Twaalf paarden

Kunst is dwingend en maakt het kijken dwars. En soms prettig nerveus, zoals bij de paarden van Kounellis, die zo rusteloos zijn.

Jannis Kounellis, Senza titolo, Rome, 1969 © Claudio Abbate

Geen van de werken van Jannis Kounellis heeft een titel: senza titolo – zo staan ze te boek. Gefotografeerd moesten ze worden in zwart-wit. Van foto’s in kleur vond hij dat ze misleidend waren omdat ze atmosferisch zijn als een impressionistisch schilderij. Zijn befaamde werk met paarden in de kale ruimte van de galerie L’Attico in Rome werd uitgevoerd in januari 1969. Het duurde geloof ik maar één of twee dagen. Ik heb die oerversie toen niet zelf gezien. De kunst van Kounellis hoorde thuis bij de arte povera. Zo had in 1967 de criticus Germano Celant zulk werk genoemd dat voor hem ook een guerrilla was. Dat woord gebruikte hij ook. Het ging dus om bevrijding uit een overheersing.

Ik had er iets over gehoord maar in die jaren begon ik vooral minimal art te leren kennen. De baanbrekende tentoonstelling daarvan vond in 1968 plaats in het Haags Gemeentemuseum, het museum waar Mondriaan thuis was. In minimal art ging het om een radicalisering of een verdere verheldering van de abstracte kunst zoals die bijvoorbeeld op gang was gebracht. In Nederland hadden we toen al het glasheldere werk van Ad Dekkers, zoals het witte, vierkante vlak met verticaal en horizontaal lijnen door het midden. Die lijnen waren gefreesd – in het matte witte oppervlak waren het dus rechte lijnen van dunne schaduw. Een eenvoudiger deling van een vierkant in vier kleinere vierkanten kon Dekkers niet bedenken.

Jannis Kounellis, Senza titolo, New York, 2016

Die ontroerende incunabel was ook bescheidener dan een compositie van Mondriaan, ook al was een Mondriaan wel klein van formaat. Wat intussen minimal bracht, waren ook grote werken die zich met nadruk in de ruimte manifesteerden. Het was in die context van artistieke interesses dat ik hoorde van Kounellis, die ik toen alleen op afstand kende. Werk van hem was te zien, later in 1969, op de tentoonstelling Op losse schroeven in het Stedelijk waar, kort na de minimal art in Den Haag, een breed overzicht te zien was van de varianten van conceptuele kunst waar arte povera inmiddels ook bij gerekend werd.

Ik denk dat ik die paarden intrigerend vond. Dat woord is in de kunst nietszeggend

Toen heb ik ook ergens een foto gezien van de eerste mise-en-scène van de paarden in de Romeinse galerie. Ik denk dat ik die paarden intrigerend vond. Dat woord is in de kunst nietszeggend. In de verwarring van artistieke gezindten die toen gaande was, moest je ergens houvast vinden. Het karige witte verstilde reliëf van Ad Dekkers had het intieme formaat van een Hollands stilleven. Dat gold ook voor Mondriaan. In bouw en rechthoekigheid leken de minimal constructies van bijvoorbeeld Sol Lewitt daar meer op dan de paarden van Kounellis. Vergeleken met Ad Dekkers waren de werken van minimal art, hoewel in idioom zeer verwant, toch veel brutaler en letterlijk maatlozer in de manier waarop ze brutaal met ruimte omgingen. Je kon zien waarom ze groot moesten zijn.

Wat intussen ook een rol was gaan spelen was de dubbelzinnige competitie die ontstaan was tussen Amerika en Europa en hun verschillende idiomen en dialecten. Op die manier vond ik het werk met de paarden van Kounellis eigenlijk een typisch Europees werk. In 1976 werd het werk herhaald op de Biënnale in Venetië – in een sectie Arte/Ambiente die juist ging over het beeldend kunnen zijn van architectonische ruimte. Het ruimtelijk gedrag van minimal art speelde daar een wezenlijke rol. Daar heb ik senza titolo, 1969 in de tweede versie van 1976 toen in het echt gezien. Ik had ook Kounellis leren kennen, ook nog Griek van huis uit. Hij was een dramatische verteller. Ik was onder de indruk zoals Goethe onder de indruk was van de flamboyante Lord Byron. In Venetië stond ik vooral perplex van de energie van de paarden.

Jannis Kounellis, Senza titolo, 1988. IJzer en jute

Een paar jaar later, in de catalogus van de Kounellis-tentoonstelling in het Van Abbemuseum (1981), heb ik over de twaalf paarden geschreven en het werk gedramatiseerd. Allerlei heldhaftigs haalde ik erbij: uit Byzantium de quadriga bijvoorbeeld die later door de Venetianen, op kruistocht, is geroofd en die nu boven de ingang van de San Marco staat en meer van dat. Maar naast de foto van het werk staat, in die catalogus, een afbeelding van Les demoiselles d’Avignon. Met dat schilderij van Picasso begon de moderne kunst, zei Kounellis. Het maakte een nieuwe werkelijkheid. In die galerie in Rome stonden twaalf paarden, aan de muur gebonden, omdat er zoveel in die ruimte pasten. Ze hebben tussenruimte nodig. Die paarden staan daar gerangschikt als harde brokken in een minimal installatie. Omdat de paarden, rondom, rusteloos zijn maken ze voor de bezoeker de ruimte doordringend nerveus. Dat is hun wezenlijke expressie en dat is hun moderne idioom – zoals ook in die rij van scheef hangende panelen, in Den Haag nu, die de ruimte ook vreemd en wonderlijk scheeftrekken. Kunst is dwingend en maakt het kijken dwars. Ook nog in de laatste versie van de legendarische paarden, in New York bij Gavin Brown, in 2016, niet zo lang voor Kounellis’ dood. Daar zijn ze klassiek geworden. Op zijn graf in Rome staat pittore – eenvoudig en afdoende.