Twaalf maanden damespantalons

In het Nieuw Israelietisch Weekblad stond vorige week, op 18 kislew 5757 om precies te zijn, de overlijdensadvertentie van Sam Fride (79), een man die nog een rolletje in mijn leven heeft gespeeld.

Hij was, veertig jaar geleden, mijn eerste baas, eigenaar van een atelier in damespantalons, gevestigd op de puinhopen van de voormalige jodenbuurt. Daar heb ik als veertienjarige een jaar lang de rafels van de zomen geknipt. Ondertussen leerde ik het maken van een knoopsgat en het verschil tussen kamgaren en gabardine. Het feit dat ik tot op heden, zonder hulp van dameszijde, mijn eigen knopen aanzet en mijn eigen broeken pers heb ik enkel en alleen aan Sam Fride te danken.
Mijn domein, het magazijn, keek uit op de Snoekjesgracht. Die was (reeds toen) zo sterk vervuild dat je, daarin terechtgekomen, dreigde de ziekte van Weil te krijgen. Zelf voelde ik (toen al) weinig aandrift mij te water te begeven. Mijn uitjes beperkten zich tot het postkantoor en de zaak van Sal Meijer (ORT) voor de dagelijkse broodjes pekelvlees, voor zowel Sam Fride als zijn zwager Nico, die in de leiding van het bedrijf was opgenomen.
Zelf at ik tussen de middag twee van huis meegenomen boterhammen met kaas, ondertussen lezend in de Burgersdijk-Shakespeare, die ik deel voor deel van de Openbare Leeszaal leende. Ik las te midden der naaisters. Het aardige is dat zij nooit ginnegapten om die wereldvreemde flapoor, noch hem om zijn vreemde leesgewoonten in de maling hebben genomen.
Tegen Frides zwager Nico moest ik, althans in het gezelschap van het personeel, meneer zeggen, wat ik een beetje raar vond, want hij was maar een paar jaar ouder dan ik, terwijl wij bovendien hetzelfde onderduikadres hadden gedeeld.
Veertig jaar later trof ik hem in Israel, met mijn moeder en de rest van de misjpoge. Hij heette inmiddels Nathan en was van pantalonverkoper gepromoveerd tot psychoanalyticus, gespecialiseerd in de problemen van de survivors of the holocaust.
‘En Annelies, hoe oud wil je worden? Negentig?’ vroeg hij. Mijn moeder (79) glimlachte. Nee, dat leek haar wel èrg oud. Niemand kon op dat moment weten dat het haar niet eens vergund zou zijn de tachtig te halen.
Waarom ben ik eigenlijk bij de firma Fride & Co., specialisten in damespantalons, weggegaan? Ik weet het niet en mijn moeder kan ik het niet meer vragen. Vaag herinner ik mij dat het om die 32,50 loonsverhoging ging. Er werden in elk geval harde woorden achter de gesloten deur van het kantoortje gesproken, waarbij de tweemansdirectie moeiteloos door mijn moeder werd overstemd, die haar welpen altijd als een leeuwin heeft verdedigd.
Enfin, enige weken later betrad ik, andermaal met de Burgersdijk-Shakespeare in mijn tasje, de postkamer van de firma Reesink & Co., groothandelaar in moerbouten en ijzeren pijpen. Mijn pogingen om het bedrijfsleven te veroveren waren hun tweede fase ingegaan.