Essay Het kwaad in deze tijd

Twee zielen

Vroeger kon de mens zijn schuld afwentelen op de duivel. Maar nu met God ook Lucifer is gestorven, projecteren we het kwaad op de medemens: de pedofiel, Osama bin Laden, de oorlogsmisdadiger.

Na een eeuw waarin de mens zich van zijn meest onmenselijke kant liet zien, is het kwaad gereduceerd tot een abstract begrip. De Boze van voorheen, Lucifer, de duivel, bestaat niet meer. We dienen het kwaad in onszelf te zoeken. Een talmoedische wijsheid zegt dat ieder mens twee inborsten heeft, een goede en een slechte.
In Britse rechtszalen wordt bij uitzondering nog wel eens ouderwets vonnis gewezen. Op zulke dagen poetsen de deurwachten hun koperen knopen, de rechters laten zich met gepaste ernst in hun toga’s hijsen en controleren hun pruiken in de spiegel. Fotografen worden uit het gebouw geweerd, de juryleden verschijnen in hun zondagse pak. Wanneer de opperrechter zijn stem verheft, hopen de verdachte en zijn advocaat tevergeefs op de ook in Britse vonnissen inmiddels gangbare humane overwegingen. De toon is oudtestamentisch, de uitspraak in steen gebeiteld: levenslang, zonder vervroegde vrijlating of andere voorrechten. De veroordeelde is bijna altijd een pedofiel.
De 42-jarige monteur Roy Whiting die in 2001 levenslang kreeg wegens verkrachting van en moord op het achtjarige meisje Sarah Payne werd door rechter Richard Curtis persoonlijk aangesproken in de felste bewoordingen. ‘U bent een verdorven mens’, sprak de magistraat: 'U bent beslist niet geestelijk in de war. Ik heb u een maand lang meegemaakt en naar mijn mening bent u een gewiekste en gewetenloze leugenaar.’ De rest van de considerans was van hetzelfde gehalte - alsof het slachtoffer Curtis’ eigen kind was.
Alleen in Groot-Brittannië worden pedofielen binnen en buiten de rechtszaal zonder terughoudendheid verketterd. Rond de huizen van veroordeelden en verdachten doen zich middeleeuwse taferelen voor: opstootjes, brandstichting, vernieling en geweldpleging. Buurtgenoten verenigen zich in patrouilles en comités, de boulevardpers en plaatselijke politici spinnen er garen bij. 'Als één ding de mensen tegenwoordig de straat op krijgt, is het wel het gerucht dat er een pedofiel is gesignaleerd’, schreef verslaggeefster Decca Aitkenhead van The Guardian toen zij in 1998 de lotgevallen van één zo'n opgejaagde pedofiel, Sidney Cooke, op de voet volgde. 'Wat we ons tot nog toe niet hebben afgevraagd, is wat deze protesten eigenlijk met pedofielen te maken hebben.’
Naarmate zij zich in de motieven van de actievoerders verdiepte, ontdekte Aitkenhead dat de komst van een pedofiel in de buurt voor de meesten een soort verlossing was. Eindelijk hadden ze een zaak waarvoor ze zich met buurtgenoten en verre geestverwanten konden verenigen. Cooke gaf het kwaad een naam, een gestalte, een onmiskenbaar doel: het misbruik van hun bloedjes van kinderen of die van hun buren. 'Wat Cooke de mensen biedt, is de zeldzame kans om iemand te haten’, schreef Aitkenhead. 'De kans om iemand echt te haten, hardop, in het openbaar en volkomen straffeloos. Het gaat om goed en kwaad, dus door een gebaar tegen Cooke bewijs je je eigen goede trouw. Er zijn nog maar weinig mensen die we met goed fatsoen kunnen haten. Pedofielen spannen de kroon.’

De moderne hetze tegen pedofielen verraadt een diffuus angstgevoel. We weten ons met het kwaad geen raad. We zijn al blij als we het kunnen projecteren op een medemens, of het nu een marginale buurtbewoner of Osama bin Laden is. We missen die vertrouwde schaduw. In vroeger eeuwen kon de mens zijn schuld afwentelen op de duivel. Heeft de dood van God in onze westerse cultuur al tamelijk dramatische gevolgen gehad, de verdwijning van Lucifer is minstens zo ingrijpend. Religieuze opiniepeilingen laten er geen twijfel over bestaan: hij is niet meer, de Boze, de verleider tot het kwaad die over onze schouder meekeek en ons bij het geringste vertoon van zwakte zijn vuile praatjes influisterde. De Apollo van de duisternis die Faust uit de slaap hield, schilders fascineerde en Baudelaire tot de mooiste verzen inspireerde, is morsdood. En terwijl God nog omstandig door Marx, Nietzsche en de existentialisten werd uitgeluid, kreeg de heer der wereld een armetierige staatsbegrafenis zonder toespraken. Hij is niet zomaar gestorven, hij is doodgezwegen.
Het kwaad is praktisch verdwenen uit ons vocabulaire. De termen die vorige generaties ervoor gebruikten (erfzonde, zwakte van het vlees, baarlijke duivel) zijn even camp geworden als Willeke Alberti. Zelfs onze filosofen hebben het uit hun canon weggeschreven. Angelsaksische denkers, die de totalitaire ervaring van hun Europese tijdgenoten misten, ruimen er al meer dan een eeuw geen plaats voor in. De analytische filosofie verbant het kwaad tezamen met 'alles waarover men niet kan spreken’. Het postmodernisme eveneens, al verwijzen zijn auteurs naar immanente en transcendente begrippen als 'dood’, 'liefde’ en 'waarheid’. Marxisten maakten de moraal ondergeschikt aan de klassenstrijd. De existentialisten wisten er vaak geen raad mee, al moet gezegd dat sommigen (Camus, Merleau-Ponty) er meeslepend over schreven.
Uit de bundel Grote politieke denkers, hun strijd tussen goed en kwaad (2001) blijkt dat ook de politieke filosofie aan het manco lijdt. Het kwaad is als een erfenis zonder testament, schrijven de redacteuren G.J. Buijs en H.E.S. Woldring in hun inleiding. De Duitse filosoof Rüdiger Safranski wijdde hier in 1997 een boek aan, Het kwaad, of de tragedie van de vrijheid. Het was ingegeven door een zorg die hij vaak in interviews had uitgesproken: door de onnozelheid waarmee naoorlogse generaties omsprongen met het vraagstuk van het kwaad zijn we vatbaar voor nieuwe uitbarstingen. In linkse analyses van het nationaal-socialisme bijvoorbeeld wordt geen aandacht besteed aan het demonische element dat Hitler en zijn trawanten vertegenwoordigden. Slechte mensen bestaan in die visie eenvoudig niet, alleen slechte maatschappelijke systemen. Het nazisme wordt afgeschilderd als een uit de hand gelopen variant van het kapitalisme dat naar zijn aard altijd al repressief was. Zodoende konden demonstrerende studenten in de jaren zestig zichzelf wijsmaken dat ze eigenlijk tegen het fascisme streden.
Onzin, meent Safranski: het kwaad komt niet voort uit systemen of omstandigheden. Het is een consequentie van de menselijke vrijheid. Ieder mens kan een radicale keuze voor het kwaad maken, hij kan te allen tijde besluiten nee te zeggen tegen zijn samenleving, zijn medemens, zijn God. 'Deze eeuw heeft talloze gruwelen voortgebracht, maar als de filosofie of de wetenschap daarover begint te spreken, worden ze bijna altijd onschuldiger dan ze waren’, aldus Safranski in een interview uit 1995. 'Toen ik over het kwaad begon na te denken, waren de eerste rechts-radicale aanslagen en brandstichtingen in Rostock en elders voor mij een belangrijke ervaring. Op de televisie werden mensen geïnterviewd uit het milieu van de daders. Wat me frappeerde was dat ze allemaal spraken als sociaal werkers: een gebroken jeugd, een uitzichtloze situatie - ze hadden er de mond van vol. Er waren eigenlijk geen daders meer, er waren alleen nog “gedeprivilegieerden” die het ook niet konden helpen dat het tot zo'n uitbarsting kwam. Dat is een tamelijk obscene ontwikkeling.'

Het is wrang dat uitgerekend Hannah Arendt een legitimatie voor die onnozelheid heeft geleverd. 'Als ik het probleem van het kwaad toch eens kon doorgronden’, verzuchtte ze in 1935 tegen haar leraar en vriend Karl Jaspers. Het gevaar dat toen al twee jaar binnen de Duitse grenzen woekerde en zich spoedig zou uitzaaien over heel Europa zou hen beiden levenslang bezig houden. Jaspers geloofde niet in de radicaliteit ervan. Nog in 1946 schreef hij dat het nazisme alleen kon worden begrepen als een oppervlakkig verschijnsel, te vergelijken met een bacteriële besmetting, en niet als een massale uiting van kwade wil.
Arendt gaf in 1963 haar eigen antwoord in de vorm van het controversiële boek Eichmann in Jerusalem, dat zelfs haar vriendenkring verdeelde. Zij zag in de door Israël ter dood gebrachte oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann geen belichaming van een radicaal kwaad, maar een toonbeeld van alledaagse medeplichtigheid. In de loop van zijn proces (dat zij ter plekke volgde) raakte Arendt ervan overtuigd dat Eichmann zijn rol in Hitlers moordmachine niet had vervuld uit persoonlijke haat of lust. Hij had geen ideologische motieven; hij was geen nazi maar een Schreibtischmörder, een dienstklopper die onder elk willekeurig regime zijn orders had opgevolgd. Dat wilde Eichmann zijn rechters natuurlijk graag doen geloven. Niettemin was hij een slecht mens. Dat hij in zijn postuum gepubliceerde memoires schreef dat hij lachend in zijn graf sprong bij de gedachte aan de vermoorde joden, kon Arendt nog niet weten.
Arendt had ontegenzeglijk gelijk dat het radicale kwaad meer kans krijgt als goedbedoelende of onwetende mensen de andere kant op kijken. Ook zonder in theologische categorieën te vervallen moeten we toegeven dat we allemaal zwak zijn, zo niet geneigd tot alle kwaad. Als het gaat om de Tweede Wereldoorlog is onze fascinatie verschoven van het radicale kwaad in SS-uniform naar de lafheid van onze naaste verwanten, de meelopers. Denkend aan het nazisme zien we voor ons geestesoog de schaapachtige glimlach van Klaus Maria Brandauer in pofbroek en geruite spencer uit Istvan Szabo’s film Mephisto (1981), die zijn carrière belangrijker vindt dan het leven van zijn joodse collega’s. Theatermörder. We denken aan Leni Riefenstahls propagandabeelden die een doodvonnis inhielden voor al diegenen die van het Germaanse ideaalbeeld afweken. Kinomörderin. We zien Carl Schmitt en Martin Heidegger, filosofen die het met de nazi’s op een akkoordje gooiden. Kathedermörder.

Toch wisten al die meelopers heel goed wanneer en waarvoor ze hun blik afwendden. Tegenstanders verweten Arendt dat zij Eichmanns schuld bagatelliseerde, alsof ze hem op zijn woord geloofde wanneer hij tegen zijn rechters verklaarde dat hij niet had geweten wat hij deed. Hij wist wel degelijk wat hij deed, meende Arendt; hij wist alleen niet wat het betekende. Hij kon zich niet verplaatsen in zijn slachtoffers, de gruwelijke gevolgen niet in verband brengen met zijn administratief handelen. Zijn grote vergrijp, 'gedachteloosheid’, was vanwege de banaliteit niet minder schandalig, maar wettigde volgens Arendt wel de conclusie dat het kwaad oppervlakkiger was dan het goede: 'Tief und radikal ist immer nur das Gute.’
Arendts banalisering van het kwaad was in de eerste plaats een poging de godsdienst te ontmantelen en de mens te zuiveren van de ingeboren zonde. Tien jaar eerder had ze al tegenover een collega verklaard dat godsdienstige interpretaties van het kwaad niet toereikend waren omdat de mens geen zondige ziel had. Maar hoezeer ze zich ook tegen de theologie verzette, ze haalde die toch langs de achterdeur binnen, meent VU-filosoof Sander Griffioen: 'In haar gebruik van het woord “banaal” klinkt Luthers opvatting door van het kwaad als een parasitair verschijnsel, dat wil zeggen van een corrumperende kracht die het goede nodig heeft om zich sterk te maken.’
Had Arendt nog iets dieper gegraven in het geloof van haar vaderen, dan had ze daar een andere interpretatie gevonden die het kwaad de plaats gaf die het toekomt. Een inzicht zo oud als de mensheid, misschien nog wel ouder dan het menselijk verbond met enige god. Het is een talmoedische wijsheid dat ieder mens twee jetzerim oftewel inborsten heeft, een goede (jetzer hatov) en een slechte (jetzer hara). De ene kan niet zonder de andere, vandaar dat onze nobelste daden een zelfzuchtige bijmenging hebben. 'Eigenlijk gaat het om twee elkaar aanvullende zielen’, legt rabbijn Raph Evers van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap uit: 'De jetzer hara is de aardse ziel, de neiging waardoor de mens zich in de wereld begeeft, angst en tegenslag overwint, naar erkenning streeft. Die aardse ziel staat ook voor onze agressie, hebzucht, hedonisme, drang naar macht. Een van de eerste mensen, Kaïn, duldde al geen broer naast zich. De jetzer hatov is de goddelijke ziel waardoor de mens zich boven het aardse verheft, het vehikel waardoor God in de wereld aanwezig blijft.’
In haar drang om zich van het joodse geloof te bevrijden, bagatelliseerde Arendt een van de gruwelijkste episoden uit de geschiedenis. Het is tragisch dat ze haar doel voorbijschoot en geen oog had voor het diep-menselijke zelfinzicht dat ook deel uitmaakt van menige godsdienstige traditie. De oudste mythen van de mensheid zijn immers meer dan primitief bijgeloof, ze zijn geboren uit de bittere ervaring van generaties. Nadat hij op aanraden van de duivel van de boom der kennis had gegeten, verloor de mens zijn onschuld, maar won het inzicht in goed en kwaad. De heer der wereld mag dan dood zijn, dat inzicht is nog altijd springlevend in ieder van ons.

Dit is een bewerkte versie van een in 2001 in De Groene Amsterdammer gepubliceerd artikel