Media-invloed en de politiek  van het onbehagen

Twee handen op één onderbuik

De media hebben een massaal verbond gesloten met hun lezers en kijkers, met wantrouwen als bindmiddel. De mediale achterdocht sluit naadloos aan bij de populistische agitatie tegen de elite.

Medium groene essay xandra

IN DE RUBRIEK ‘De lezer schrijft’ in NRC Handelsblad, waarin lezers de hoofdredactie vragen stellen over haar beleid, werd het dagblad een curieus verwijt gemaakt. De betreffende lezer had loodgieters, timmermannen en elektriciens over de vloer gehad en met veel plezier met hen het nieuws besproken. ‘Maar ik merkte’, schrijft hij, ‘dat ik door het lezen van NRC Handelsblad het zicht op onderbuikreacties en de bijbehorende logica kwijtraak.’ Of de krant niet in die lacune kon voorzien en niet kort en puntig eenregelige samenvattingen kon geven van reacties uit de onderbuik. Dan hoefde hij zijn tijd niet te vermorsen met het surfen naar nieuwssites en het kijken naar televisieshows.
Een week later struikelde een ‘kritische lezer’ over de taakopvatting van de journalistiek als waakhond van de macht, zoals de hoofdredacteur die eerder in de rubriek had omschreven. ‘De krant heeft maar één taak’, schrijft hij. ‘Het nieuws te brengen zonder aanzien des persoons of instanties. Als daar een onthulling uitrolt die gevestigde machten niet aanstaat, soit. Maar een taak van kritisch volgen of zelfs controleren is nergens aan u opgedragen en heeft u – weinig democratisch – uitsluitend uzelf toebedeeld. Evenals de zogenaamde onderzoeksjournalistiek. Wichtigmacherei. Maar voor de lezers een voortdurend bewijs dat u de parlementaire democratie wantrouwt. Daardoor speelt u personen en groeperingen in de kaart die garen hopen te spinnen bij dat wantrouwen.’
De eerste lezer werd door medelezers op de vingers getikt – alsof alleen loodgieters, timmermannen en elektriciens een onderbuik hebben. De tweede werd door de hoofdredacteur met een citaat van de Europese Commissie om de oren geslagen: ‘Die controle is niet alleen een recht, maar kan beschouwd worden als een plicht en verantwoordelijkheid van de pers in een democratische staat.’ Zonder goede pers geen goede democratie, aldus de hoofdredacteur, al is ze ook zo eerlijk om in te gaan op het debat dat al jaren aan de gang is over de vraag of journalisten hun macht niet misbruiken.
Ze haalt daarbij de Britse Financial Times-journalist John Lloyd aan, auteur van het in 2004 verschenen boek What the Media Are Doing to Our Politics. De these van Lloyd luidt als volgt: de media zijn uitgegroeid tot een onbeheerste kolos die het politieke proces aanzienlijk schaadt, alleen al door zijn dominantie. Het merendeel van de berichtgeving bevat bovendien de notie dat politiek geen hoog of moreel doel heeft, maar louter bestaat uit strategieën om macht te verwerven en te behouden. De serviliteit van de journalist uit de jaren vijftig – ‘Excellentie, heeft u wellicht nog iets nieuws te melden?’ – heeft plaatsgemaakt voor professionele assertiviteit – ‘Is het geen tijd om op te stappen?’ En die assertiviteit richt zich lang niet meer alleen op excessen, maar op de politiek tout court.
Ergens hebben de media besloten dat politiek een dirty game is, gespeeld door onoprechte mensen die er op uit zijn de burger te bedriegen en die dus niet anders dan wantrouwen verdienen. Dat georganiseerde wantrouwen, gecombineerd met de hevige concurrentiestrijd tussen de verschillende kranten en tv-programma’s heeft van de media een monster gemaakt met een onstilbare honger naar conflict, schandaal, ruzies, rellen en mislukkingen. Het wantrouwen bewerkstelligt, kort gezegd, een cultuur van cynisme.
De opvatting van John Lloyd doet ook in Nederland opgeld. Politici, bestuurders, de koningin, voetbaltrainers, ze gispen de media voor hun slordigheid en negativiteit. Onlangs nog wees Geert Mak de media aan als een van de aanstichters van het verlies van vertrouwen in onze politieke cultuur: ‘Wat er ook gezegd wordt, nonsens, racistische kletskoek, het geeft allemaal niets. Als het bloed maar stroomt, eten journalisten uit je hand.’ Zoals uit de geciteerde brieven aan NRC Handelsblad blijkt, vinden ook ‘gewone’ mediagebruikers dat de media onderbuik en wantrouwen voeden.

VORIGE WEEK werden de nieuwste resultaten gepresenteerd van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB), dat het Sociaal en Cultureel Planbureau sinds begin vorig jaar verricht. Net als uit de voorgaande kwartaalberichten blijkt dat de Nederlander behoorlijk tevreden is over het eigen leven, maar zorgelijk en ontevreden over de samenleving en de politiek. Hij beoordeelt de eigen vrienden- en kennissenkring, de eigen buurt en dagelijkse activiteiten als ruim voldoende tot goed. De samenleving krijgt een krappe voldoende, al vindt tweederde van de Nederlanders dat het de verkeerde kant op gaat met het land. De politiek scoort een onvoldoende. Maar als de tevredenheid over het eigen leven en de eigen leefomgeving zo hoog is, waar baseert de burger zijn negatieve beeld van samenleving en politiek dan op? Nauwelijks op de eigen ervaring, zou je denken. Als je dan beseft dat wij wekelijks gemiddeld zo’n twintig uur van onze vrije tijd besteden aan mediaconsumptie, en minder dan tien uur per week aan bezoek aan familie en vrienden, vrijetijdsbesteding nummer twee, dan is de sprong snel gemaakt: het zijn de media die het onbehagen aanjagen.
In het eerste kwartaalbericht van het COB uit 2008 werd verslag gedaan van verschillende groepen mediagebruikers. De heavy users zijn de opiniebladlezers die naast hun weekblad ook een kwaliteitskrant lezen, naar het NOS-Journaal en ook vaak RTL Nieuws kijken en de actualiteiten- en debatprogramma’s van de publieke omroep volgen. Veertig procent van die heavy users vindt de berichtgeving in de media over de Nederlandse politiek te negatief. In het laatste kwartaalbericht constateren deelnemers aan gespreksgroepen dat door de invloed van de media de afstand tot de politiek en de politici is afgenomen; er is nu meer bekend, dus, wordt een van de gespreksdeelnemers geciteerd, ‘ga je er ook meer over roepen’.
De media hebben de afgelopen decennia ook een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Waren de media in de verzuiling nog de dienstbare roeptoeters van de politieke en religieuze waarheden van hun zuil, vanaf de jaren zestig begonnen ze aan autonomie te winnen en hielden ze op zich bovenal in te zetten voor propaganda en consensus in eigen kring. Tot in de jaren zestig was er vooral sprake van een ‘abonnementenpers’, losse verkoop speelde hoegenaamd geen rol, de kranten en omroepen hadden zogezegd ‘captured audiences’.
In de jaren zeventig professionaliseerden de media over de hele linie. Uitgevers investeerden in kwaliteit: de redacties breidden uit, kranten kregen meer katernen, journalisten specialiseerden zich, de onderzoeksjournalistiek maakte een vlucht. Het perspectief van de nieuwsmedia wisselde: ze identificeerden zich niet meer met de autoriteiten en de politiek, maar met de samenleving. In dezelfde periode steeg de waardering voor de kranten. Nederland raakte steeds hoger opgeleid, wat zich vertaalde in een explosieve groei van de krantenoplagen.
De integrale mediamarkt die in de jaren zeventig en tachtig ontstond, had ook een keerzijde. De media hadden geen vanzelfsprekende aanhang meer en moesten vechten om de aandacht van de individuele consument. Door de ideële nivellering van het medialandschap gingen ze zich steeds meer op elkaar richten. Er ontstond een gemeenschappelijke nieuwsagenda, met, in de slechtste gevallen, steeds meer van hetzelfde. En omdat media niet alleen een sociale institutie zijn met een maatschappelijke taak, maar ook een industrie die winst moet maken, raakte het nieuws steeds meer doordrenkt met amusement en emotie. Jan Blokker zei ooit dat geen krant de thermometer zo diep in de billen van de samenleving stak als De Telegraaf; tegenwoordig meten vrijwel alle media bij elk wissewasje de maatschappelijke temperatuur.
Het was niet alleen zo dat de media ontzuilden, ze liepen zelf voorop bij het neerhalen van de zuilen. Van slippendragers werden journalisten rebellen. Ze gingen de confrontatie aan met politici en andere gezagsdragers, en zetten ze, bijvoorbeeld in de vernieuwende tv-programma’s van de VPRO, als het even kon ook nog te kakken. In die kritische, onafhankelijke houding werd de kiem van John Lloyds ‘cultuur van wantrouwen’ gelegd.
Volgens H.J.A. Hofland vormde 1989 een cesuur. De Koude Oorlog was een werelddrama waarin men gedwongen was betrokken te zijn en ideologisch partij te kiezen. Na de val van de Muur zette de depolitisering in en begon de betrokkenheid te smelten als poolijs. In 1989 traden ook de commerciële televisiezenders tot het bestel toe en begonnen fun, entertainment en sport aan hun onweerstaanbare opmars. Het nieuws ging steeds meer aan de wetten van de amusementstelevisie beantwoorden; het werd steeds meer een show.
De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) concludeerde in haar rapport Medialogica uit 2003 dat het publieke debat steeds meer wordt bepaald door de mogelijkheden en begrenzingen van het medium, en dan vooral de tv. Door medialogica kortom, het strakke korset waarin media, politici en burgers zich moeten bewegen. Politiek en media hebben hetzelfde belang: met prikkelend nieuws een zo groot mogelijk publiek bereiken. Het gevolg is een innige verstrengeling van pers en politiek. Maar in de 24-uurs-nieuwsmarkt die is ontstaan moeten politici concurreren met andere BN’ers en voert dat nieuws de boventoon dat als theater kan worden gebracht.
Kenmerken van de medialogica zijn: de grote snelheid van het nieuws; framing, het nieuws gebracht als een conflict tussen personen of als een wedren naar de macht; personalisering; meutevorming en hypes; eindeloze herhaling (hoe vaak is de klap van Lakeman op tafel in De wereld draait door niet langsgekomen?); en de anchorman als ster, even vaak, zo niet vaker aan het woord dan zijn gasten; de ironische vaak zelfs cynische toon. Het is inmiddels een rijtje dat iedere enigszins onderlegde mediagebruiker kan opdreunen.
Het gevolg van de medialogica is, volgens de Raad, dat burgers het vertrouwen in politiek en publieke instituties dreigen te verliezen. Hoger opgeleide burgers raken, aldus hoogleraar communicatiewetenschap Jan Kleinnijenhuis, gevangen in een ‘cynismespiraal’ en lager opgeleiden worden verbitterd, omdat de overheid in hun ogen niet in staat is problemen op te lossen.
En dan gaat het nog niet eens over internet, waar de anti-autoritaire geest van de jaren zestig het hevigst rondwaart en wantrouwen en verbittering hoogtij vieren. Om de omschrijving van Hofland te lenen: ‘Internet is het medium van briesende huismussen.’

HET LIJKT een eeuwigheid geleden, want als een mediahype ten einde is, is er eerst het gevoel van een verpletterende leegte. Maar in de val van de DSB-bank waren alle ingrediënten van de medialogica aanwezig. Het was het drama van Dirk, Wouter, Nout en Pieter, een conflict tussen personen. De deconfiture van de bank werd vooral op de televisie als soap gebracht, met de noodzakelijke cliffhangers – ‘Morgenavond hier aan tafel…’ – en de carrousel van hoofdrolspelers die de ene dag in de ene en de andere dag in de andere talkshow of actualiteitenrubriek kwamen opdraven. Het was een langzame doodsstrijd, omdat de rechtbank Dirk Scheringa steeds weer respijt gunde, en dat maakte het drama extra mooi. Sterven als in de opera: als je denkt dat het afgelopen is, volgt er toch nog een aria.
Er waren volop identificatiemogelijkheden door de alom aanwezigheid van de dramatis personae. Er waren winnaars en verliezers, helden en schurken, en het fijne was dat de rollen wisselden: de held bleek schurk, en omgekeerd. Pieter Lakeman, de ridder van de eenzame figuur die het voor een handjevol gedupeerden opnam tegen de grote vijand, zijn moment van glorie beleefde en toen als onverantwoordelijke querulant werd weggezet. Voor de stichting Lakeleed lijkt hij meer mensen te mobiliseren dan voor zijn eigen club. Nout Wellink, de sfinx die schuilhoudt in de ondoordringbare burelen van De Nederlandsche Bank en macht uitoefende, maar zweeg.
En, als onbetwiste hoofdfiguur, Dirk Scheringa, de selfmade man op geitenwollen sokken die zo gewoon was gebleven – nog altijd bij dezelfde vrouw, nog steeds trouw lid van de klaverjasvereniging – en een uitbuiter bleek te zijn. Maar de ‘woekeraar van Wognum’ transformeerde tot slachtoffer van het establishment dat hem niet ‘most’: ‘We zijn gewoon kapotgemaakt.’ De schurk werd weer held toen hij een heroïsch gevecht aanging met politiek en bewindvoerders om zijn bank te redden. ‘Dirk is een held’, stond er na het debacle op spandoeken van fans van zijn voetbalclub. En: ‘Dirk is een held, ook zonder geld’.
Op de achtergrond de rijzangen van de huilende benadeelden aan de ene en de loyale werknemers aan de andere kant.
Het is ronduit cynisch, die Umwertung aller Werte. De schurk is ster geworden en permitteert zich na zijn val nog sardonische grapjes ook. Hij denkt erover een boek te schrijven, waarvan de titel, naar eigen zeggen, niet ‘Roofbank’, maar ‘Bankroof’ zou kunnen zijn. En de naam voor zijn politieke partij weet hij ook al: ‘Partij voor de Mensen’. ‘Wouter bedankt!’ plakte het DSB-personeel in koeienletters op de ramen van het hoofdkantoor in Wognum.
Hoe onterecht ook, voor velen zijn het toch weer de politiek en de elite die de bank de afgrond in hebben geduwd. Althans, dat is wat van de beeldvorming blijft hangen. Dan mag uit een opiniepeiling van Maurice de Hond wel blijken dat volgens zijn panel Scheringa zelf de meeste schuld heeft aan zijn faillissement, 33 procent van de ondervraagden denkt dat de grote banken eraan hebben meegewerkt en een kleine zeventig procent gelooft niet dat het door minister Bos aangekondigde onderzoek de onderste steen boven zal krijgen. Het bijproduct van elke hype is wantrouwen.

IN DE DSB-AFFAIRE waren de media zelf ook nadrukkelijk actor in het drama. Allereerst kreeg Lakeman ruim baan in Goedemorgen Nederland om op te roepen tot een bankrun; vervolgens waren de andere programma’s zo vriendelijk de onbesuisde oproep te herhalen. Later, toen de storm wat leek te luwen, waren de Volkskrant en Het Financieele Dagblad voorbarig met hun onthulling dat de rechtbank de bank zondagnacht onder curatele zou stellen. De werkelijkheid haalde daarna het nieuws in.
En er was de onontkoombaarheid van het drama. ‘Het zijn onrustige, rellerige dagen’, schreef Remco Campert in zijn column in de Volkskrant: ‘Opgejaagd door onthullingen rennen we door de dag heen. Deze race is nauwelijks vol te houden en ik begin steeds meer de behoefte te voelen me eraan te onttrekken. Rust heb ik nodig, maar hoe en waar vind ik die?’ Hij vervolgt: ‘Niet aan Scheringa denken, niet aan Zalm en Wellink. Ook niet aan Lakeman of welke econoom dan ook. (…) Op de hielen gezeten door de stokebrand die nieuws heet, lukt het me maar ten dele.’
Campert legt de vinger op de zere plek. Door de alomtegenwoordigheid van de hoofdrolspelers zijn ze quasi-familie geworden, je ziet ze vaker dan je ‘echte’ familie en voelt je met ze verbonden. Maar het is daardoor ook alsof je van de ene familievete naar de andere wordt geslingerd en je permanent partij moet kiezen.
Een aantal maanden geleden haalde Bas Heijne in zijn column in NRC Handelsblad het boek Microtrends van Mark Penn aan. Penn is een van de meest scherpzinnige opinieonderzoekers van de Verenigde Staten en was vooraanstaand adviseur van Hillary Clinton toen zij een gooi naar het presidentschap deed. Hij constateert, gebaseerd op opinieonderzoek, een verrassende omkering van wat je zou denken: niet de lager en middelbaar opgeleiden, maar juist de elites wegen de persoonlijkheid van een politicus zwaarder dan de issues. Juist de mensen die het welvarendst en hoogst opgeleid zijn, betonen zich minder geïnteresseerd in economische en strategische kwesties dan in de persoonlijkheid van de politici. En de ironie wil dat de elites zo op de warme uitstraling en de vriendelijkheid van de politicus zijn gespitst, omdat zij ervan uitgaan dat de ‘gewone kiezer’ zich door diens persoonlijkheid laat leiden.
Bas Heijne vat het bondig samen: ‘Des te hoger de opleiding en het inkomen, des te meer men zich met trivia bezighoudt. (…) Het is de kletsende klasse, waartoe Penn ook de journalistiek rekent, die zich steeds meer verliest in oppervlakkigheden – terwijl gewone kiezers het het liefst over wezenlijke zaken zouden hebben.’ Zo bezien zijn veel media dubbel cynisch. Ze zijn het in hun a priori wantrouwen tegenover elke gezagsdrager, en in hun onderschatting van de lezers en kijkers.
Het is makkelijk om cultuurpessimistisch over de huidige mediadynamiek te somberen. Maar de burger, daar zijn vriend en vijand het over eens, wordt uitvoeriger en toegankelijker dan ooit geïnformeerd over de politiek en de drijfveren van politici. Met name de televisie trekt grote groepen burgers het debat in en vergroot hun betrokkenheid bij politiek. Ook zijn de media kwalitatief beter dan toen ze nog aan de leiband van de leiders van hun zuil liepen. En zelfs over de personalisering en de neiging tot kluitjesvoetbal valt wat positiefs te zeggen. De meutevorming van de media en de hypes maken dat er in korte tijd overeenstemming ontstaat over de betekenis van gebeurtenissen. De morele vertellingen, waarin het nieuws door de media wordt gegoten, leveren ook een moraal op.
De RMO waarschuwt in Medialogica voor het ‘politiek-publicitair complex’, de te innige verstrengeling tussen media en politiek in de roep om aandacht. Maar de media hebben een ander, veel massaler verbond gesloten met hun lezers en kijkers, een ‘publiek-publicitair complex’, met wantrouwen als bindmiddel. Het is een gevaarlijk verbond, omdat het populisten als Fortuyn en Wilders in het zadel helpt. De mediale achterdocht sluit naadloos aan bij de populistische agitatie tegen de elite. Zoals Mark Elchardus, hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en auteur van De dramademocratie, het in de jaarlijkse lezing voor de Raad voor het Openbaar Bestuur formuleert: ‘Wat in de oordeelsvorming vandaag samenvloeit zijn media-invloed en de politiek van het onbehagen. De media richten de aandacht op problemen en situeren die in een ontwikkelingsgang, een neergang: het verlies van een vreedzame samenleving, waarin mensen elkaar respecteerden en om elkaar gaven, en waarin werk zekerheid bood. De partijen van het onbehagen exploiteren dat gevoel.’
De journalisten hebben het eliteverbond met de politiek verbroken, en terecht, maar het is te hopen dat ze, meer dan nu het geval is, beseffen dat ze zelf tot de elites behoren. Nu houden ze zich vaak van de domme. We oefenen het recht op vrije meningsuiting uit, beweren journalisten bij kritiek maar al te graag, en geven verder vooral door wat er speelt. Ze praten en schrijven vol verbazing over de soaps die ze zelf gecreëerd hebben. Zeggen dat iets nu eenmaal nieuwswaarde heeft, en vergeten daarbij dat dat een tautologische opmerking is, omdat ze zelf de nieuwswaarde van gebeurtenissen bepalen. Als de media zich er meer van bewust zijn dat ze deel uitmaken van de elites kunnen ze ook meer maatschappelijk leiderschap tonen.