Me and My Peepee van Allen Ginsberg/Simon Vinkenoog

Twee goede geesten

Allen Ginsberg

Me and My Peepee

Gedichten, vertaald door Simon Vinkenoog

Samenstelling en selectie Coen de Jonge

Uitg. Passage, 88 blz., € 13,50

De één werd op 3 juni 1926 in New York geboren als Irwin Allen Ginsberg. De ander kwam op 18 juli 1928 in Amsterdam ter wereld als Simon Vinkenoog — «8 pond, voetjes eerst».

De één had een socialistisch-joodse vader en een communistisch-joodse moeder. De an der had een protestantse vader en een katholieke moeder — die daar weinig aan deden.

De één doorliep Columbia University «met stralend koele ogen Arkansas en Blake — lichte tragedies hallucinerend te midden van oorlogsgeleerden». De ander kwam in 1944 van de mulo (= mavo), leerde Engels van Hemingway en Steinbeck, liep in de hongerwinter met open ogen door Amsterdam, krabde bielzen uit de trambaan, snuffelde op de Albert Cuyp in tweedehands boeken — en zag hoe zijn beste vriendje Helmuth per vrachtwagen werd afgevoerd.

De één ging na de oorlog met zijn maatjes van de beat generation, Corso, Kerouac, Burroughs, op zoek naar een New Vision om de wereld, en zichzelf, beter te leren kennen, en literatuur te maken die daar ongeremd van getuigt. De ander moest in 1947 trouwen, vluchtte in 1948 uit het benauwende Amsterdam, en trok voor acht jaar met zijn tweede vrouw naar Parijs om zich te laven aan postsurrealisten, postdadaïsten, situationisten en existentialisten, en Amerikaanse expats die het benauwende New York waren ontvlucht.

Bij de één gingen alle remmen los — poëzie en jazz en drank en drugs en woeste orgies, vooral met mannen van hetzelfde geslacht. Bij de ander ging het er in Parijs ook heftig aan toe — regelmatig bezoek van be vriende wapenbroeders als Remco Campert, Hans Andreus, Hugo Claus en Rudy Kousbroek, veel wijn met Karel Appel en Corneille, en een eenmanstijdschrift, blurb, dat ruim baan gaf aan nieuwe, bevrijdende poëzie.

De één vond in 1957, aangedreven door het bonkende proza van Jack Kerouacs On the Road, een nieuwe langademige poëzie uit waarin de kakofonie van het moderne leven onzachtzinnig doorklinkt — Howl was er het eerste, aangrijpende resultaat van, met als hamerende ouverture: «I saw the best minds of my generation destroyed by madness…» De ander zou Howl meeslepend en ritmisch vertalen, met als hamerende ouverture: «Ik zag de besten van mijn generatie verwoest door waanzin…» — maar dat zou nog bijna tien jaar duren. Ver daarvoor, in 1950, debuteerde hij met Wondkoorts — en met veel «haat», «bloed» en «dood». Het jaar daarop regisseerde hij de vrolijk tegendraadse bloem lezing Atonaal — de oerknal van de Vijftigers. Veel eigen dichtbundels volgden, en ook autobiografische prozawerken. Een daarvan, Wij helden (1957), deed Gerrit Kouwenaar «denken aan wat wij op dit vlak van de Amerikaanse beatgeneratie kennen».

De één ontvluchtte de hypocriete hysterie rond de publicatie van Howl, kwam via Tanger en Dachau naar Parijs — en bracht met zijn collega’s/vrienden Gregory Corso en Peter Orlovsky een kort bezoek aan Amsterdam. De ander keerde in 1957 na acht jaar Parijs terug naar Amsterdam, ontmoette in een jazzclub op de Lijnbaansgracht drie Amerikaanse dichters, en ontving uit handen van één van hen een exemplaar van Howl.

Twee goede geesten, Allen Ginsberg en Simon Vinkenoog, hadden elkaar gevonden, en zouden elkaar niet meer loslaten. Ze hadden, in de woorden van de eerste, een «poetry-spiritual-fun-generational» band, die ook bleef bestaan toen het lichaam van Allen Ginsberg in april 1997 tot as was weergekeerd.

De één was in juni 1965 in de Londense Royal Albert Hall de grote ster van de Wholly Communion, een internationaal poëziespektakel met zo’n twintig dichters en zevenduizend toehoorders — de moeder van alle grote poetry readings. De ander moest bij de Wholly Communion het spits afbijten. «Trust poetry», sprak Allen Ginsberg hem bemoedigend toe — om hem tijdens de pauze «tussen de benen bij de kloten» te grijpen: «Zó moet je het ze laten voelen, dáár gaat het voor iedereen om! Wat hebben ze aan paranoia? Je zult ze vreugde geven! Liefde, leven!»

De één vond in de jaren zestig voor zijn evangelie van peace, love and happiness een gewillig oor bij zachte-en-aardige hippies, maar bracht zijn geweldloze flower power óók in stelling tijdens Vietnamdemonstraties, waar hij te midden van traangaswolken boeddhistische mantra’s aanhief. De ander publiceerde over zijn eigen zoektocht naar vrede en geluk een dagboek van vijfhonderd bladzijden — dat dus Liefde heette. Ook organiseerde hij in februari 1966 in Carré een poëzie spektakel met 25 dichters: van good old Roland Holst tot brand new Deelder — de moeder van alle Nederlandse poëziefestivals.

De één schreef America, een venijnig, hilarisch hekeldicht met als magisch megalomaan slotakkoord: «America I’m putting my queer shoulder to the wheel». De ander droeg in Carré Nederland voor — een venijnig, hilarisch hekeldicht met als verrassende juxta positie: «Woef woef woef huilen de politiehonden op de Westermarkt waar Descartes van de rede sprak, en van het zoeken naar waarheid.»

De één kreeg een dik dossier bij de CIA. De ander kreeg, wegens het bezit van 0,16 gram marihuana, zes weken eenzame opsluiting in het huis van bewaring te Utrecht — alwaar hij Howl vertaalde. In 1966 verschenen ze bij de Bezige Bij als Proef m’n tong in je oor.

De één publiceerde na Howl met grote regelmaat nieuwe bundels die veel weerklank vonden. De ander publiceerde na Wondkoorts met grote regelmaat bundels die minder weerklank vonden naarmate de door hem gelanceerde Vijftigers meer succes boekten.

De poems van de één werden halverwege de jaren tachtig collected door de gerenommeerde uitgevershuizen Harper&Row en Penguin. De Eerste gedichten van de ander werden halverwege de jaren zestig reeds verzameld door de Bezige Bij — maar het typoscript voor het vervolg ging tien jaar later zó naar de drukker. Voor Simon Vinkenoog begon een odyssee langs kleine uitgeverijen die tot vandaag voortduurt. Bij zijn zeventigste verjaardag, in 1998, verscheen Vreugdevuur, waarin het «kind van Amsterdam» in «lange adem rond grachtengordel» doolt — om te stuiten op «tien geboden die tot ervaren noden».

De één stierf op 5 april 1997, bijna 71 jaar jong. De ander voelt zich anno 2002 kiplekker in het lichaam waarin hij 74 jaar geleden ter wereld kwam. Ongetwijfeld mede dankzij de nuttige adviezen die zijn collega hem in 1978 bij zijn vijftigste verjaardag toezond. Het is als motto toegevoegd aan Me and My Peepee — een nieuwe bundel vertalingen waarin Simon Vinkenoog opnieuw, en opnieuw gedreven, van zijn geestverwantschap met Allen Ginsberg blijk geeft:

Simon keep singing by canals

Simon keep chanting by windmills

Simon keep translating on Leitsplein

Simon keep your heart beating in Kosmos

Simon keep winking under moonlight in Amsterdam

Simon keep talking in North European sunlight

Simon keep meditating busy in your bedroom

Simon keep getting excited in the solar system

Simon keep imagining the universe