Becker, Bussemaker, Van der Ploeg

Twee over Paars

Frans Becker e.a. (red.)

Zeven jaar paars: Het tweeëntwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme

Uitg. De Arbeiderspers, 236 blz., € 16,95

Jet Bussemaker en Rick van der Ploeg (red.)

Leven na Paars?

Uitg. Prometheus, 328 blz., € 15,50

De media-aandacht voor kritische geluiden over Paars is volgens PvdA-voorman Ad Melkert «excessief». Het succes van Leefbaar Nederland is daaraan te danken, zei hij een paar weken geleden, nog ruim voordat Pim Fortuyn het veld ruimde, voor de EO-radio. Misschien zwakt met Fortuyns vertrek de onstuimige groei van Leefbaar Nederland iets af, de kritiek op Paars zal niet verstommen. Meteen toen partijvoorzitter Jan Nagel liet weten Fortuyn af te danken als lijstaanvoerder sprak hij de hoop uit met de eventueel nieuw te vormen lijst-Fortuyn gezamenlijk ten strijde te kunnen trekken tegen de paarse brij. Nagel was duidelijk: zijn politieke stroming bestaat linksom of rechtsom bij de gratie van kritiek op Paars.

De punten van kritiek zijn in zekere zin niet zoveel anders dan waar de traditionele oppositie de laatste tijd mee aankomt. Nagel en Fortuyn hekelen de wachtlijsten in de zorg, de opstoppingen op de autowegen, de eindeloze vertragingen op het spoor en de onveiligheid op straat. Dat doet iedereen. En hoewel in het in omvang bescheiden verkiezingsprogramma geen panklare oplossingen worden geleverd, zijn volgens de Leefbaren veel problemen op te lossen door enerzijds de macht van ambtenaren en managers te breken (Fortuyn) en anderzijds de overheidsprivatiseringen terug te draaien (Nagel, Van Kooten); twee in klassiek ideologisch opzicht schijnbare tegenstrijdigheden. Ook de achterkamertjes van de politiek moeten verdwijnen, vindt LN. Democratische controle is ver te zoeken en de burger wordt nog maar zelden serieus genomen.

Het opmerkelijke van de door Melkert gehekelde kritiek op Paars is dat die niet alleen van Leefbaar Nederland en de oppositiepartijen komt, maar ook vanuit de partijen die zelf verantwoordelijk waren voor Paars. Natuurlijk, het is verkiezingstijd en dan willen mensen zich weleens wat krasser opstellen, maar al halverwege het tweede paarse kabinet sprongen op de linkerflank opererende PvdA-kamerleden als Adri Duivesteijn en Jet Bussemaker in de bres voor een toekomstige regeringscoalitie met GroenLinks en het CDA en keerden zich zo af van de paarse gedachte. In PvdA-kring zijn, eveneens ruim voor de landelijke verkiezingscampagnes begonnen, twee boeken verschenen die proberen na zeven jaar Paars de balans op te maken.

Leven na Paars? poogt aan de hand van enkele specifieke beleidsterreinen en een iets theoretischer uiteenzetting over de Derde Weg aan te geven «wat de uitdagingen voor de toekomst van de politiek in het algemeen en de sociaal-democratie in het bijzonder» zijn. Het boek is samengesteld door Jet Bussemaker en cultuur-staatssecretaris Rick van der Ploeg, die anders dan zijn medeauteur doorgaans in de meer liberale gelederen van de Partij van de Arbeid wordt ingeschaald. Ondanks het bij tijd en wijle tamelijk ondoorgrondelijke idioom, is de inleiding van Bussemaker en Van der Ploeg als rechtvaardiging voor de PvdA-deelname aan Paars niet onaardig. Voor het overige blijft het boek hangen in een opsomming van stokpaardjes die de verschillende auteurs, specialisten op het terrein dat ze behandelen, al menigmaal bereden hebben: zo mag Eduard Bomhoff, geestdriftig citerend uit eigen werk, zijn pijlen andermaal richten op het zorgstelsel en zo kan Roel in ’t Veld de door hem al langer bepleite marktgerichte benadering van het onderwijs nog eens uit de doeken doen. Een rode draad of een gemeenschappelijke gedachte over de toekomst van Paars is uit de bijdragen niet te destilleren.

Een van de doelstellingen van Paars, het hervormen van de «politieke cultuur», is maar weinig van de grond gekomen. PvdA en VVD smoezen in dezelfde achterkamertjes als een decennium eerder het CDA dat deed. En hoewel er voor de bühne een paar keer bonje is geweest met de sociale partners heeft het primaat van de politiek, waar Paars in het eerste regeerakkoord zo mee schermde, maar weinig terrein teruggewonnen. Het Torentjesoverleg tussen de fractievoorzitters en de premier, dat voor de oppositie onder de kabinetten-Lubbers symbool stond voor de gesloten bestuurscultuur van het CDA, is onder twee kabinetten-Kok geperfectioneerd.

Getuige de akkefietjes rond de afvallige PvdA-kamerleden Apostolou en de vertrokken Van Gijzel heeft ook de fractiediscipline in de Tweede Kamer nieuwe hoogten bereikt. Van werkelijk dualisme tussen Kamer en kabinet is het nooit gekomen. Paars «overwon» weliswaar (confessionele) «dogma’s en ingesleten tegenstellingen», namelijk die tussen liberalen en sociaal-democraten, in de politieke cultuur heeft de sociaal-liberale samenwerking geen doorbraak laten zien, schrijven Bussemaker en Van der Ploeg dan ook — overigens zonder zich over de democratische tekortkomingen die Paars van het CDA overnam in expliciete zin uit te laten.

In hun inleidende stuk pleiten ze voor een politiek van het «radicale midden», een «links-realistische agenda» en een «links-radicaal programma» — drie afwijkende benamingen voor dezelfde ietwat schimmig gedefinieerde Nederlandse versie van de Derde Weg. «De PvdA moet een gezonde afstand nemen van de liberale Angelsaksische invulling van de Derde Weg, net zoals de PvdA zich ook niet voor honderd procent moet identificeren met het beleid van Paars. Tegelijkertijd dient met kracht afstand te worden genomen van de ouderwets-linkse agenda.» Daarmee kun je in ieder geval alle kanten uit. Van der Ploeg en Bussemaker hadden er kennelijk enige moeite mee om op één lijn te komen.

Wim Kok noemde in 1994 bij zijn aantreden als premier het paarse samenwerkingsverband tussen VVD en PvdA een «doodgewoon kabinet». In Zeven jaar paars: Het tweeëntwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme wordt expliciet gemaakt dat Kok daarin gelijk had. Een voor een worden de volgens Bussemaker en Van der Ploeg nog overwonnen «dogma's» in het jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk instituut van de Partij van de Arbeid, gevoeglijk doorgeprikt. Zo maakt politicologe Margo Trappenburg aannemelijk dat ook voor wat betreft de afhandeling van morele issues (euthanasie, abortus et cetera), de uitsluiting van het CDA weinig verschil heeft gemaakt.

Niet alleen de bestuurscultuur van Lubbers’ CDA is door Paars voortgezet, ook het beleid is dus niet zo afwijkend. Emeritus hoogleraar politicologie Hans Daudt gaat in zijn bijdrage aan de bundel nog iets verder. «Er zou met denkbeeldige kabinetten Lubbers IV en Lubbers V in voorgenomen regeringsbeleid en in resultaten geen verschil zijn geweest met de resultaten van de beide paarse kabinetten. Dat geldt met inbegrip van de zogenaamde ‘immateriële zaken’ waarbij waarden en normen geacht worden een grote rol te spelen», schrijft hij.

Daudt, die net als andere auteurs in het jaarboek aanzienlijk kritischer over de teloorgang van de democratische controle schrijft dan wie ook in Leven na Paars?, verwijt potentiële regeringspartijen niet minder dan «systematisch kiezersbedrog». De grote partijen hebben dan wel hun ideologische veren afgeschud, tegelijkertijd is duidelijker geworden dan voorheen «dat grote wijzigingen in de partijpolitieke machtsverhoudingen betrekkelijk onbelangrijk zijn, om dat er in feite geen sprake is van parlementaire democratie». Wat Nederland nodig heeft om de «regentenheerschappij» te breken, is een partij die de staatsrechtelijke voorstellen van D66 herintroduceert, vindt Daudt. Een partij met het program van LN dus. Wellicht dat na het vertrek van Fortuyn deze partij het democratiserende gedachtegoed nieuw leven kan inblazen.