Toneel: Theater Scholenfestival

Twee poppenhuizen

Als theatermaker Bram Jansen niet op de Toneelacademie Maastricht had gezeten, was hij bioloog geworden, misschien met als specialisatie: het driftleven van dieren en mensen.

Nu studeert hij als regisseur af met de eerste seksuele ontsporing uit de geschiedenis van het West-Europese toneel, de eenakter Freule Julie (1888) van het Zweedse genie August Strindberg. Een adellijke jongejuffrouw vrijt daarin met de knecht van haar vader, gevolg: klassenstrijd en zelfmoord. In de zeer kleine ruimte achter op het lege toneel krijgen we alles te zien maar niet alles te horen. Er zit een echte vierde wand tussen, van glas, zo blijkt later. Kijken we naar pratende proef­dieren in een laboratorium? En spreekt die indringende voice-over de darwinistische voorkennis van Strindberg uit?

Ik heb geen antwoorden, maar feit is dat Bram Jansen een intrigerende kijk op die evergreen uit het wereldrepertoire aflevert. Nog een hit uit de toneelboekenkast komt voorbij in dit festival voor kersverse theatertalenten. Van die andere freudiaan uit het hoge noorden, Henrik Ibsen. Nora of Een poppenhuis (1879) heet dat stuk. Over een advocatenvrouw die zich chantabel heeft gemaakt via een riskante lening en valsheid in geschrifte. Als Nora’s fraude de reputatie van haar man dreigt te ondermijnen, wast hij haar nogal ordinair de oren, waarna ze wegloopt van man en kind. Destijds een schandaalstuk (dat vond collega Strindberg al een tikje overtrokken), nu in potentie een belegen brok huiskamertoneel met een hoog oh-la-la-gehalte. Ibsens landgenote Maren Bjorseth (jaargang 1984) kwam in 2008 naar Amsterdam om regie te studeren en legt met dit stuk haar proeve van bekwaamheid af. Poppenhuis heet de voorstelling kernachtig. Ze wint er de Ton Lutz-prijs voor de beste regie mee.

Bjorseth en haar vormgever Marjolijn Brouwer (die afstudeert als scenograaf) hebben de ijzeren plotconstructie van het stuk niet verdonkeremaand maar juist geaccentueerd. Een hoge speelvloer herbergt een keldergewelf dat een geraffineerd spel van opkomsten en afgangen mogelijk maakt – de associatie met lijken-in-de-kast krijg je er als kijker spelenderwijs bij. De Nora-figuur wordt vaak gespeeld als een dame met het floers van de aanstaande neergang van haar huwelijk al op de konen. Niets daarvan bij vertolkster Keja Kwestro. Als we binnenkomen swingt ze boven op haar poppenkast, met een belipstickte smile van oor tot oor vist ze verboden snoepgoed uit haar decolleté, ze is de gangmaker van een onwijs gave party. De smetjes op het burgerlijk blazoen etst Keja Kwestro er bijna nonchalant in, zo slim en subtiel dat je het als kijker niet eens in de gaten hebt, ook door het mooie tegenspel van echtgenoot Helmer (Tobias Nierop). Zijn extreem wrede vernedering van Nora vormt de aanzet tot een zinderende finale. Keja Kwestro krabbelt op uit de harde tackle en tovert met intelligente toneelspelersintuïtie een scherp weerwoord bij elkaar. Je ziet in die finale in één oogopslag dat toneelspelers, regisseur en vormgever een vaste greep hebben op stuk, plot, situatie en op de ontknoping. Als bijvangst van de Ton Lutz-prijs mag de jonge troep de voorstelling na de zomer een week in het Amsterdamse Compagnietheater komen spelen. Iets om naar uit te kijken. Te meer omdat een ander groot en nog jong regietalent, Thibaud Delpeut, komend najaar bij Toneelgroep Amsterdam dit stuk gaat regisseren. En om de cirkel van de jonge talenten in het toneel rond te maken: Delpeut presenteerde eerder dit seizoen een verrassende kijk op… Freule Julie.