ik ben er trots op dat we het stelsel van erfpacht in stand hebben gehouden. Dat stelsel maakt het mogelijk de hogere grondopbrengsten ten goede te laten komen aan degenen die het moeilijk hebben. We zijn in Amsterdam ook terughoudender als het gaat om privatisering van openbare nuts bedrijven. Ik ben voor verzelfstandiging, omdat bedrijven in een bureaucratische context minder goed functioneren, maar een privatisering waarbij je alle zeggenschap uit handen geeft, moet je zien te verhinderen.

Soms moet je durven aanpakken. Ik zou graag een mooie skyline van hoogbouw zien aan de noordoever van het IJ, tegenover het Centraal Station. Liever dan een hoge muur aan de grens met Waterland, wat men nu wil.

Het bevalt me tot nu toe best om onbekend te zijn. Daarom wilde ik ook geen kandidaat zijn voor het voorzitterschap van de landelijke PvdA. Ik zou niet met plezier naar m’n werk gaan. Ik ben een middelmatige man met middelmatige filosofieën en een groot verlangen naar harmonie. Ik mis elke wens om me anders voor te doen dan ik ben. Als er in Buitenveldert wordt geprotesteerd tegen meer verkeer en meer parkeren, dan kan ik alleen zeggen: u hebt gelijk, maar we doen het toch, want het is nodig voor de stad. Misschien ligt m’n helderheid meer in dit soort huis-, tuin- en-keukendingen.»

U vindt dat de centrale stad niet alle zeggenschap uit handen moet geven?

«Dat vind ik, maar verder ga ik me niet meer mengen in het debat over de stadsdeelraad Binnenstad. De argumenten zijn reeds uitgewisseld.»

Maar u hoopt dat die deelraad bij het referendum wordt afgewezen?

«Ik hoop op een uitslag die ertoe leidt dat de verhouding tussen stadsdelen en centrale stad helderder wordt.»

Zo subtiel gaat het niet bij een referendum, dan is het ja of nee.

«Ik ben niet zo’n felle hater en niet zo’n felle voorstander van het een of ander. Ik zit meestal rond het midden. Uiteindelijk moet ik kiezen, maar er zijn dingen waarvan ik denk: dat weet ik helemaal niet!»