Ontdekkingsromans zijn niet meer nodig

Twain, Defoe, Melville en Poe

Romans over de ontdekking van onontgonnen gebieden kom je nog maar weinig tegen. We kennen de wereld nu. Alleen in fantasy zoeken we nog het onbekende.

Medium opening

Vreemde en boeiende reisbeschrijvingen zijn er altijd geweest: de tocht van Odysseus, de reis van Sinte Brandaan, Sindbad de Zeeman, de Viking Saga’s, Marco Polo. Allemaal niet echt gebeurd, maar je kon er als lezer of luisteraar toch wonderschone herinneringen aan overhouden en fijne illusies bij koesteren over ‘andere werelden.’ En je kreeg het idee dat je met een reis allerlei problemen kon oplossen.

Met Robinson Crusoe (1719) komt een realistischer toon de reisliteratuur binnen, Daniel Defoe sloofde zich behoorlijk uit om zijn verhaal geloofwaardig te maken. Er verschenen honderden vergelijkbare verhalen over schipbreuken en wonderlijke zeereizen, vaak toegespitst op persoonlijke overlevingsgeschiedenissen. Een reisverslag werd een metafoor van hoop op overleven. Ontdekkingsreiziger James Cook (1728-1779) hield van zijn vele reizen naar de Zuidzee uitvoerige dagboeken bij, ze maakten diepe indruk. Je kreeg het idee er zelf bij te zijn en hij opende een uitzicht op volstrekt nieuwe werelden en nieuwe culturen waar alles anders en wie weet beter was. Men wilde steeds meer weten over ver gelegen gebieden en dit sloot aan bij allerlei opvattingen over het Onbekende die in de literatuur begonnen te circuleren. Reizen werd ontdekken. En er was veel te ontdekken, het werd een ware cultus.

Darwins reis met de Beagle (1831-1836) naar het zuidelijk halfrond – die woorden alleen al! – kreeg na de publicatie van zijn evolutietheorie een bijna mythische status en heeft die nog steeds. Voor fantasierijke schrijvers lagen hier gouden kansen. Er verschenen vooral in Amerika honderden al of niet uit de duim gezogen verslagen van ontdekkingsreizen: van tochten door woestijnen, door Groenland, naar Tibet, China, Australië et cetera. Hoofdthema: hoop op verlossing. Er bleken overal onbekende en interessante (andere) volkeren te bestaan, de circussen en vaudeville-shows van de westerse wereld sloten zich hierbij aan en brachten acts met pygmeeën, eskimo’s, negers en indianen.

Wat de zojuist ‘ontdekte’ volkeren zelf van deze nieuwe westerse ontdekkingsmanie vonden bleef onbesproken, in ieder geval werd het onbekende een steeds belangrijker onderdeel van de opkomende cultuurindustrie. Ontdekkingsreizigers als Stanley en Livingstone waren grote sterren. Steeds meer kennis over de wereld werd in voor iedereen bereikbare openbare bibliotheken bijeengebracht en schrijvers maakten er dankbaar gebruik van. Je hoefde als je een beetje fantasie had niet eens zelf op reis te gaan om toch een pakkend en gedetailleerd verhaal te schrijven over gebieden waar de wetten van de gewone wereld niet meer golden. Lezers vraten het. Echt gebeurd hoefde niet, dat controleerde toch niemand. Zolang je maar een geloofwaardige context bedacht en suggereerde dat je ervan kon leren en dat er hoop op iets was. Jules Verne is de grote uitbater van dit literaire programma.

Absolute top in dit genre is The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket (1838), de enige roman van de bij verschijning 29-jarige Edgar Allan Poe. Een fragment van een eerdere versie verscheen in 1836 in het literaire maandblad Southern Literary Messenger. Dit blad staat sinds enige tijd in zijn geheel op internet en het is geweldig er een tijdje in te grasduinen. Poe schreef er van alles en nog wat voor, gedichten, recensies, verhalen en aforismen.

Bij Poe weet je nooit zeker of hij het verzint. In het voorwoord van de roman beweert Pym, de verteller, dat de heer Poe hem sterk had aangeraden het verhaal nu zelf maar te vertellen omdat hij (Poe) niet van alle feiten op de hoogte was en er in zijn fragment in de Southern Literary Messenger maar een slag naar sloeg, en dus krijgen we nu een betrouwbaar verslag. Typisch een negentiende-eeuwse vertellerstruc om de geloofwaardigheid van het geheel te vergroten.

Opvallend is de laconieke toon waarop Poe allerlei gruwelen tijdens de reis naar de Zuidpool beschrijft. Wanneer de hoofdpersonen van honger dreigen om te komen besluiten ze via lootjes uit te maken wie ze op gaan eten. De trekking is van een nu nog steeds ongeëvenaard hoog horrorgehalte. En wanneer die achter de rug is, peinst Poe er niet over toch maar een goed einde aan de episode te maken. ‘He (het slachtoffer) made no resistance whatever, and was stabbed in the back by Peters, when he fell instantly dead.’ En vervolgens beschrijft hij welke lichaamsdelen ze opaten. Het hoofd, de handen, voeten en ingewanden gaan overboord, de rest verorberen ze.

Ook de ontmoeting op volle zee met een Hollandse vrachtvaarder waarvan alle bemanningsleden en passagiers dood en al half aangevreten op het dek liggen, liegt er niet om. Poe beschrijft met morbide genoegen hoe een meeuw ongezellig in een hoofd zit te pikken en per ongeluk een stukje bot of vlees op hun eigen wrakkige vlot laat vallen. Zo kan-ie wel weer.

Poe beschrijft welke lichaamsdelen ze opaten. Het hoofd, de voeten en ingewanden gaan overboord

Opvallend is de grote kennis over scheepvaart die Poe tentoonspreidt. Hij had op dit gebied geen ervaring, hij haalde alles uit boeken en tekeningen en dat deed hij onbekommerd. Geen term, geen weetje, geen beschouwing over navigatie blijft je bespaard. Dit maakt het verhaal zowel adembenemend precies als ook af en toe oeverloos uitvoerig, maar gelukkig gooit hij er dan weer een opgewonden doodstrijd, schipbreuk of hongerklop tegenaan. En goed aflopen is er niet bij, Poe hield er niet van de lezers te laten hopen.

Het is duidelijk dat Herman Melville Poe’s werk goed kende en in Moby Dick (1855) op het gebied van oeverloze kennis niet achter wilde blijven. Literatuur van die tijd vertoonde nu eenmaal sterk encyclopedische trekjes. Poe was overigens later niet tevreden over zijn roman, hij vond het ‘flauwekul’, maar dat lees je wel vaker van schrijvers over een van hun meesterwerken. Dit is en blijft een prachtig boek.

In Amerika bloeide nog enige tijd een merkwaardig nieuw reisgenre: de beschrijving van een groepsreis naar een beroemd gebied. Lezers wilden na al die al of niet verzonnen reisverhalen zelf beleven hoe het in verre landen toeging. Er viel voor handige organisatoren geld mee te verdienen. Liefst trok men in groepsverband naar het Heilige Land, zoals dat destijds heette. Maar ook gezelschapsreizen naar Europa of Australië vonden een publiek van welgestelden.

Mark Twain schreef verschillende verslagen van zo’n reis, waarvoor hij zelf als begeleider was ingehuurd, bijvoorbeeld The Innocents Abroad (1869) over een reis naar Europa en het Midden-Oosten en A Tramp Abroad (1880).

Zeer merkwaardig is het reusachtige jambische gedicht Clarel: A Poem and Pilgrimage in the Holy Land dat Melville vanaf 1856 schreef. Het verscheen in 1876 in eigen beheer in een oplage van 350 exemplaren en werd nauwelijks besproken, Mellville was geheel vergeten. Het telt achttienduizend regels en vertelt het verhaal van de jeugdige theologiestudent Clarel die zijn wankelend geloof terug probeert te vinden. Hij reist met een internationale groep ‘pelgrims’ door het Heilige Land, net zoals Melville dat in 1856 zelf ook deed. Clarel wordt verliefd, er zijn berovingen en andere avonturen, maar het merendeel van dit werk bestaat uit discussies over geloof en actuele morele kwesties. Melville vond dit zijn beste werk. Ik probeerde dat een paar jaar geleden, toen ik het las, ook te vinden, maar het kostte me moeite.

Ambitieuze romans over avonturen in onbekende en onontgonnen gebieden kom je niet vaak meer tegen. Van de glorietijd uit de negentiende eeuw is alleen nog het ‘echt gebeurde’ reisverhaal overgebleven, zie bijvoorbeeld het werk van V.S. Naipaul en Paul Theroux. Wel is bij de televisie een nieuw genre opgekomen. Eigentijdse reizigers doen beroemde reizen uit het verleden dunnetjes over. Zo werden voor de bbc al verschillende reizen ondernomen in het voetspoor van die van Stanley en Livingstone. De vpro liet, in een coproductie met de bbc, Darwins reis met de Beagle over doen: In het kielzog van Darwin. Beroepsreiziger O’Hanlon maakte voor het programma O’Hanlons’ Helden zeer vermakelijke reizen naar Afrika en onderzocht of er nog resten te vinden waren van de verslagen van oude ontdekkingsreizigers. Woonden daar echt kannibalen of viel het mee?

Er zijn geen onbekende gebieden meer waar iets ongehoords te ontdekken valt: een schat, een verloren gewaande stad, een vergeten rijk. Ontdekkingsreizen vinden vanaf de twintigste eeuw plaats in de menselijke geest. Daar zoekt men tegenwoordig naar hoop op verlossing (of ondergang). De psychologische roman heeft het reisverhaal verdrongen, het ‘innerlijke landschap’ staat sinds Freud in de romankunst centraal. Individuele overlevingstochten vinden tegenwoordig veelal plaats in de grote stad, waar het individu ten onder dreigt te gaan aan verveling, vervreemding, verkeerde seks en megalomaan zelfmedelijden (je kunt namelijk doodgaan, ook dat nog).

Alleen in het steeds meer uitdijende en succesrijke genre van de fantasy-literatuur vind je nog belangwekkende romans waarin we meegenomen worden naar onbekende gebieden die bevolkt worden door aliens, reuzen, elfen, draken en ridders. Het raadsel en het onbekende staan in deze literatuur nog steeds, of liever gezegd, opnieuw voorop. Tegelijkertijd verschillen de verhaalstructuren en de karakterbouw van deze literatuur niet principieel van ridderromans, avonturenboeken, keukenmeidenromans en reisverhalen uit het verleden. Je kunt zeggen dat ze de grote en bijna verdwenen literaire traditie over het geheimzinnige en onbekende en de verlossing recyclen.

Thema’s rond de strijd om de opvolging van de koning, of om de verloren gegane rechtvaardigheid, of rond de zoektocht naar de verdwenen ‘graal’ die in allerlei gedaanten opduikt, worden in deze literatuur keer op keer, en vaak zeer inventief, opnieuw uitgewerkt. Zie bijvoorbeeld het succes van de bestsellerreeks A Song of Ice and Fire (vijf delen, sinds 1996) van George Martin die nu onder de naam Game of Thrones voor televisie is bewerkt. Reizen is de beslissende metafoor in deze romans. Er wordt oeverloos door de helden en schurken heen en weer gereisd. Als je op reis gaat, kun je namelijk hopen op verlossing. We moeten allemaal zo spoedig mogelijk op reis, dat is de boodschap. Op zoek naar het Onbekende, want dat is uit onze wereld verdwenen.


Beeld: Lezers wilden na al die verhalen ook zelf op reis (Martin Parr / Magnum / HH)