Het vergeten verhaal van Leon Czolgosz

Twee seconden, twee schoten

Na de moord op president William McKinley in 1901 verhardde het klimaat in de Amerikaanse samenleving. Steeds luider klonk de roep om ferme actie tegen de ‘onintegreerbaren’. De parallellen tussen moordenaar Leon C. en Mohammed B. zijn treffend.

LEON CZOLGOSZ valt niet op. Met honderden anderen staat hij in een lange rij mensen die al uren wachten om straks de president van Amerika een hand te kunnen geven. Niemand ziet wat bijzonders aan hem: een magere, keurig geklede en geschoren man, met honderden anderen rustig wachtend op zijn beurt. ‘Een monteur die een dagje uit is’, denken de veiligheidsagenten. Zij richten hun aandacht op de man achter Czolgosz, vanwege diens ‘donkere huidskleur en zwarte snor’. Agent George Foster zal zich later verwijten maken. Hij kijkt Leon Czolgosz recht in de ogen, seconden voordat die de president bereikt. Maar de ogen waren het niet, weet Foster dan. Het waren de handen. In zijn grote arbeidershand houdt Czolgosz een grote zakdoek, waarin hij zijn pistool heeft verborgen. Vanwege de hitte hebben de agenten de vaste regel genegeerd dat handen altijd zichtbaar moeten zijn. Overal in de zaal wordt met zakdoeken gewapperd en ze laten het maar zo.
Het ís warm, die zesde september 1901 in Buffalo, een stad in het noorden van de staat New York. Bloedheet. The Temple of Music, de mooiste hal op het terrein van de Pan-American Exposition, trilt in de hitte als president William McKinley aankomt. Het is iets voor vieren als de Landauer voorrijdt en McKinley uitstapt, minzaam zwaaiend. Een jaar geleden is de Republikein overweldigend herkozen voor een tweede termijn. Het stemt de diepgelovige McKinley tegelijkertijd dankbaar en bescheiden. Algemeen wordt de president gezien als een beminnelijke, weinig krachtdadige figuur, de gevangene van de grote financiële belangen en zijn eigen gebrekkige verbeeldingskracht. Tijdens de campagne heeft zijn nieuwe running mate, Theodore Roosevelt, de jonge en energieke gouverneur van New York, heel wat meer enthousiasme losgemaakt.
Theodore is een ervaren handenschudder, een virtuoze bespeler van het publiek, zijn chef heeft daar moeite mee. McKinley probeert het wel. Hij wil graag overkomen als een open en toegankelijk man, een president van het volk dat hem zo glorieus heeft herkozen. Vandaar dat hij zich laat overhalen om dit soort ontvangsten te doen. Een hoge prioriteit heeft het niet: McKinley heeft gisteren de tentoonstelling al gezien en de ontvangst in The Temple of Music is al een keer uit het schema gehaald, voordat een ijverige assistent hem er weer heeft ingezet. De president schrijdt de hal door, stelt zich op tussen twee gepotte palmen voor een grote Amerikaanse vlag en doet wat hij moet doen: handen schudden en een vriendelijk woord uiten. Hoewel de rij nog lang is, krijgt de Secret Service al na tien minuten te horen dat de president snel weer gaat vertrekken. Leon Czolgosz staat inmiddels vooraan. Ondanks de doek in zijn hand staat het zweet hem op het voorhoofd. Agent Foster kijkt hem een moment aan en verlegt zijn blik naar de volgende man. Czolgosz stapt naar voren. McKinley steekt zijn hand uit. Er klinkt een schot. De doek in Czolgosz’ hand begint te schroeien als hij de trekker nogmaals overhaalt. Twee seconden, twee schoten. Dan slaat de donkere man achter Czolgosz diens arm omlaag en stort zich samen met de agenten op de schutter. Even wankelt McKinley tussen twee palmen. Verbaasd kijkend zijgt de president ineen. Assistenten helpen hem te gaan zitten. Op het witgesteven overhemd om zijn forse postuur bloemt een vlekje bloed. ‘Pak hem niet te hard aan, jongens’, stamelt McKinley als hij ziet hoe Leon Czolgosz hardhandig naar het midden van de zaal wordt gesleurd. Vanuit de kluwen mensen weet zijn aanvaller nog te roepen: ‘Ik heb mijn plicht gedaan.’
De president wordt snel afgevoerd naar de eerste hulp op het tentoonstellingsterrein. De beste artsen uit de buurt worden opgetrommeld. Eén kogel vinden ze terug in McKinley’s kleding. Een schampschot. Het probleem is de andere kogel. Die is in McKinley’s buikstreek terechtgekomen. Er moet snel geopereerd worden, maar in de haast en bij slecht licht lukt het niet de kogel te vinden. Röntgenapparatuur die op de tentoonstelling staat, een van de trotse producten van de nieuwe eeuw, wordt niet gebruikt. Doktoren wimpelen de diensten af van uitvinder Thomas Edison die aanbiedt de kogel te traceren. Alles is onder controle, vinden de doktoren. Ze kunnen het zelf wel af.
De volgende paar dagen lijkt de president inderdaad snel te herstellen, maar inmiddels heeft de ganggreen al ingezet. ‘Het is nutteloos, heren’, zegt de president op 14 september tegen de doktoren. ‘Ik denk dat we moeten bidden.’ Een week na zijn ontmoeting met Czolgosz sterft McKinley, voor het nageslacht treffend vereeuwigd als diepgelovig man, met op de lippen zijn laatste, zacht gezongen woorden: ‘Nearer, my God to Thee, Nearer to Thee.’
De oproep van de president ten spijt is Leon Czolgosz met harde hand naar het politiebureau van Buffalo gebracht. Hij zegt Fred C. Nieman te heten. Czolgosz moet het spellen: ‘N-i-e-m-a-n.’ Het is Pools-Duits, voegt hij er behulpzaam aan toe. Hij zegt 28 jaar oud te zijn en geeft als zijn adres een nummer op Broadway in Buffalo. Waarom heeft hij de president neergeschoten, wil de detective weten. ‘Ik heb enkel mijn plicht gedaan’, zegt Nieman. Ben je een anarchist? vraagt de detective. ‘Yes, sir’, zegt Nieman.
Die avond wordt Fred Nobody, zoals de politie hem noemt, verder verhoord. Buiten klinkt het geluid van woedende demonstranten. Twee keer staan de potentiële lynchers op het punt om door het cordon te breken dat de chef van politie heeft opgeworpen. Het houdt maar net stand. Tijdens het verhoor erkent de schutter dat hij niet Nieman heet maar Czolgosz. Hij geeft een helder verslag van de schietpartij. Ook vertelt Czolgosz dat hij al zeven jaar anarchistische geschriften bestudeert en dat hij geregeld anarchistische bijeenkomsten bezoekt. Hij noemt Free Society, de krant van Abe Isaak, een anarchist in Chicago, en vertelt dat hij de charismatische Emma Goldman, een Russisch-Amerikaanse anarchiste, heeft horen spreken.
Desgevraagd stelt Czolgosz een verklaring op voor de pers, al is hij te zenuwachtig om die zelf op te schrijven. ‘Ik heb president McKinley gedood om mijn plicht te doen. Ik geloof niet dat het juist is dat één man zoveel macht heeft en een ander helemaal geen’, dicteert Czolgosz. Hij lijkt volkomen bij zijn verstand, een koelbloedige moordenaar die zichzelf rechtvaardigt met de logica die terroristen eigen is. Czolgosz heeft zich voorgenomen geen verzet te plegen na zijn daad, ten volle bereid zichzelf op te offeren als martelaar voor de zaak van de arbeider.
Amerikanen rond de eeuwwisseling wisten weinig van anarchisme. Ze koppelden het automatisch aan terrorisme en geweld. En aan immigranten. Krantenlezende New Yorkers waren bekend met de beruchte uitgever en activist Johann Most, een Duitse immigrant die inmiddels een van de bekendste anarchisten van Amerika was geworden. In 1885 had Most een pamflet gepubliceerd dat nogal wat stof deed opwaaien. The Science of Revolutionary Warfare: A Handbook on the Use and Production of Nitroglycerine, Dynamite, Gun Cotton, Mercury Fulminate, Bombs, Fuses, Poisons, etc., etc. heette het en was een koele en praktische handleiding voor bommengooiers.
De angst voor anarchisten was zo groot dat een New Yorks gerechtshof in 1891 besloot dat simpelweg het jezelf in het openbaar anarchist noemen strafbaar was. Verklaarde anarchisten konden zo direct worden opgepakt. Vooral sinds de moord op de Russische tsaar in 1881 stond anarchisme in de beeldvorming gelijk aan geweld en terreur. In de jaren negentig van de negentiende eeuw vermoordden anarchisten de premier van Spanje, de president van Frankrijk, de Habsburgse keizerin Elizabeth en de Italiaanse koning Umberto I. Anarchistische bommengooiers hadden in Parijs tientallen doden op hun geweten en in de VS koppelde men de bom die in 1886 ontplofte op de Haymarket Square in Chicago direct aan anarchisten. Het brute geweld paste in een denkwijze die door Emile Henry na het opblazen van een Parijs café werd samengevat als: ‘Er zijn geen onschuldigen.’

DIRECT NA HET eerste verhoor van Czolgosz vaardigt de politie arrestatiebevelen uit voor Abe Isaak en Emma Goldman, met als aanklacht ‘samenzwering om de president te vermoorden’. Ook elders worden anarchisten of vermeende anarchisten opgepakt. Goldman blijft een paar dagen uit handen van de politie, maar wordt uiteindelijk in Chicago gearresteerd. De kranten spelen gretig in op de anarchistische dreiging.
Maar ook William Randolph Hearst, krantenmagnaat en allesbehalve een anarchist, krijgt ervan langs. Hij heeft in zijn kranten campagne gevoerd tegen McKinley, die hij beschouwt als vertegenwoordiger van het grootkapitaal. In een ongelukkige formulering heeft Hearst bij voorbaat lof toegezwaaid aan iemand die McKinley zou omleggen. Dat maakt hem, schrijven zijn tegenstanders, medeverantwoordelijk voor de moord. Demonisering van de anarchisten én van de populistische anti-Republikeinse pers zijn aan de orde van de dag.
Tijdens het korte proces, dat al een week na de dood van McKinley begint, stelt de aanklager, zelf een immigrant, dat het hier gaat om ‘een vreselijke klasse van mensen die hierheen zijn gekomen’. Mensen die de Amerikaanse wetten, instituties en regels niet kennen of zich er niet aan willen houden, moeten voortaan buitengesloten worden, vindt hij. Het is een betoog dat naadloos aansluit bij de onderbuikgevoelens van veel Amerikanen. Vooral de meest recente stromen van Italianen, Oost-Europeanen en Russische joden worden ‘onintegreerbaar’ geacht. Ze worden gezien als een ander ras dat de Amerikaanse stam zal ondermijnen. Voor het gemak worden ze ook allemaal in het anarchistische kamp gezet, gevaarlijke revolutionairen.
De naam Czolgosz identificeert de moordenaar inderdaad als zo’n vreemd element in de samenleving. Dat is een hele opluchting. Gelukkig, een buitenlander, niet een van ons! In de week na de aanslag schrijft een burger van Buffalo in de lokale krant dat ‘we blij [zijn] te weten dat de Moordenaar geen Amerikaan is’. Zo denken veel mensen erover. In werkelijkheid is Czolgosz wel degelijk in Amerika geboren en getogen. Volgens de grondwet kan hij president worden. Maar het is niet moeilijk hem neer te zetten als Amerika-vreemd, als een van die ‘buitenlandse elementen’ die de samenleving willen ondermijnen.
De verdediging betoogt dat Czolgosz niet goed bij zijn hoofd is. Hij is de kluts kwijt, een slachtoffer van de uitbuiting door de industriëlen die McKinley in het zadel hebben geholpen. Czolgosz is een ontheemde man, zeggen ze, als gevolg van discriminatie op grond van zijn etnische afkomst en zijn katholieke geloof. Nonsens, zegt Czolgosz. Hoezo gek? Ik weet precies wat ik wilde. Ik heb maar één ‘absurde’ overtuiging, vindt Czolgosz, en die is dat Republikeinen de politiek alleen maar gebruiken om hun eigen zakken te vullen. Een psycholoog die hem heeft onderzocht, stelt dat als Czolgosz gek is, er nog een pak andere gekken rondloopt. Veel mensen denken dat Czolgosz simpelweg is mislukt in Amerika en dat hij daarom vatbaar was voor deze verleidelijke, anti-Amerikaanse ideologie, voor de aantrekkingskracht van het anarchisme. Verleiding is sowieso een aantrekkelijk thema voor pers en politici, waarbij Emma Goldman dient als exotisch element. Een politieman in Buffalo weet het precies: het ging allemaal om seks. Een collega in Chicago heeft hem verteld dat ‘Czolgosz Emma Goldman had betrapt in bed met drie anderen’ en dat hij daarom de president had vermoord. Hoewel Goldman met haar knotje en haar breed vallende bloemetjesjurken niet ieders idee is van een verleidster, is het een aantrekkelijke gedachte voor mensen die het onvoorstelbaar vinden dat iemand de Amerikaanse droom niet deelt.
De nieuwe president, Theodore Roosevelt, denkt niet zo simplistisch. Hij ziet wel degelijk hoe aanlokkelijk anarchisme kan zijn voor de zwakken in de samenleving als ze geen andere reden hebben ‘om hun eer te behouden’. Drie maanden na McKinley’s dood oordeelt Roosevelt harder, in zijn boodschap aan het Congres. Anarchisme is puur ‘evil’, zegt de president. De anarchist, vindt Roosevelt, ‘is een boosdoener en niets anders dan dat’. Hij is op geen enkele manier een ‘product van sociale omstandigheden’. De president kondigt zelfs een ‘oorlog (…) tegen anarchisten’ af. In latere jaren zal Roosevelt bij iedere gelegenheid de Democraten en socialisten koppelen aan de anarchisten.Het Congres gaat gedeeltelijk mee. Op de achtergrond borrelt het potje van anti-immigratiewetgeving en politici mogen er graag in roeren. Het verbieden van radicale groeperingen kost geen stemmen. Politici gebruiken anarchisme en niet-integreerbare buitenlanders graag en veel, meestal in één adem. In 1903 wordt de immigratiewet uitgebreid met een verbod op immigratie of naturalisatie van ‘anarchisten, of mensen die geloven in of pleitbezorgers zijn van het gewelddadig omverwerpen van regeringen of alle soorten wetten, of de moord op publieke officials’. Voor het eerst sinds de Burgeroorlog wordt een loyaliteitseed verplicht gesteld. Het Congres stelt die zelf op en definieert de vereiste Amerikaansheid in termen die het Amerikaan-zijn zo ongeveer tot geloof verheffen. Onder een uitgebreide versie van deze wet zal Emma Goldman tijdens de Red Scare van 1919 het land uitgezet worden.
Anarchisten van hun kant zijn niet onder de indruk van Czolgosz. Hij had maar een beetje zitten grasduinen in Free Society en nooit de opgedragen literatuur gelezen. Czolgosz zelf heeft eens gezegd niets te weten van anarchisme, niet veel meer in elk geval dan wat hij heeft gehoord bij een toespraak van Goldman. Voor veel anarchisten is niet duidelijk wat er anarchistisch is aan de moord op McKinley. Dat geldt overigens niet voor Emma Goldman, die zelf anarchist is geworden na het Haymarketproces in 1887 waarbij een aantal waarschijnlijk onschuldige anarchisten werd opgehangen. Zij is een van de weinigen die geweld propageren. In 1892 heeft Goldmans geliefde, Alexander Berkman, nog geprobeerd om staalbaas Henry Clay Frick te vermoorden.
Hoewel Goldman nooit enige aandacht heeft besteed aan Czolgosz’ pogingen met haar contact te leggen, wordt hij nu opeens ‘poor Leon’. Het maakt haar weinig uit of Czolgosz zich anarchist mocht noemen of niet, als hij er zelf zo over denkt en vanuit die inspiratie zijn daad pleegde, ‘dan kan men hem niet het recht ontzeggen om zich Anarchist te noemen’. Daarover zijn Theodore Roosevelt en Emma Goldman het tenminste eens: ze vinden het allebei opportuun om Czolgosz een anarchist te noemen en niet een gestoorde zwerver. De jury van de rechtbank verdiept zich niet in dit soort details en heeft maar een kort overleg nodig om hem te veroordelen tot de doodstraf.

CZOLGOSZ’ ACHTERGROND als immigrantenzoon is exemplarisch. Hij is opgegroeid in Cleveland, een van de industriële groeikernen van Amerika. Zoals de meeste steden in die jaren heeft Cleveland verscheidene Duitstalige kranten. Op de markten en in de kantoren klinkt meer Duits dan Engels. Vader Paul Czolgosz is in de jaren zeventig van de negentiende eeuw naar Michigan gekomen, vanuit Pruisen. Een paar maanden later volgt zijn vrouw Mary Nowak, en niet lang daarna wordt Leon geboren. Mary baart iedere twee jaar een kind en overlijdt in haar vijfde kraambed. Daarmee voldoet Czolgosz’ moeder geheel aan de statistieken: in het buitenland geboren vrouwen overlijden bij bevallingen tweemaal zo vaak als Amerikaanse vrouwen.
Anderhalf jaar later hertrouwt vader Paul met een andere Pools-Duitse, met wie Leon niet kan opschieten. Zoals veel immigrantengezinnen wonen ze her en der, op zoek naar de vervulling van hun droom, op zoek naar iets beters dan ze thuis hebben achtergelaten. In Cleveland wonen de Czolgosz in Newburgh, een dorp rondom de staalfabriek waar iedereen in dienst is. Oorspronkelijk bewoond door immigranten uit Wales, wordt Newburgh na 1882 Pools en Tsjechisch. Het bedrijf gebruikt deze goedkope nieuwkomers als stakingsbrekers. Als beloning mogen ze blijven in de company town.
Leon is de slimste van de kinderen Czolgosz en, heel ongewoon in immigrantengezinnen, hij blijft tot zijn zestiende op school. Niet dat hij er veel aan heeft. Voor een immigrant als hij is de fabriek de enige plek waar werk is te vinden is. Na een staking wordt Czolgosz ontslagen en op een zwarte lijst gezet. Sindsdien gebruikt hij de naam Fred Nieman. De depressie van 1893, de diepste die Amerika tot dan toe heeft gekend, is een schok voor Czolgosz. Hij begrijpt niet dat als je alles goed doet in Amerika, je toch buiten de boot kan vallen. Hij verdiept zich in de bijbel. Als hij daar geen baat bij vindt, is de stap naar een andere heilsleer snel gezet. Volgens een van de psychiaters tijdens zijn proces is Czolgosz suïcidaal en is het neerschieten van McKinley een soort zelfmoord op termijn. Volgens anderen is hij een losgeslagen, onzekere, verwarde man die zijn bestaan zin heeft gegeven door de Amerikaanse president te vermoorden. Volgens weer anderen is Leon C. een gevaarlijke politieke activist. Een anarchist die de bestaande orde bedreigt, onderdeel van een uitgebreide samenzwering, vijand van de politieke en sociale orde.
De journalist Vernon Briggs die onderzoek doet naar Czolgosz’ familie ervaart dat voor deze mensen de industriebazen gelden als het equivalent van de prinsen die hen altijd al hebben uitgebuit. In die zin hebben ze hun Poolse geschiedenis meegenomen. Briggs stelt vast dat Leon Czolgosz na zijn terechtstelling op 29 oktober 1901 een soort held is geworden. De familieleden die Briggs interviewt, dragen een button met zijn foto. Voor hen is Leon C. een held omdat hij boven de massa uitsteekt. Hij heeft zijn frustratie en woede omgezet in actie. Verzet tegen de onderdrukker, heel normaal.
ANNO 2009 heeft Leon Czolgosz ons misschien weinig meer te zeggen. President McKinley is vergeten, Emma Goldman en andere anarchisten zijn alleen nog bekend uit enigszins romantische films en biografieën. Toch is Czolgosz en zijn treurige geschiedenis interessant, vooral omdat die geschiedenis zo herkenbaar is. Omdat de reactie van de Amerikaanse samenleving zo bekend voorkomt. Een politieke moord. De moordenaar is een radicaal die deel zou uitmaken van een grote groep, het topje van een ijsberg die zo groot is als de grootste demagoog hem maakt. De moordenaar is een buitenlander. Of nee, toch niet. Een Amerikaan. Geboren en getogen in het Midden-Westen, maar afkomstig uit een milieu van recente immigranten die de meeste Amerikanen hopeloos onintegreerbaar vinden. Een groep die afkomstig is uit een totaal vreemde cultuur, met andere praktijken en een ander geloof. Niet alleen zijn ze inferieure types, te arm, te dom en te achterlijk om ooit te kunnen integreren, maar met hun anarchistische en socialistische ideeën en hun vijandigheid tegen de gevestigde orde vormen ze zelfs een bedreiging voor de samenleving die hen zo welwillend heeft opgenomen.
Na de moord op McKinley verhardt het klimaat in de Amerikaanse samenleving. Steeds luider klinkt de roep om harde actie, steeds vaker sluipt een toon van morele superioriteit, van onvrede met al die nieuwkomers in de publieke discussie. Hoewel de woede over de moord op McKinley vrij snel wegebt, ontstaan er initiatieven tot ‘amerikanisering’ van immigranten en hun kinderen, een soort inburgering, worden de toegangseisen voor nieuwkomers aangescherpt en stijgt het wantrouwen tegen politieke activisten. Het klimaat tegenover nieuwe Amerikanen wordt geleidelijk aan vijandiger en zal uiteindelijk uitlopen op een enorme heksenjacht op linkse Amerikanen van allerlei snit en, in 1924, leiden tot een immigratiewet die het land op slot gooit.
Als ik over Leon Czolgosz lees, moet ik vaak aan Mohammed B. denken. Ik wil het niet overdrijven, maar u kunt de parallellen zelf trekken. Zoals Nederland in een kramp is geraakt na de moord op Theo van Gogh, zo raakte Amerika van slag door de moord op McKinley. Zoals Czolgosz, teleurgesteld in Amerika, zijn heil zocht bij de anarchistische heilsleer, zo zoeken sommige Nederlandse immigrantenkinderen het in de radicale islam. Zoals Leon Czolgosz een draaipunt vormde in de immigratiegeschiedenis van de Verenigde Staten, zo maken we in Nederland een omslag mee na 11 september, en zeker na de moord op Van Gogh.
In de Amerikaanse geschiedenis is Leon C. maar een klein radertje, zoals ook Mohammed B. dat zal blijken te zijn. Maar beide immigrantenkinderen markeerden een keerpunt in het denken van hun beide landen over integratie. Vandaar dat het bijna vergeten verhaal van Leon C. relevant blijft voor de geschiedenis van de immigratie en integratie.