Twee landschappen in één hoofd

Henk van Woerden, Tikoes. Uitg. Balans, 216 blz., 334,90
EVENALS in Moenie Kyk Nie (1994) speelt in de nieuwe roman van Henk van Woerden, Tikoes, het Zuidafrikaanse land - de plek waar hij tussen zijn tiende en twintigste jaar woonde - een rol van betekenis. Die jaren zijn zonder twijfel cruciale jaren als het om je kijk op de wereld gaat. In zijn debuutroman ging het om zijn jeugd aldaar. Of beter gezegd, het boek vertelt de geschiedenis van een Hollands gezin dat er in de jaren vijftig neerstreek om er vervolgens hopeloos te desintegreren. Een moeder die sterft, een vader die achter elke rok die hij tegenkomt aan gaat, een zoon die een veilig heenkomen zoekt bij de politie, terwijl hij zelf de wijk neemt naar Europa.

In Tikoes lijken eigen ervaringen opnieuw de leverancier te zijn geweest van de literaire verbeelding. Hoofdpersoon daarin is Thys, de ik-verteller die na twintig jaar terugkeert op het oude nest, de Kaap. Waarom hij dat doet, is hem niet erg duidelijk. Dat hij het doet, telt.
Ooit is hij er vertrokken omdat - zo blijkt uit een bijna als een terzijde gemaakte opmerking - alle geweld hem ineens te veel werd. Een klap op zijn kop, een rit per ambulance, en het besluit is genomen. Met alle gevolgen van dien. Hij houdt aan zijn beslissing een blijvend litteken over dat alles te maken heeft met het gegeven dat er nooit definitief afscheid is genomen. Want al heb je je van land en familie losgemaakt, het verleden kan nog aardig blijven spoken.
Dat is hier inderdaad het geval. Op het oude continent heeft hij nooit werkelijk kunnen aarden. Al die moeizame jaren doolde hij door Europa, zonder huis of haard en ook al zonder begrip voor de mensen die er wonen. ‘Personages waren het gebleven. Personen die je tamelijk onwillekeurig met indrukken van vroeger had ingevuld. In Wenen, in Athene, Amsterdam en Londen was elke thuiskomst opnieuw lichtzinnig en tegelijk tevergeefs geweest. Van tevoren ingericht volgens een blauwdruk die je met je meedroeg uit een plek als deze. Gariep, de zee aan de andere kant van de bergen, de Kaap, vooral de voorsteden van de Kaap.’
De terugkeer is daarom meer dan een hernieuwde kennismaking met de plekken die zich in zijn geheugen hebben verankerd. Die is - zo blijkt al uit de allereerste zin van het boek - vooral een duizelingwekkende val in een niet of nauwelijks verwerkt verleden. Overigens daarom niet alleen een hachelijk avontuur. Want Thys maakt de reis in gezelschap van een vrouw op wie hij verliefd is maar die hij pas sinds tweeëneenhalve maand kent. Hoe hij met haar in contact is gekomen, blijft onduidelijk. Tikoes heet ze, zij is van Javaanse afkomst, opgegroeid in een 'vallei vol migranten ’ in Duitsland en zeker niet zomaar iemand, zoals weldra zal blijken. Voor haar is deze reis een welkome vlucht.
WAT HET DUO IN eerste instantie deelt, is hun fascinatie voor land en landschap. Ze hebben zo'n week of wat met elkaar over de Kaap getoerd, bezoeken afgelegd aan vrienden, bekenden en familieleden van Thys - zoals de inmiddels stevig geaarde broer Leo en de vroeger zo potige tante Emma -, genoten van Kingston Court en omgeving met zijn blauwe luchten, stiksel van wolken, verlaten baaien, hoog oprijzende rotsen, glooiingen, met zijn geuren van moerbei, magnolia, oleander en granaatboom, als zich een gruwelijk geheim ontsluit. Al die tijd is het met hen meegereisd maar onderhuids gebleven, en achteraf is het niet moeilijk om er menige plotselinge angstaanval of depressieve bui van Tikoes mee te verklaren. Her en der is er wel eens iets over Tikoes, verleden gezegd, de tragiek ervan maakt Van Woerden voor de lezer zichtbaar, en wordt Thys pas duidelijk vlak voordat beiden bij vrienden het kerstfeest zullen vieren.
Dat gebeurt aan zee. Het is een heldere nacht als Tikoes in een duinpan op de tast een eigen vierkante meter Arcadië inricht, een 'soort nest’, daarmee uitdrukking gevend aan haar wens in dit land te willen blijven om zo voorgoed met de achter haar liggende jaren te breken. Het moment lijkt onbewaakt, maar is geladen met voorgeschiedenis. Zij ontvelt een vijg, hij ziet de maan als een 'zilveren kris’ aan de hemel staan.
Dat blijkt geen beeld dat op zichzelf staat. Even verderop krijgt het een tegenhanger, zodat idylle en werkelijkheid elkaar dichter naderen dan waar ook in het boek. Daar rijmt het met een kris die een tijdlang dwars door Tikoes’ schedel stak, dag in, dag uit. Het wapen is dan symbool voor een leven dat werd getekend door drugs en geweld. Ze was eerst een drugskoerier, pendelend tussen Nederland en Duitsland, later zelf gebruikster. En al die tijd zat ze in de klauwen van een ploert, Alex, dealer en zuiplap, die met een Luger voortdurend onder handbereik en een verziekte geest over leven en dood denkt te kunnen beslissen. Als het hele verhaal uiteindelijk stukje bij beetje is uitverteld, blijken de feiten nog moorddadiger dan aanvankelijk gedacht.
Dat is overigens aan het slot van het boek en dan betreft het minder Axel dan Tikoes zelf. Haar persoonlijke geschiedenis heeft het rondtrekkend tweetal daar allang tot innige lotgenoten gemaakt en intussen Thys doen beseffen dat 'echte schoonheid ook zijn afschrikwekkende kant, heeft. Met Zuid-Afrika ligt dat voor hem niet anders.
DAT DILEMMA IS in de gememoreerde nacht aan het strand zonder meer aangrijpend uitgewerkt, maar dat is op een moment waarop het verhaal al stevig over de helft heen is. Er hapert iets met opbouw en ritme, de roman ligt - wat mij betreft - onvoldoende in kadans. De rondreis maakt veel zichtbaar van het overal aanwezige geweld, de schoonheid van het exotische landschap en de betoverende aantrekkingskracht van Tikoes, maar op plaatsen waar Van Woerden in zijn regie dwingender gebruik maakt van correspondenties en spiegelingen, slaat de vlam pas echt in de roman. Verslaafd makende liefde voor land en vrouw, het gewelddadige verleden dat ze delen, de sfeer van achtervolging en waan, de samenhang van geweld en erotiek, ineens komt alles in beweging. Omgeving en geest vervloeien, landschap en vrouwenlichaam passen in elkaar als Tikoes in haar kimono: 'Languissant landschap van zwarte zijde: een geborduurde pagode met een scharlaken dak, treurwilg, sierbruggetje, scheepjes die naar haar lendenen zeilen.’
Het kan zijn dat ik mezelf bedrieg, toch heb ik sterk de indruk dat in het vervolg hierop de taal ook strakker is aangelijnd. Dit opmerkelijke liefdesverhaal bewijst opnieuw dat Henk van Woerden stilistisch tot heel wat in staat is. Zelfs al blijven er allerlei dissonanten in zijn taalgebruik zitten. Zijn neiging tot literaire krullendraaierij levert nog wel eens een merkwaardig mengsel op van pretentieuze en naïeve mooischrijverij.
Wat te zeggen van formuleringen als: 'een anker waaraan de deinende scheepjes van onze reisverwachtingen verbonden zouden blijven ’, 'volgens jongerwets en al weer aandoenlijk achterhaalde verhoudingen ’, 'boven de horizon hing een oranjeblauwe speer in de lucht, gekieteld door het eerste licht achter de huig van het Hottentots-Hollands massief’, 'de buurt lag er verwaaid bij maar minder streng verstoven dan op de vlakte’, 'haar Engels droeg een charmant jasje, heel in de verte van Duitse snit’. Of deze variant op het zigeunermeisjecliché: 'Uit haar mondhoek gleed een druppel wijn langs hals en borstbeen naar beneden, tot het tussen de hellingen onder haar decolleté verdween. ’
DE REIS eindigt waar hij is begonnen, bij vrienden op Kingston Court. De cirkel is rond maar tot vertrekken of blijven is (nog) niet besloten. De laatst beschreven dag in het boek is veelzeggend genoeg: oud en nieuw. Tikoes twijfelt niet, Thys blijft vooralsnog haken aan de wens om één enkel ogenblik te beschrijven, losgemaakt van welke voorgeschiedenis ook. Even later reist zijn hand over de rug van een slapende Tikoes, als ging het om een wereldkaart. Die wendt zich eerst naar het zuiden, gaat vervolgens westwaarts naar de stuit en uiteindelijk langs heupen en ruggegraat omhoog naar het noorden. Die beweging correspondeert met wat hij zijn 'kameleon-gevoel’ noemt. Als een migrant blijft hij in verschillende geschiedenissen rondtollen met twee zielen in één borst, met twee landschappen in één hoofd.