Twee recepten tegen cultuurpessimisme

Als je de artikelen van Jan Greshoff en Johan Huijts over Russische cultuur leest, begrijp je één ding: vandaag is alles beter!

De achterlijkheid van vooroorlogs Nederland. Jan Greshoff (1888-1971), beroemd dichter, essayist, journalist, belangrijke kracht achter het tijdschrift Forum, schreef een stuk over de opleving van de Russische kunstnijverheid, gepubliceerd in De (Groene) Amsterdammer van 30 augustus 1919. Een artikel dat je aan het denken zet, zoals zo vaak bij slechte artikelen.
Greshoff schreef over de opleving van de Russische kunstnijverheid, zeg maar de Russische Arts and Crafts Movement, en de invloed die deze beweging uitoefende op het ontstaan van de moderne kunst in en buiten Rusland. Een belangrijk onderwerp, want zowel het ontstaan van de abstracte schilderkunst, de muziek van Strawinsky als zelfs het ontstaan van de moderne dans is in belangrijke mate verbonden met de opleving van die Russische kunstnijverheid. Dat Greshoff dat niet zag in 1919 zij hem natuurlijk vergeven, maar je hoopt natuurlijk dat hij zijn lezers althans wat zinvolle informatie gaf, en in staat was om een en ander in een historische context te plaatsen. De Russische Arts and Crafts Movement was immers in 1919 al meer dan veertig jaar oud. Ze beleefde haar hoogtepunt rond 1900, en was in 1910 eigenlijk voorbijgestreefd en uitgebloeid. De twee grote centra, de kunstenaarskolonies Abramtsevo en Talasjkino, waren in 1919 alweer jaren gesloten. Al deed Greshoff alsof hij de hipste kunst besprak, in feite sprak hij over een historische beweging; een groot aantal van de kunstenaars die hij noemde was al jaren dood.

Het was niet zo dat Greshoff onmogelijk bij de informatie kon. Er waren in Frankrijk, Duitsland en Engeland honderden artikelen geschreven over de Russische kunstnijverheid en de invloed die zij uitoefende op de moderne kunsten. Schrijvers als Rainer Maria Rilke, Harry Graf Kessler, André Gide, Jacques Rivière; ze hadden zich erin verdiept en publiceerden erover. Rilke was zelfs een behoorlijk serieuze specialist en schreef al rond de eeuwwisseling over het onderwerp. Zo’n Greshoff las die schrijvers toch wel? Maar het enige wat Greshoff zijn lezers te bieden had, was desinformatie, politiek onbenul, gemeenplaatsen met een baard en een verbijsterend gebrek aan professionalisme. Het is nog wel geestig om zo’n slogan als ‘de Russische kunstnijverheid is de bron waaruit onze Westersche kunst de dronk der jeugd kan putten’ – al rond 1900 door de impresario Sergei Diaghilev bedacht voor de propaganda van Russisch cultuurgoed – bij Greshoff te zien terugkeren als onvervalste intellectuele bon mot. Grotesk, maar toch ook grappig is het als Greshoff, twee jaar ná de revolutie, dingen schrijft als: ‘Het is een bewijs voor de gezondheid van den Russischen geest en de Russische samenleving, dat adelijke dames met eenvoudige boerinnen (…) samenwerken, en samenwerken kunnen, omdat zij naar het innerlijk wezen zoo dicht bij elkaar staan.’ Greshoff legt daarbij uit dat hij schrijft over ‘de toestanden voor de revolutie’.

Als Greshoff over de revolutie zelf schrijft, blijkt zijn grote talent voor het parafraseren van gemeenplaatsen: ‘Men verbaast zich over de prachtige moreele krachten, die in de dagen van de revolutie aan den dag zijn gekomen, te midden van de eenvoudige, lang onderdrukte landelijke bevolking van het land. Men staat verbaasd over het heldere verstand, het rijpe menschelijke gevoel en de humane tederheid van boeren in een vergeten deel van een onmetelijk rijk.’ Je gaat bijna geloven dat Greshoff erbij is geweest. En zo ja, zou hij dan met die prachtige moreele krachten vooral doelen op de pogroms van de tsaargetrouwen, de lynchpartijen van de boeren, of toch gewoon het zoutzuurbad waarin de revolutionairen ‘met humane teederheid’ probeerden het gewurgde lijkje van de zesjarige tsarevitsj Aleksej op te lossen? Oké, oké, dat kon Greshoff allemaal niet precies weten, maar als je zoveel politieke naïviteit tentoonspreidt, vraag je erom op de vingers te worden getikt, 88 jaar later, maar eigenlijk ook in 1919.

De Russische burgeroorlog was destijds in volle gang, een gebeurtenis die toch ook in Nederland niet onopgemerkt bleef. Zelfs iemand die alleen maar kranten las, moet toch hebben begrepen dat Rusland totaal verscheurd was en bezig was te verzinken in een fantasmagorisch bloedbad. Desalniettemin schreef Greshoff: ‘En de groote betekenis van Rusland in Europa is alleen te verklaren uit het feit, dat het zulk een sterke innerlijke eenheid en zulk een homogeene geestelijke macht vormt.’ Ja, als zelfs de meest evidente historische feiten geen enkele betekenis voor je hebben, kun je lekker doorschrijven.

In zijn algemeenheid huldigt Greshoff de opvatting dat vernieuwing van de kunsten enkel nog kan voortkomen uit een hernieuwde oriëntatie op de volkskunst. En aangezien die volkskunst in Europa te zeer vermengd is geraakt met burgerlijke vormen, moet die vernieuwing van buiten Europa komen. Uit Rusland bijvoorbeeld, waar het volk nog een eenheid vormt en nog een directe relatie heeft met de volkse traditie. ‘In een goed Russisch kunstwerk uit zich gans een volk.’ Het is de mode van eergisteren die Greshoff hier herkauwt, maar het is de enige aanwijzing dat hij tenminste iets had vernomen van de alleroppervlakkigste trends in de internationale kunstwereld. Iets beters kun je er niet van zeggen.

Schrijft Greshoff dan helemaal niets waardevols? Of tenminste iets wat geen onzin is? Goed, hij noemt Kandinsky (die hij eerst juist spelt, maar even later Kadinsky noemt), Strawinsky en Diaghilev (gespeld als Diaghilfe), maar hij schrijft over hen verder nauwelijks iets. Hij geeft niet de indruk dat hij ooit een schilderij van Kandinsky zag, een compositie van Strawinsky hoorde, of een voorstelling van Diaghilev heeft bijgewoond, terwijl er zeker over Stravinsky en Kandinsky in De Groene toch al veel was geschreven. De Saisons Russes van Diaghilev heten bij Greshoff Semaines Russes, de criticus Vladimir Stasov heet Vladimis Stossoff, de kunstenaar Roerich, eerst juist gespeld, heet verderop ineens Boerich. De steden Tver en Saratov worden Ter en Satatov. Binnen het bestek van vier regels heet de stad Kostroma eerst Kistroma, dan Kosroma en dan pas Kostroma. Dat kan niet alleen maar de schuld zijn van een dronken zetter.

Onduidelijk is uit wiens mond Greshoff al die onzin heeft opgetekend, want hij houdt zijn bronnen verborgen. En dat is de enige zonde, godzijdank, die hedendaagse Nederlandse publicisten met hem delen. Want zelfs als je Greshoffs modieuze thema’s zou vervangen door hedendaagse parallellen (iets over het nut van kritische kunstenaars, globalisering of de rechtsstaat, ik noem maar wat), dan nog zou je nooit een dergelijk ongeïnformeerd, bizar slordig artikel geplaatst kunnen krijgen.

Greshoffs artikel laat vooral zien hoe allemachtig provinciaals de Nederlandse kunstkritiek was voor de oorlog. De Groene was een van de zeer weinige kranten die serieuze aandacht besteedden aan kunst en Greshoff vertegenwoordigde het beste wat de Nederlandse publicistiek te bieden had. Hier moest je het als lezer mee doen.

Het lezen van Greshoffs artikel is daarom vooral een recept tegen cultuurpessimisme. De meest indolente stagiair van De Groene schrijft werkelijk beter en helderder en is ongelooflijk veel beter geïnformeerd dan Jan Greshoff. Als dat deels de verdienste is van de informatiemaatschappij, dan leve de informatiemaatschappij.

Dat er niet alleen op intellectueel gebied vooruitgang is geboekt, maar ook op moreel gebied, bewijst een ander stuk over Russische cultuur dat verscheen in De Groene in 1938, van mr. Joh. Huijts. Titel is De val van Meierhold. Het redelijk goed geschreven en geïnformeerde stuk handelt over het ontslag van de theaterregisseur Vsevolod Mejerchol’d (hier dus gespeld als Meierhold), een van de belangrijkste theoretici van het theater van de twintigste eeuw. Meierhold was de grote tegenhanger van Tsjechov-regisseur Stanislavsky en zijn ideeën vormden ook de basis voor het theater van Brecht. Begin jaren dertig raakte deze Meierhold in conflict met de sovjets, ondanks zijn grote reputatie in Europa. Het stuk van Huijts was geschreven om de linkse intelligentsia in Nederland ervan te overtuigen dat Meierhold zijn ontslag geheel aan zichzelf te wijten had, en dat de sovjets goede redenen hadden om zich van hem te ontdoen. De argumenten die hij daarvoor gebruikte kwamen rechtstreeks uit de koker van de stalinistische propaganda. Meierhold zou zich elitair en individualistisch opstellen. ‘Dat wekte de argwaan van de Sowjetcritiek’, schrijft Huijts. In de sovjetmaatschappij ‘heeft de kunst begrip voor de massa te tonen, voordat de kunst om begrip van de massa vraagt. Wie dat niet doet, vervreemdt zich van de massa. Misschien wordt hij haar vijand.’ Huiveringwekkende regels, want een ‘vijand van de massa’ klinkt net als een ‘vijand van het volk’. En als dat epitheton aan je kleefde, werd je bestaan in de Sovjet-Unie snel minder plezierig. Maar een jaar later, in 1939, werd Meierhold gearresteerd en na vreselijke folteringen de dood ingejaagd. En waar was Huijts? U gelooft het niet, maar Huijts – die vermoedelijk op de loonlijst stond van de geheime inlichtingendienst van de Sovjet-Unie – had toen een leidinggevende functie bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant, om daar een paar jaar later zelfs hoofdredacteur te worden.

Een ding is zeker. In 2007 is de gemiddelde krantenlezer beter geïnformeerd dan een vooruitstrevende intellectueel uit 1919, en de hoofdredacties van kranten zijn vrij van spionnen van totalitaire regimes.

Alles is beter. Leve vandaag! •