Uwe Timm, Mijn broer bijvoorbeeld

Twee ongelijke broers in Duitsland

Uwe Timm

Mijn broer bijvoorbeeld

Podium, 152 blz., € 15,-

Met Mijn broer bijvoorbeeld heeft de golf van boeken waarin Duitse auteurs op zoek gaan naar het oorlogsverleden van hun vaders en grootvaders nu ook Nederland bereikt. In Am Beispiel meines Bruders is de schrijver Uwe Timm weliswaar niet direct op zoek gegaan naar zijn vader, maar naar Karl-Heinz, zijn zestien jaar oudere broer die zich eind 1942 vrijwillig meldde bij de Waffen-SS en in 1943, negentien jaar oud, sneuvelde in Oekraïne. Maar vader Timm speelt een nauwelijks geringere rol in dit literaire document over schuld en herinnering, over het Derde Rijk en het naoorlogse zwijgen.

De schrijver heeft slechts één, hoogst vage herinnering aan zijn broer. Hij was een kleuter en werd door een blonde man opgetild. Maar toch was die broer in zijn jeugd steeds aanwezig, soms in een droom, maar meestal in de verhalen van zijn ouders die over hem spraken als die «dappere, fatsoenlijke jongen», een beeld dat gezien de misdaden van de SS niet kon kloppen. Maar er was kennelijk lange tijd een zekere schroom om dat beeld te verstoren. Pas na de dood van zijn moeder en zijn achttien jaar oudere zus voelde Uwe Timm zich vrij om over Karl-Heinz te schrijven, pas toen kon hij werkelijk lezen in het dagboek van zijn broer uit 1943 en de veldpostbrieven die hij naar zijn vader en moeder schreef.

Mijn broer bijvoorbeeld heeft met alle andere boeken over het verleden van Duitse vaders en grootvaders gemeen dat het een familiegeschiedenis is. Een ander gemeenschappelijk aspect is dat kennelijk vele jaren moesten verstrijken alvorens dat zeer persoonlijke verleden onder ogen kon worden gezien. Dat veel Duitsers lid waren van de nazi- partij en dat onder Hitler gruwelijke misdaden zijn gepleegd, is bekend. Maar de eigen broer, vader of opa was natuurlijk geen nazi; dat kon, dat mocht niet waar zijn.

Die familiegeschiedenissen verschillen verder duidelijk van elkaar. Sommige boeken zijn sterk biografisch, zoals Timms boek en het onlangs verschenen Meines Vaters Land: Geschichte einer Deutschen Familie van de Duitse publiciste Wibke Bruhns. Andere hebben de vorm van een roman, zoals Unscharfe Bilder van Ulla Hahn en Himmelskörper van Tanja Dückers, of hangen daar tussenin, zoals Ein unsichtbares Land van Stephan Wackwitz. Jonge auteurs willen vooral het verleden leren kennen en vellen geen moreel oordeel. Oudere schrijvers doen dat laatste wel, zo ook Uwe Timm.

Hij heeft het over de «met schuld beladen vadergeneratie», en over «de dader generatie» die na ’45 bleef bespreken hoe de oorlog wellicht toch nog gewonnen had kunnen worden, maar zweeg over de holocaust. Het was de generatie die de schuldvraag ontweek, geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor het nazi-verleden en zich beriep op «bevel is bevel» en «dat hebben we niet geweten». Timm schrijft: «Bevelen opvolgen bete kende na de oorlog: massamoordenaars vrij laten rondlopen en ze weer rechter, medicus, politie agent, professor laten worden.» En wat bladzijden verder: «Ze hadden het niet willen zien, ze hadden de andere kant op gekeken.»

Mijn broer bijvoorbeeld telt 152 bladzijden en is dus bepaald geen dik boek. En toch is de inhoud veelomvattend. Timm analyseert koel het leven van zijn autoritaire vader, voor wie «dapperheid, plicht, traditie onverbrekelijk met elkaar verbonden» waren. Liefdevol vertelt hij over het leven van zijn moeder en zijn zus. Maar het gaat ook steeds weer over die naoorlogse Duitse samen leving, waar al die mannen die tot 1945 bevelen hadden gegeven en strikte gehoorzaamheid hadden geëist nu zelf nederig moesten luisteren naar de orders van de geallieerde bezetters. Timm heeft het over de «degradatie van de vaders» die alleen nog maar thuis konden commanderen, en over het geweld dat voortwoekerde. «Geweld was normaal. Overal werd geslagen, uit agressie, uit overtuiging, uit pedagogische overwegingen, op school, thuis. Op straat.» Het was een hoogst deprimerende tijd.

En tussen dit alles door vertelt hij behoedzaam, bijna tastend over zijn broer aan het front in Oekraïne. Karl-Heinz was als kind zwak en bangelijk, een dromer die zichzelf een troetelnaam had gegeven: Koerdelboemboem. Toen hij achttien was geworden, meldde hij zich vrijwillig bij de Waffen-SS, «uit idealisme», zoals zijn moeder zei. Met de SS-Totenkopfdivision werd hij naar het oostfront gestuurd.

Timm had gehoopt een wat duidelijker beeld van zijn broer te krijgen, maar dat lukt niet erg: «Mijn broer wordt vrijwel nergens zichtbaar.» In het dagboek uit 1943 staan vrijwel uitsluitend korte notities over het verloop van de oorlogshandelingen. Er is nergens een spoor van medeleven te vinden met de slachtoffers. Wel wordt duidelijk dat Karl-Heinz onderscheid maakt tussen Duitse en Russische slachtoffers. Zo schreef hij in augustus 1943 in een brief aan zijn vader over de Engelse luchtaanvallen op Duitse steden: «Ik wou dat ze ophielden met dat gedonder. Dat is toch geen oorlog meer, dat is moord op vrouwen en kinderen, dat is niet humaan.» Timm herinnert er vervolgens aan dat in die tijd in Oekraïne vrouwen en kinderen werden vermoord door de SS, maar over hen schreef zijn broer niet. Zijn bittere commentaar: «Zij komen nergens voor, waarschijnlijk vond hij dat leed, die vernielingen en dodelijke slachtoffers normaal, dus humaan.»

Aan het eind van het dagboek vindt Timm toch nog een «lichtstraal in de duisternis». Daar schreef zijn broer: «Hiermee sluit ik mijn dagboek af, omdat ik het onzinnig vind zulke wrede dingen die soms gebeuren, bij te houden.» Zou zijn broer toch iets van schuld zijn gaan voelen en in verzet zijn gekomen?

Mijn broer bijvoorbeeld, dat het afgelopen najaar in Duitsland een bestseller werd, is goed geschreven en werd door Gerrit Bussink goed vertaald. Wat het interessant maakt is dat het aan de hand van geschreven portretten van een Duits gezin inzicht verschaft in een verleden waarover veel bekend is, maar waarboven toch steeds de vraag blijft hangen: hoe kon dit gebeuren? Het laat daarnaast zien hoe na 1945 op dit nazi-verleden werd gereageerd door de generatie die de oorlog had gevoerd en meegemaakt, en de generatie die in het naoorlogse Duitsland opgroeide. Want het boek is ook het verhaal van twee ongelijke broers en van een generatieconflict dat in 1968 tot uitbarsting kwam. Timm maakt de lezer deelgenoot van zijn eigen jeugd ervaringen. Hij behoorde tot de zonen die in opstand kwamen tegen hun autoritaire vaders. Zo werd het boek ook een zoektocht naar Uwe Timm zelf.