Tentoonstelling Johnny and Jones

Twee donderstenen

Het waren twee «leuke donderstenen», zo herinnert voormalig Ramblers-lid Marcel Thielemans zich het fameuze duo Johnny and Jones. In het vooroorlogse Amsterdam ontwikkelden de twee Bijenkorfwerknemers zich tot een ware hit. Met hun opgewekte up-tempoliedjes en lichtvoetige teksten, gezongen met een vet Amerikaans accent, kregen Nol van Wesel en Max Kannewasser elke zaal plat.

Het beeld dat zich dan ook vooral opdringt op de tentoonstelling Johnny and Jones: Two Singing Kids and Their Fate is dat van twee muzikanten met een ongecompliceerde levenslust. Dat gold ook voor hun muziek. Een recensie uit de jaren dertig meldt dat het duo geen vertegenwoordiger is van de serieuze jazz, maar «vroolijkheid» is ze volledig toevertrouwd. Hun liedjes, die ook op de expositie te beluisteren zijn, zijn muzikaal totaal oninteressant maar het zijn meezingers van jewelste. Deuntjes die zich met weerhaakjes in je hoofd vastzetten en daar nog uren blijven spoken.

Zelfs het NSB-blaadje De Misthoorn erkende het charisma van Johnny and Jones. In een artikel dat in 1940 verscheen, rept de auteur van: «de joden-reizigers-artiesten Johnny and Jones die hun vrije zondagavond besteden om hun arische collega het brood uit de mond te stelen. Wat een heerlijke bargoensche klanken stootten deze twee vieze jodenkinderen uit. Het was om te genieten en de zaal hing dan ook aan hun dikke jodenlippen.» Nol en Max lieten zich door dit soort aantijgingen niet uit het veld slaan. Zelfs toen hun verboden werd nog langer in het openbaar op te treden, bleven ze opgewekt adverteren voor optredens aan huis met slogans als: «Onze liedjes zijn zonnestralen die U uit uw zorgen halen.»

Ook in Westerbork blijven ze liedjes maken en optreden. Uit deze periode stammen Wij slopen met muziek en de Westerbork Serenade — nummers die nooit de buitenwereld hadden bereikt als Johnny and Jones in 1944 niet even naar Amsterdam waren teruggekeerd en daar een zestal nummers uit hun Westerbork-repertoire hadden opgenomen. Ze krijgen onderduikplaatsen aangeboden maar keren terug naar hun vrouwen in Westerbork, rekenend op een voorkeursbehandeling als artiest. Vlak voor het einde van de oorlog bezwijken ze in Bergen-Belsen.

Openbaart deze tragedie zich op de expositie in alle hevigheid, de opera die Theo Loevendie samen met librettist Carel Alphenaar over Johnny and Jones maakte, is helaas een fletse afspiegeling. Van de twee leuke donderstenen is niet veel meer over dan twee slappe ledenpoppen, uitdrukkingsloze figuren die slechts worden verblind door hun eigen succes. De situatie spitst zich toe op hun kortstondige verblijf in Amsterdam en hun vrijwillige terugkeer naar Westerbork. Reden: ons publiek wacht op ons.

Blijven Johnny and Jones in het libretto tamelijk eendimensionale figuren, ook in de partituur komen ze niet uit de verf. Terecht heeft Loevendie de authentieke liedjes gelaten wat ze zijn, maar het idioom dat hij daarvoor in de plaats stelt, tilt het drama niet van de grond. Ondanks een veelbelovende ouverture waarin een groot aantal thema’s met zwier aan elkaar worden geknoopt, blijft het allemaal wat stijfjes. Het leeft niet — terwijl Loevendie, anders dan meneer Dinges, wel degelijk weet wat swing is.

De mooiste noten heeft Loevendie gegeven aan Caroline, de opnameleidster die indertijd verliefd was op Jones en zich nu, als oudje in een rolstoel, in haar herinneringen wentelt. Met als gevolg dat het drama verschuift van twee innemende jongens die in een concentratiekamp worden vermoord naar een verliefd meisje dat zich machteloos voelt. Dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest!

Veel wordt goedgemaakt door het indringende slotbeeld van regisseur Theu Boermans. Terwijl Johnny and Jones tegen beter weten in nog een laatste liedje eruit proberen te persen, gulpt, als een overstromend riool, een onstuitbare stroom bloed uit een putje omhoog. Zelfs voor aartsoptimisten valt de werkelijkheid nu niet langer te ontkennen.

Verzetsmuseum Amsterdam, t/m 14 oktober