Kunst: De Hollandse Michelangelo

Twee zielen

In het Schilder-Boeck van Karel van Mander wordt vermeld dat de Nederlandse ‘maniëristen’ – Maarten van Heemskerck, Goltzius, Cornelis van Haarlem en anderen – in hun tijd zeer gewaardeerd en bewonderd werden. Toen Van Mander uit Vlaanderen in Haarlem aankwam, was hij ‘seer verwondert, hier sulcken Schilders te vinden’.

Daarmee bedoelde hij: schilders die in Rome waren geweest, die groot werk aankonden, grote altaarstukken, waarin de Italiaanse vedetten concurrentie werd aangedaan. Bij Van Heemskerck waren de lichamen nóg krampachtiger gewrongen, de emoties op de tronies nóg intenser, de kleuren nóg rijker in contrast, de scènes nóg zwaarder beladen met pijn, stress, trauma, ongeluk, paniek dan bij de Italianen.

Het stempel ‘maniërisme’ is nu vooral een vloek – een kenteken van een kunst waarin hoog opgezwollen emoties in een regime van regels worden geperst. Valt Cornelis van Haarlem (1562-1638) daarvan te bevrijden? Men geeft hem in Haarlem al een duw naar herwaardering door hem op de affiches ‘de Hollandse Michel­angelo’ te noemen, een overdreven compliment, lijkt mij. ‘De Haarlemse Tintoretto’ zou de lading misschien beter dekken. Het blijft wonderlijke, verbluffend expressieve kunst. Nou waren het roerige tijden. De Opstand woedde – ‘Mere anarchy is loosed upon the world,/ The blood-dimmed tide is loosed’, zei Yeats; in Haarlem werden na het Beleg in 1573 honderden burgers door de Spanjaarden op de Grote Markt geëxecuteerd. Dat zal Cornelis van Haarlem, die in die jaren een jongen was, niet in de koude kleren zijn gaan zitten. Er is iets, in die massa krijsende vrouwen, moordende mannen en dode baby’s wat doet denken aan het over-expressieve van de Duitse kunst van na de Eerste Wereldoorlog: verbeelde trauma’s. Maar ptsd-kunst is het niet. De overspannen trant was volgens de regels, zoals Van Mander die zelf in Haarlem onderwees. Hij schreef dat ‘de Const Cornelis niet al slapende aen is ghecomen: maer heeftse vercregen en betaelt met grooten arbeyd’, ofwel: Cornelis kon wel al schilderen, maar de échte ‘Const’ moest hem worden aangeleerd.

Nu lijkt het mij dat er twee zielen in zijn borst huisden. Hij kon voortreffelijk naar de natuur tekenen. Het schuttersstuk uit 1583 in de eerste zaal heeft nog nauwelijks maniërismen; de mannen zitten losjes en levendig bijeen, begroeten elkaar, heffen het glas. Het zit vol meesterlijke, volkomen natuurlijke portretten. Daaronder is dat van Cornelis zelf, en dat van zijn broer, die je licht loensend aankijkt, direct. Het is het soort bot-normale kop dat ik kort daarvoor in de Kleine Houtstraat zag lopen, patat kanend. De historiestukken die daarna komen zijn wezenlijk anders. Daar past Cornelis de regels van de Const toe, regels over de manier waarop het lichaam hevige emoties uitdrukt, de manier waarop kleuren een formeel schema volgen, enzovoort. En dan is een Maria opeens raar vaalroze, en haar kind heeft de kleur van spek; dan hebben alle koppen puntige kaken en in de te grote oogkassen rollen de te grote oogbollen omhoog. Dan reiken alle halzen hemelwaarts, waardoor de gezichten van onderop worden getoond, wat weer tot gevolg heeft dat in Cornelis’ werk de neusgaten een opvallende rol gaan spelen.

In de zaal met de twee Kindermoorden is dezelfde achterovervallende mansfiguur, het been sterk verkort gestrekt naar de kijker, in drie verschillende schilderijen te zien, alsof hij er onhandig in gephotoshopt is. De weergave is wat anatomie en perspectief aangaat een hoogstandje; wat eraan mankeert is een compositie die van die afzonderlijke hoogstandjes een evenement maakt waarin het drama niet alleen zichtbaar, maar ook navoelbaar is.


De Hollandse Michelangelo: Cornelis van Haarlem (1562-1638). Haarlem, Frans Hals Museum, t/m 20 januari 2013

kunst