Twee clubs

In 1945 werd in onze buurt een gymclub voor huisvrouwen opgericht. Mijn moeder werd lid en de maandagavond heilig. Ze waren met vijfentwintig en betaalden een leidster en een pianist. Het ging om de oefeningen en volleybal na afloop maar al gauw gingen ze ook voor elkaar.

Sinterklaas vierden ze in een gehuurd zaaltje (vanaf m'n veertiende moest ik jaarlijks een onmogelijk gedicht schrijven bij een zakdoekje of eau de cologne voor een onbekende, want aan lootjes trekken deden ze niet); en een dag na hun verjaardag kwam de hele ploeg op de koffie. Omdat er zelden iemand vertrok, besloten ze geen nieuwe leden aan te nemen.
Zo werden ze samen oud, lief en leed delend. Van dat laatste was er veel en om beurten vingen ze elkaar op, zoals vrouwen dat kunnen. Hoe oud ze was toen ze voor het eerst niet meer ging turnen, herinner ik me niet, maar het was voorbij de vijfenzeventig. Kort daarop, na veertig jaar, stopte het gymmen helemaal. Maar de koffie niet, al werd de club door de dood steeds kleiner.
In haar zware laatste twee jaren had m'n moeder niet alleen ons maar ook een gymvriendin die daarvoor uit Almere kwam: ‘Ach jongens, jullie weten niet half wat ze voor mij heeft gedaan.’ En bij de crematie waren er buiten de kleine familie vooral oude dames die ik alleen van naam kende en voor wie ik ooit een gedicht had geschreven.
Dertig jaar geleden kregen we een nieuwe conciërge, een bescheiden Brabander. Ik regisseerde het schooltoneel en vroeg hem een decorstuk te timmeren. Hij deed het met plezier en zijn krat bier honorarium dronken we samen op. Het klikte. Kort daarna vroeg hij of ik zin had in een potje badminton. Ik was gestopt met honkbal, ontwikkelde een buikje dat een twintiger niet sierde en zei ja.
Op woensdagavond hadden we een gymzaal voor onszelf. Een collega Duits ging meedoen, en toen de nieuwe jongen op de administratie een goede voetballer bleek, net als de conciërge, bleken we plots een zaalvoetbalclubje te hebben dat geheel eigen spelregels ontwikkelde. Ik was en bleef een kneus - maar hun kneus, dus mocht ik blijven. Mijn broer ging meedoen, net als die van de administrateur en de zoon van de conciërge. Via coöptatie belandden we op tien, stratenmaker en doctorandus.
Er ontwikkelden zich rituelen, in de zaal en erbuiten. Het voornaamste binnen de lijnen was dat in ons conflictarme clubje familieleden elkaar verbaal en fysiek steviger aanpakten dan de rest; het voornaamste erbuiten dat er na afloop koud bier was, een tv-toestel voor Europacup-wedstrijden, dat we elkaar verhuisden en erg veel lulden - variërend van social talk tot soms zeer persoonlijk. Wat vrouwen 'vanzelf’ kunnen, leerden wij langzaam.
Een van ons dronk zich dood; een ander verongelukte. Zo kregen ook wij onze crematies.
Toen dreigde het eind. De conciërge, hart van de club en sleuteldrager, ging met de VUT en de stad uit. En ziet: z'n opvolger was een klasbak in het veld, trouw als zijn voorganger en hij bracht twee zoons in. Woensdag is zo heilig dat m'n moeder grapte: 'Ik zal op een andere dag dood gaan.’ Ze hield woord.
Vanavond is de 25-jarige bruiloft van de 'nieuwe’ conciërge. We geven een weekend Antwerpen en gaan zelf mee. Want met een club heb je er, net als met soap, een zooi familie bij.