Twee bewindslieden

De schrijver Willem van Toorn schreef in Het Parool een stukje over ene Peer die Amsterdam schijnt te besturen en - met een slok op - een lichtmast heeft geramd. Hij mag nog net blijven, anders, constateert Van Toorn, dan de CHU-minister die, ‘toen Nederland nog een dorp was’, moest aftreden omdat hij een doosje sigaren had gesmokkeld of tegen een paaltje was gereden - ‘Daar wil ik van af zijn.’

Hier haalt Van Toorn twee bewindslieden door elkaar. De eerste is J. Smallenbroek (1909-1974). Ex-minister van Binnenlandse Zaken. Antirevolutionair dus principieel jeneverdrinker, wiens politieke carriere inderdaad in de jonge klare is gesmoord. De tweede is H. K. J. Beernink (1910- 1979). Eveneens ex-minister van Binnenlandse Zaken. Christelijk-historisch en voornamelijk verslaafd aan grote, gepoeierde sigaren. Omdat dit rookgerei hem niet smerig genoeg kon zijn, probeerde hij er vanuit Belgie een paar illegaal de grens mee over te nemen, waarna een soort mini-minischandaaltje ontstond dat echter geen politieke gevolgen had.
In die dagen hadden de verschillende christenen in Nederland elk nog hun eigen politieke partij. De antirevolutionair Smallenbroek was een steile calvinist die goed in de oorlog was geweest. Van de oorlogsjaren van de christelijk-historische Beernink weet ik niets af, maar zijn geestverwanten waren in elk geval in ARP-ogen ‘een stel poepbroeken’ geweest. Fuseren? Met elkaar? Laat staan met die verderfelijke roomsen? Daar kon geen sprake van zijn. Want over een ding waren ARP en CHU het met elkaar eens: 'de paapse mis’ was een vorm van 'vervloekte afgoderij’ - totdat de kiezers massaal begonnen weg te lopen en de drie politieke hoofdstromen in christenland elkander met veel mitsen en maren vonden in het lauwwarme bad van het Christen-Democratisch Appel.
Exit ARP, wat in sommige opzichten jammer was, want dat was een echte, goed georganiseerde partij, anders dan een bespottelijke club als de CHU die werkelijk in staat was hele toogdagen te beleggen over het feit dat de 'nozems’ bezig waren de natie over te nemen. Ik heb ooit zo'n CHU-conferentie mogen bijwonen, in het conferentieoord Woudschoten, midden in Gods vrije natuur. Tja, wat moest er met die nozems gebeuren? Beernink, die vanzelfsprekend het hoofdreferaat hield, wist het wel. Die nozems konden beter in een werkkamp worden geplaatst waar zij met harde hand 'tot goede staatsburgers’ zouden worden opgevoed. Ik hoorde het allemaal diep geeuwend aan vanaf het balkonnetje waarop ik mij in m'n eentje had geinstalleerd, zodat ik onbespied in slaap kon vallen. Dat hoefde de kwaliteit van mijn verslaggeving niet aan te tasten: daags tevoren had ik mij op een draagbaar bandrecordertje getrakteerd, een noviteit in die tijd. Geen woord van het gesprokene is die lange, verschrikkelijke dag tot mij doorgedrongen. Wat mij er niet van heeft weerhouden er ’s anderendaags, dank zij de zegeningen van de moderne techniek, een snijdend verslag over te schrijven.