Twee maal wozzeck

Het is zielig voor de betreffende componisten die in sommige gevallen niet eens echt onbegaafd waren, maar zij zijn bij voorbaat kansloos. Paisello’s De barbier van Sevilla, Gazanniga’s Don Giovanni, Daan Mannekes Tristan en Isolde, zij zijn gedoemd een bleekzuchtig bestaan te leiden in de schaduw van hun gelijknamige, wereldberoemde zusteropera’s.

Wat een tragiek! Het nieuwste voorbeeld plofte vanmorgen, schokvrij verpakt, in mijn brievenbus. Natuurlijk kent u allemaal, als beschaafde mensen, Alban Bergs opera Wozzeck. Maar kent u ook de Wozzeck van Manfred Gurlitt? Nee, net zomin als ik ooit van dit werk heb gehoord. Hij voltooide zijn opera in 1925, hetzelfde jaar waarin de opera van zijn collega Berg in premiere ging. Met als gevolg dat die schlemielige Gurlitt met zijn partituur net zo goed de kachel had kunnen aanmaken.
Qua opzet lijken de beide opera’s, die van Berg en die van Gurlitt, op elkaar. Allicht, wie zou het wagen de dramatische kracht te negeren van het toneelstuk van Georg Buchner, dat aan het een en ander ten grondslag lag? Met een verschil. Het toneelstuk van Buchner (hij was een kind van de negentiende eeuw, toen iedereen de joden haatte, tot de joden toe) bevat een scene waarin Wozzeck van een jood tegen een spotprijs het mes koopt waarmee hij even later zijn Marie overhoop zal steken. Ik til niet zo zwaar aan dit tafereel, dat, mijns bedunkens, meer zegt over de handelsgeest van Wozzeck dan de fundamentele schraapzucht van zijn joodse leverancier, maar Alban Berg heeft dit gedeelte niettemin discreet geschrapt. Manfred Gurlitt heeft het daarentegen gehandhaafd. De nazi’s blij, zou je denken. Mis, een paar jaar later werd Gurlitt door de cultuurpolitici van het Derde Rijk ontaard verklaard, dus zo slecht kan zijn muziek onmogelijk zijn geweest.
Getuige de eerste en enige CD-opname (Capriccio, 600052-1). Nee, het podium van het Muziektheater zal deze herontdekte opera niet halen. Wellicht verschijnt hij ooit concertant op het podium van het Concertgebouw, in het kader van de Matinee op de Vrije Zaterdag, al missen wij dan wel de decoratieve wijze waarop Marie (‘Bist du tot! Tot! Tot!’) om het leven wordt gebracht.
Hoe zit het eigenlijk, politiek gezien, met Alban Berg, een der opperpriesters van de contemporaine toonkunst en dus een automatische kandidaat voor de nationaal-socialistische brandstapel? Er zijn een paar bladzijden in zijn biografie die wij met gemengde gevoelens lezen. Toen het in het pre-nazistische Duitsland, waarvoor zijn Wozzeck veel te aanstootgevend was, begon te rommelen, stuurde hij een cultuurfunctionaris het schriftelijk bewijs van 'mein Ariertum’. En schreef: 'Ik ben in staat op grond van familiedocumenten mijn stamboom tot in het begin van de achttiende eeuw te documenteren.’
Zo gaan die dingen helaas. Alban Berg was arier. Zijn medestrijder Anton Webern was antisemiet. Zijn proletarische concurrent Hanns Eisler was een soort stalinist. Hun aller leermeester Arnold Schonberg een diepvriesreactionair. Artistiek gezien vormden zij niettemin de voorhoede van de avant-garde, met werken die tot de dag van vandaag elk contemporain muziekstuk moeiteloos in de schaduw stellen.