ARCHITECTUUR

Tussenstop

Centre Pompidou Metz

De verleiding is groot, maar nee, we gaan het niet over het Bilbao-Guggenheim-effect hebben, het inmiddels sleetse cliché van de museumpromotiemachine. Centre Pompidou te Metz (125.000 inwoners, net zo ex-industrieel als Bilbao) is toch wat minder pretentieus en bovendien zonder overijverig lobbywerk tot stand gekomen. Wel met zeventig miljoen euro van de stad Metz en de regio Lotharingen. Een ideaal ‘depot’ voor de overtollige moderne kunst van Centre Pompidou, dat wel. Daarmee sluit het Centre Pompidou Metz aan bij een tendens dat grote musea - Hermitage, Louvre en ja ook Guggenheim - dependances elders inrichten die op eigen benen kunnen staan.
Vergelijkbaar met Bilbao is dat CPM staat op een voormalig rangeerterrein aan 'de verkeerde kant’ van het spoor dat tot ontwikkeling moet worden gebracht. Het complex is dus een stedelijke aanjager, zoals dat heet. Daarbij hoort een wervende architectuur. Dat is het geval. De Japanse architect Shigeru Ban en zijn Franse partner Jean de Gastines hebben een overrompelende tentconstructie opgericht met houten spanten als blikvangers. Die ondersteunen een reusachtig dak van hagelwit teflon dat over de drie dozen ligt gespannen. In die dozen, die je gerust kijkdozen zou kunnen noemen, omdat ze het silhouet van Metz binnenhalen, zijn de expositiezalen ingericht. Het is 'in’ in de moderne architectuur om vormen te stapelen, wat Ban en De Gastines ook hebben gedaan, alleen hier gecamoufleerd door het tentdoek.
De voornaamste associatie die CPM oproept is die van een paviljoen. Je krijgt doorlopend het gevoel dat het gebouw binnen een maand kan worden losgeschroefd, gedemonteerd en opgevouwen. Vreemd is dat niet: Ban heeft naam gemaakt met zijn kartonnen bouwsels, waaronder het Japanse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Hannover. Hoewel hij wilde aantonen dat een kartonnen frame net zo solide is als een van metaal, is de achterliggende gedachte dat een gebouw na gebruik in de papierversnipperaar moet kunnen belanden zonder het milieu aan te tasten. Natuurlijk gaat dat in Metz niet gebeuren.
De zwierige vorm van het museum en de royale maat van de luifels hebben als voordeel dat op hete dagen en bij regen de wachtenden beschutting wordt geschonken. Royaal is ook de centrale hal waar je tot in de nok van het dak/doek kunt kijken, met een glazen lift die tot de vierde etage voert. Voor de openingsexpositie Chefs d'Oeuvre? is de begane grond veranderd in een hokkerig doolhof, een poging je niet te vervelen bij de middelmatige (Franse) kunst die er hangt. Boven wordt de kunst sterker (Louise Bourgeois, de Derde Internationale, Matisse, Penone) en zijn de langwerpige zalen navenant sterker. Alleen tonen de gevelbrede vensters hier hun keerzijde: meer zonlicht dan kunst kan verdragen. Weg is dus het kijkdooseffect, want de vensters zijn geblindeerd.
Zoals het moeder-Centre Pompidou van Rogers en Piano zijn klimaatinstallatie etaleert, zo zijn ook in Metz de buizen verhuld, maar helaas minder organisch dan in Parijs. Ronduit storend zijn sommige delen van het interieur, balkons die uitkijken op een suf dak van een museumzaal. Daar staan vondsten tegenover als de plexiglazen garagedeuren waarmee de pui van de hal kan worden dichtgezet. De Route du Sud is een tussenstop rijker, dat heeft men in Metz toch maar mooi bereikt.

Chefs d’ Oeuvre? T/m 25 oktober in CPM