Twee vrouwen, tweede levens

MIJN LERAAR Frans woonde bij mij in de straat. Ik kwam hem wel eens tegen als we de honden uitlieten; hij een oudere, droevige Schotse collie, passief op het bedwelmde af, ik een Drentse patrijshond, die hyperactief was en later ook nog epileptische aanvallen zou krijgen, en wiens gebitafdruk nog steeds terug te vinden is in het zilverwerk en de kuiten van mijn zusje. Vesta heette de hond. Vernoemd naar de godin van het huiselijk geluk. ‘Goh’, zei mijn oma tegen mijn vader. ‘Probeer je het nu zo af te dwingen?’

Als dit literatuur zou zijn, dan zouden de twee honden waarschijnlijk symbool staan voor onze verschillende karakters, oud en droevig tegenover jong en hyper. En inderdaad, hij had een Asterix-achtige druipsnor, en wat was ik een hormonaal ventje. Toch was hij het type docent waar niemand zich direct tegen wilde verzetten, hij werd volledig geaccepteerd, en er was zelfs opluchting toen hij in het voorexamenjaar behalve Frans vanwege allerlei reorganisaties ook ineens Nederlandse letterkunde ging geven.Opeens kwam de timide man los. Hij vertelde dat hij de literatuur als achttienjarige had ontdekt in een hotelkamer in Istanbul (huh, dachten wij), waar hij een hele zomer gelezen had (why?), Flaubert, Stendhal, Couperus, en dat hij toen besloten had zijn leven aan boeken te wijden en daarom leraar was geworden (wat had die gast allemaal gerookt op zijn hotelkamer?). En waar onze eerdere docenten hadden gezegd dat er geen gangbare definitie was van wat literatuur is, schrok hij er niet voor terug harde regels te geven: ‘Het eerste kenmerk van literatuur is dat het altijd teruggrijpt op andere literatuur. Het hergebruikt verhalen, thema’s en personages, zodat echte literatuur nooit ophoudt maar altijd doorleeft.’
Wat het tweede, derde of misschien zelfs vierde kenmerk was, is vergeten, want dit eerste vormde de hoofdmoot van het daarop volgende curriculum. Om zijn theorie in de praktijk te brengen werd klassikaal Twee vrouwen gelezen, Harry Mulisch’ hervertelling van de mythe van Orpheus en Eurydice. We begonnen bij het begin, het motto:
… weer doorsidderde mijn hart
Eros, zoals de wind op de bergen in eiken valt.
Dat 'weer doorsidderde’ was al meteen veelbetekenend, werd gezegd. We lezen iets dat al in beweging is gekomen, et cetera. Daarna werden nog talloze parabelen ontcijferd en ontkracht, de bouwput achter het huis waar de vrouwen wonen staat symbool voor Hades, en zoals Orpheus in dit dodenrijk afdaalde om Eurydice terug te brengen, maar haar verspeelde door achterom te kijken, zo verspeelt de ene vrouw de andere door een verkeerde blik. 'Vinden jullie dit niet geweldig?’ zei onze docent, opgewonden als Asterix bij de toverketel.
'Ik dach ’t niet-denk’, zeiden wij klassikaal. Dit alles speelde aan de grens van West-Friesland, vandaar. We leerden dat geen bladzijde zonder dubbele betekenis was en voor velen was dat een moeilijkheidsgraad te ver. Waarom schrijft die man niet gewoon wat hij denkt? Zoiets. Met terugwerkende kracht heeft Twee vrouwen een hele generatie scholieren de lol in literatuur ontnomen, al helemaal toen aan het einde van de rit bleek dat Twee vrouwen niet eens werd gezien als Mulisch’ beste werk, en indertijd gematigd was ontvangen ('astronautenproza’).
Dit is alles wordt geschreven als aanloopje naar de derde aflevering van de AAA-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest - Actueel, Avontuurlijk, Aangrijpend - met als thema Second Life, niet de virtuele tegenlevens die we op internet kunnen leiden, maar de opleving en nieuwe interpretaties van klassiekers. Dat geldt voor de teksten van Bertolt Brecht, die Shakespeare knipte-en-plakte (zie de column van Loek Zonneveld), dat geldt voor de zoektocht naar de oude volkse mythen in de Romantiek (zie het essay van Cyrille Offermans), dat geldt voor de werken van Busoni, Jeths, Berio en Zimmermann, die tijdens deze derde AAA-aflevering gedirigeerd zullen worden door Ed Spanjaard (uitgebreid geïnterviewd door Bas van Putten).
Later kwam het overigens allemaal goed, tussen Mulisch en mij, maar op dat middelbare-schoolmoment ging het tweede leven van bestaande kunst niet verder dan de top-40-noteringen van rappers als Notorious B.I.G. en Puff Daddy, gesamplede melodietjes van jaren-zeventig- en -tachtig-popnummers, met een contemporaine hiphopbeat eronder. Zoals Puff Daddy rapte in Mo Money, Mo Problems: 'We take hits from the eighties/ and make them sound so crazy.’ Zo is het.