Over het goede en het kwade

Twee zielen

Na een eeuw waarin de mens zich van zijn meest onmenselijke kant liet zien, is het kwaad gereduceerd tot een abstract begrip. De Boze van voorheen, Lucifer, de duivel, bestaat niet meer. We dienen het kwaad in onszelf te zoeken. Een talmoedische wijsheid zegt dat ieder mens twee inborsten heeft, een goede en een slechte.

In Britse rechtszalen wordt bij uitzondering nog weleens ouderwets vonnis gewezen. Op zulke dagen poetsen de deurwachten hun koperen knopen, de rechters laten zich met gepaste ernst in hun toga’s hijsen en controleren hun pruiken in de spiegel. Alle fotografen worden uit het gebouw geweerd, de juryleden verschijnen in hun zondagse pak. Wanneer de opperrechter zijn stem verheft, hopen de verdachte en zijn advocaat tevergeefs op de ook in Britse vonnissen inmid dels gangbare humane overwegingen. De toon is oudtestamentisch, de uitspraak in steen gebeiteld: levenslang, zonder vervroegde vrijlating of andere voorrechten. De veroordeelde is bijna altijd een pedofiel.

Zo verging het ook de 42-jarige monteur Roy Whiting, die vorige week levenslang kreeg wegens verkrachting van en moord op het achtjarige meisje Sarah Payne. Hij werd door rechter Richard Curtis persoonlijk aangesproken en in de felste bewoordingen veroordeeld. «U bent een verdorven mens», sprak de magistraat: «U bent beslist niet geestelijk in de war. Ik heb u een maand lang meegemaakt en naar mijn mening bent u een gewiekste en gewetenloze leugenaar.» De rest van de considerans was van hetzelfde gehalte, alsof het slachtoffer Curtis’ eigen kind was. Whiting was al eens eerder veroordeeld wegens kindermisbruik en zijn zaak is voor de Britse regering aanleiding een nationale registratie van pedofielen te overwegen.

Alleen in Groot-Brittannië worden pedofielen binnen en buiten de rechtszaal zonder terughoudendheid verketterd. Rond de huizen van veroordeelden en verdachten doen zich middeleeuwse taferelen voor: opstootjes, brandstichting, vernieling en geweldpleging. Buurtgenoten verenigen zich in patrouilles en comités, de boulevardpers en plaatselijke politici spinnen er garen bij. «Als één ding de mensen tegenwoordig de straat op krijgt, is het wel het gerucht dat er een pedofiel is gesignaleerd», schreef verslaggeefster Decca Aitkenhead van The Guardian toen zij in 1998 de lotgevallen van één zo’n opgejaagde pedofiel, Sidney Cooke, op de voet volgde. «Wat we ons tot nog toe niet hebben afgevraagd, is wat deze protesten eigenlijk met pedofielen te maken hebben.»

Naarmate zij zich meer in de motieven van de actievoerders verdiepte, ontdekte Aitkenhead dat de komst van een pedofiel in de buurt voor de meesten geen bedreiging maar een soort verlossing was. Ze hadden eindelijk een zaak waarvoor ze zich met buurt genoten en verre geestverwanten konden verenigen. Cooke gaf het kwaad een naam, een gestalte en een doel: het misbruik van hun bloedjes van kinderen, of anders wel die van hun buren. «Wat Cooke de mensen biedt, waar hij ook gaat of staat, is de zeldzame kans om iemand te haten», schreef Aitkenhead. «De kans om iemand echt te haten, hardop, in het openbaar en volkomen straffeloos. Het gaat om goed en kwaad, dus door een gebaar tegen Cooke bewijs je je eigen goede trouw. Er zijn nog maar weinig mensen die we met goed fatsoen kunnen haten. Pedofielen spannen de kroon.»

De Britse hetze tegen pedofielen verraadt een typisch modern, diffuus angstgevoel. We weten ons met het kwaad geen raad. We zijn al blij als we het kunnen projecteren op een medemens, of het nu een marginale buurt bewoner of Osama bin Laden is. We missen een vertrouwde schaduw. In vroeger eeuwen kon de mens zijn nood klagen bij God, bijstand vragen aan Maria of de engelen en zijn schuld afwentelen op de duivel. Heeft de dood van God in onze westerse cultuur al tamelijk dramatische gevolgen gehad, de verdwijning van Lucifer is minstens zo ingrijpend. Religieuze opiniepeilingen laten er geen twijfel over bestaan: hij is niet meer, de Boze, de verleider tot het kwaad die over onze schouder meekeek en ons bij het geringste vertoon van zwakte zijn geile praatjes influisterde. De Apollo van de duisternis die Faust uit de slaap hield, schilders fascineerde en Baudelaire tot de mooiste verzen inspireerde, is morsdood. Zeg maar gerust: onder de grond geschoffeld. Terwijl God nog omstandig door Marx, Nietzsche en de existentialisten werd uitgeluid, kreeg de heer der wereld een armetierige staatsbegrafenis zonder toespraken. Hij is niet zomaar gestorven, hij is letterlijk doodgezwegen. En dat kan ons lelijk opbreken.

Na een eeuw waarin de mens zich van zijn meest onmenselijke kant liet zien, is uitgerekend het kwaad gereduceerd tot een abstract begrip. Het is praktisch verdwenen uit ons vocabulaire. De termen die vorige generaties ervoor gebruikten (erfzonde, zwakte van het vlees, baarlijke duivel) zijn even camp geworden als Willeke Alberti. Je zou haast denken dat we het kwaad in onze welvaartsmaatschappij hebben gedomesticeerd, want tegelijkertijd verlustigen we ons meer dan ooit aan zijn fictieve verschijningen en aan zijn al te reële uitbarstingen op andere plaatsen, zoals de eindeloos herhaalde instorting van de Twin Towers of de dagelijkse snuff movie van de bombardementen op Afghanistan.

Zelfs onze filosofen hebben het kwaad uit hun canon weggeschreven. Angelsaksische denkers, die de totalitaire ervaring van hun Europese tijdgenoten misten, ruimen er al meer dan een eeuw geen plaats meer voor in. De analytische filosofie verbant het kwaad naar de buitenste duisternis tezamen met «alles waarover men niet kan spreken». De Franse postmodernisten eveneens, al wemelen hun werken van de verwijzingen naar aloude immanente en transcendente begrippen als «dood», «liefde» en «waarheid». Marxisten maakten de moraal ondergeschikt aan de klassenstrijd, de existentialisten wisten er vaak geen raad mee, al moet gezegd dat sommigen (Camus, Merleau-Ponty) dat onvermogen als een uitdaging zagen en er meeslepend over schreven. Uit een pas verschenen overzicht (Grote politieke denkers, hun strijd tussen goed en kwaad, Meinema) blijkt dat ook de politieke filosofie aan dit manco lijdt. Het kwaad is als een erfenis zonder testament, schrijven de redacteuren Buijs en Woldring in hun inleiding.

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski wijdde er in 1997 een boek aan, Het kwaad, of de tragedie van de vrijheid. Het werd ingegeven door een zorg die hij al vaak in interviews had uitgesproken: door de onschuld, om niet te zeggen onnozelheid waarmee naoorlogse generaties omsprongen met het vraagstuk van het kwaad, zijn we vatbaar voor nieuwe uitbarstingen. In linkse analyses van het nationaal-socialisme bijvoorbeeld wordt geen aandacht besteed aan het demonische element dat Hitler en zijn trawanten vertegenwoordigden. Het nazisme wordt afgeschilderd als een uit de hand gelopen variant van het kapitalisme dat naar zijn aard altijd al dictatoriaal was. Zodoende konden antikapitalistische studenten in de jaren zestig zichzelf wijsmaken dat ze eigenlijk tegen het fascisme streden. De sociologische systeemtheorie van Niklas Luhmann noemde het nazisme tenminste nog een «systeemdysfunctionele dispariteit», maar zulk abracadabra deed de feiten geen recht, vond Safranski. Het kwaad komt niet voort uit systemen of omstandigheden, het is een consequentie van de menselijke vrijheid. Ieder mens kan een radicale keuze voor het kwaad maken, hij kan te allen tijde besluiten «nee» te zeggen tegen zijn samenleving, zijn medemens of zijn God.

«Deze eeuw heeft talloze gruwelen voortgebracht, maar als de filosofie of de wetenschap daarover begint te spreken, worden ze bijna altijd onschuldiger dan ze waren», aldus Safranski in 1995. «Toen ik over het kwaad begon na te denken, waren de eerste rechts radicale aanslagen en brandstichtingen in Rostock en elders voor mij een belangrijke ervaring. Op de televisie werden mensen geïnterviewd uit het milieu van de daders. Wat me frappeerde was dat ze allemaal spraken als sociaal werkers: een gebroken jeugd, een uitzichtloze situatie — ze hadden er de mond van vol. Er waren eigenlijk geen daders meer, er waren alleen nog ‹gedeprivilegieerden› die het ook niet konden helpen dat het tot zo’n uitbarsting kwam. Dat is een tamelijk obscene ontwikkeling.»

Het is wrang dat uitgerekend de joodse filosofe Hannah Arendt een belangrijke legitimatie voor die onnozelheid heeft geleverd. Aan haar onverschilligheid lag het niet. «Als ik het probleem van het kwaad toch eens kon doorgronden», verzuchtte ze in 1935 tegen haar leraar en vriend Karl Jaspers. Het gevaar dat toen al twee jaar binnen de Duitse grenzen woekerde en zich spoedig zou uitzaaien over heel Europa — die «inbreuk van de onderwereld in de politiek», zoals H.A. van Rand wijk het nazisme noemde — hield hen beiden levenslang bezig. Jaspers geloofde van meet af aan niet in de radicaliteit ervan. Nog in 1946 schreef hij dat het nazisme alleen kon worden begrepen als een oppervlakkig verschijnsel, te vergelijken met een bacteriële besmetting, en niet als een massale uiting van kwade wil.

Arendt gaf in 1963 haar eigen antwoord, in de vorm van het nog altijd controversiële boek Eichmann in Jerusalem, dat zelfs haar vriendenkring verdeelde. Zij zag in de door Israël terdoodgebrachte oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann geen belichaming van het radicale kwaad, maar een toonbeeld van alledaagse medeplichtigheid. In de loop van zijn proces (dat zij ter plekke volgde) raakte Arendt ervan overtuigd dat Eichmann zijn belangrijke rol in Hitlers moordmachine niet had vervuld uit persoonlijke haat of lust. Hij had ook geen ideologische motieven, hij was geen gelovige nazi maar een Schreibtischmörder, een fantasieloze dienstklopper die onder elk willekeurig regime zijn voorgeschreven plicht had gedaan.

Tegenstanders verweten Arendt dat zij haar ogen sloot voor Eichmanns schuld, alsof ze hem op zijn woord geloofde wanneer hij tegen zijn rechters verklaarde dat hij niet had geweten wat hij deed. Hij wist wel degelijk wat hij deed, meende Arendt; hij wist alleen niet wat het betekende. Hij kon zich niet verplaatsen in zijn slachtoffers, de gruwelijke gevolgen niet in verband brengen met zijn administratief handelen. Zijn grote vergrijp, «gedachteloosheid», was vanwege de banaliteit niet minder schandalig, maar wettigde volgens Arendt wel de conclusie dat het kwaad oppervlakkiger was dan het goede: «Tief und radikal ist immer nur das Gute.»

Zonder dat Arendt het wist, leek haar visie omstreeks dezelfde tijd bevestigd te worden door de laboratoriumexperimenten van de Amerikaanse psycholoog Stanley Milgram, die proefpersonen zo ver kreeg dat ze een vastgebonden slachtoffer pijnlijke en zelfs dodelijke stroomstoten wilden toedienen op gezag van een proefleider met een witte jas en een academische titel. Slechts weinigen kwamen in opstand en weigerden verdere deelname aan het «experiment». Van de proefpersonen ervoeren sommigen zelfs na afloop hun medeplichtigheid niet als een probleem, anderen kampten daarentegen nog jaren met gewetenswroeging omdat ze zich hadden laten overhalen tot (schijnbare) marteling en moord.

Dat Eichmann in zijn postuum gepubliceerde memoires schreef dat hij lachend in zijn graf sprong bij de gedachte aan de vermoorde joden, kon Arendt niet weten. Maar ze had wel kunnen (en dus moeten) weten dat veel van Hitlers beulen bepaald niet gedachteloos de gaskranen bedienden of achter het front honderdduizenden joden, Polen en Russische krijgsgevangenen in zelf gedolven graven doodschoten. Haar banalisering van het kwaad was in de eerste plaats een poging de godsdienst te ontmantelen en de mens te zuiveren van de ingeboren zonde. Tien jaar eerder had ze al tegenover een collega verklaard dat godsdienstige interpretaties van het kwaad niet toereikend waren omdat de mens geen zondige ziel had.

Maar hoezeer ze zich ook tegen de invloed van de theologie verzette, ze haalde die toch langs de achterdeur weer binnen. «In haar gebruik van het woord ‹banaal› klinkt Luthers opvatting door van het kwaad als een parasitair verschijnsel, dat wil zeggen van een corrumperende kracht die het goede nodig heeft om zich sterk te maken», meent VU-filosoof Sander Griffioen. Had ze nog iets dieper gegraven in het geloof van haar vaderen, dan had ze daar een andere interpretatie gevonden die het kwaad de plaats gaf die het toekomt. Een inzicht zo oud als de mensheid, misschien nog wel ouder dan het menselijk verbond met enige god.

Het is een talmoedische wijsheid dat ieder mens twee jetzerim oftewel inborsten heeft, een goede (jetzer hatov) en een slechte (jetzer hara). De ene kan niet zonder de andere, vandaar dat zelfs onze nobelste daden een zelfzuchtige bijmenging hebben. «Eigenlijk gaat het om twee elkaar aanvullende zielen», legt rabbijn Raph Evers van het Nederlands- Israëlitisch Kerkgenootschap uit: «De jetzer hara is de aardse ziel, de neiging waardoor de mens zich in de wereld begeeft, angst en tegenslag overwint, naar erkenning streeft. Die aardse ziel staat ook voor onze agressie, hebzucht, hedonisme, drang naar macht. Een van de eerste mensen, Kaïn, duldde al geen broer naast zich. De jetzer hatov is de goddelijke ziel waardoor de mens zich boven het aardse verheft, het vehikel waardoor God in de wereld aanwezig blijft.»

De oudste mythen zijn meer dan primitief bijgeloof. Nadat hij van de boom der kennis had gegeten, verloor de mens zijn onschuld, maar hij won het inzicht in goed en kwaad. In haar drang om zich van het joodse geloof te bevrijden, bagatelliseerde Arendt een van de gruwelijkste episoden uit de geschiedenis. Iets meer zelfinzicht had haar geleerd dat ze haar doel voorbijschoot. Dat geldt des te meer voor Britse dorpelingen die op pedofielen jagen en verdachte voorbijgangers molesteren. Bij nader inzien is de heer der wereld niet dood, we hoeven maar naar binnen te kijken om hem springlevend aan te treffen.