Een kerstverhaal

Tweedehands Nikes

Hij had nog zes maanden te leven en zo zag hij er ook uit. Alsof iedere dag van zijn leven een nog intensere bijna-doodervaring was dan de vorige; alsof het halve jaar dat hem nog restte een minimalistische danse macabre was, een dodendansmarathon — they shoot horses, don’t they? — op de tonen van Simeon then Holts Canto Ostinato, staccato en mechanisch maar onomkeerbaar en onvermijdelijk op weg naar het einde. Morgen zou het altijd slechter zijn dan vandaag, voor hem, voor die jongen die nog maar zes maanden te leven had en er ook zo uitzag.

Zijn leven, of wat daarvan over was, werd alleen maar slechter. En minder. Een mensenleven is een volle cirkel bij de geboorte, en vanaf dat moment gaat de dood er hapjes van nemen. In het begin is het niet meer dan kruimelwerk, een kwestie van knibbelen. Het duurt lang voordat je in de gaten krijgt dat er aan dat leven van jou wordt geknaagd. En voor je het weet is de helft weg, opgegeten.

Deze jongen droeg de dood in zich. Iedereen draagt zijn eigen dood met zich mee, altijd, maar meestal is die klein, en weten we hem goed te verbergen, voor onszelf en voor de anderen. Andere mensen vinden het niet prettig om iemands dood te kunnen zien, alsof ze door een scheur in de broek de blote huid opmerken. Maar bij sommigen is hun dood zo groot geworden dat hij niet langer te verbergen is, zodat hij door hun leven heen schemert, of dat brutaal naar achteren dringt en zich schaamteloos aan hun buitenkant nestelt, waar iedereen hem kan zien.

Zo was het bij deze jongen. Zijn dood zat al aan de buitenkant, overal op hem. De mensen durfden niet naar hem te kijken, omdat hij ze te veel herinnerde aan hun eigen dood, die zo goed verhuld was dat ze dachten dat hij niet bestond, dat hun leven nog vol en rond was.

Het leven van de jongen die nog zes maanden te leven had, zou door niemand zo genoemd worden. Dat is niet wat de mensen een leven noemen: wonen op straat, geen geld, geen vrienden, geen toekomst, geen hoop, geen verwachtingen. En een lichaam dat kapot is, en elke dag nog een beetje meer kapot is. En hoe kapotter het wordt, hoe meer pijn het doet.

Zei hij.

Alles deed pijn. Van binnenuit werd hij opgegeten, zei hij, zo voelde het, door zijn ziekte. Want de dood heeft bondgenoten en helpers, slaafse volgers, verraders en moordenaars. Hij kon nauwelijks nog lopen, omdat zijn been niet meer wilde. In zijn armen en handen had hij geen kracht meer. Alles wat hij deed, vermoeide hem zo dat hij na enkele minuten moest uitrusten en op adem komen.

Ik liep door een van de straten waar hij woonde. Waarom ik daar liep, of waarheen, weet ik niet meer. Waarschijnlijk was het een van de zinloze wandelingen die het hoofd moeten doen openwaaien, die lucht moeten brengen.

Het was bijna kerst. Al wekenlang spraken de mensen over de «decembermaand». «Ja lieve kijkers, in deze decembermaand willen we allemaal wel iets doen voor elkaar, meer dan anders.» Nooit hoorde je over de «februarimaand». Alleen december maakte iets los in de mensen wat de collectieve hysterie rond voetbal kampioenschappen oversteeg.

De wanstaltigheid was alom en definitief. De wereld wist niet beter dan dat het kerst was omdat Blokker zijn jaarlijkse Ballenweken had.

Er hing een sombere dofheid over de huizen. Het was mistig en nat, soms maakte een passerende auto een sissend geluid. Rond de lampen van de straatlantaarns hing nevel, waardoor ze halo’s werden. Een wereld van alles en iedereen verlaten, waaraan God zijn vingers niet wilde branden.

Een zwerver met een winkelwagentje, vol rommel en met tientallen plastic tassen eraan met nog meer rommel erin.

Een oud echtpaar, schuifelend.

Het sissen van een auto.

Twee fietsers, die bijna uitglijden over de tramrails.

De stad lag te glimmen als een verlopen hoer, en probeerde met wat handig geplaatste lichtjes haar verleptheid te verbloemen, de barsten in haar buitenkant, de scheurtjes en schrammen.

Ik liep door een kerst verhaal van het schrijnende soort. De stad zoals ze er nu, hier, bij lag, was het volmaakte decor voor alle treurige verhalen die zich rondom je afspelen, en waarvan je de meeste meteen weer vergeet. Sommige niet, om een of andere reden.

Het was begin jaren negentig, het Maupoleum stond er nog, medicijnen tegen aids waren er nog niet. Aids, dat was de ziekte van de jongen die eruitzag alsof hij nog zes maanden te leven had, en dat ook had. Zes maanden, dat is 183 dagen maximaal, nee 184, minimaal 181.

De jongen werd opgegeten door zijn ziekte als door een geliefde. In die tijd was er geen hoop voor iemand die aids had. Er waren geen cocktails, geen remmers, geen verwachtingen. Aids was dood. Het was de tijd dat het met iedereen die ik kende goed ging.

Misschien dat ik daarom zo werd aangetrokken door de andere kant van het bestaan. Ik werd, beroepshalve, hield ik mijzelf voor, geïntrigeerd door de duistere zijde van het leven, de achterkant van die vooruitgang waar mijn kennissen zo gretig aan deelnamen. De donkere krochten van de stad lokten, wenkten en riepen. Het waren gedeelten van het leven, de wereld, die de mensen liever niet zagen, waarvan ze het bestaan liever niet erkenden, die ze effi ciënt en achteloos uit hun bewustzijn verdrongen — maar die er wel waren, die er onontkoombaar waren en er altijd zouden zijn. Voorbij de façades waarachter de mensen die ik kende zich hadden verschanst, daar waren de mensen en hun verhalen.

De verhalen van de zwervers, de daklozen, de alcoholisten, verslaafden, tippelaarsters, gekken en gestoorden vond ik eindeloos veel interessanter dan die van de «gewone» mensen, de alledaagse anekdotes van mijn vrienden en kennissen. Daarvan had ik telkens het gevoel dat ik ze al kende, dat ik na twee zinnen al kon uittekenen hoe het verder zou gaan, en hoe het zou aflopen.

Het liep altijd goed af. Want met iedereen ging het goed. Net als met mij. Iedereen was, net als ik, blank, hoog opgeleid, homo-, hetero-, bi- of anderszins geaccepteerd-seksueel, iedereen woonde ergens, werkte ergens, en deed alles met mate. Het afscheid van onze jeugd was ons minder zwaar gevallen dan we hadden gevreesd, en het volwassen leven bleek te passen als een maatpak.

We werden ouder, we vergaten dingen, we verloren dingen, en soms kregen we er dingen bij. Mensen werden geboren, mensen trouwden, mensen stierven, en steeds minder vaak vroegen we ons af of dit het nu was wat we wilden, wat we écht wilden.

Niemand kende lang durige diepe dalen, niemand ervoer hoge toppen. We leidden het afgevlakte leven van de verwende jaren negentig, en wij waren verveelde kinderen, voor wie het grootste probleem was dat we niet konden kiezen uit de overvloed aan luxe die ons omringde.

De grootse en opstandige plannen van de jeugd waren ingeruild voor het comfort van de aangepastheid.

Iedereen was gelukkig, of deed alsof hij gelukkig was, of riep zo hard dat hij gelukkig was dat niemand eraan durfde te twijfelen — en iedereen was saai.

Dat was ook mijn leven, en misschien verveelde het me daarom zo.

Ik wilde andere verhalen, niet meer de leugen achtig heid en protserigheid van de succesvolle mensen. Ik wilde echtheid, authenticiteit, diepte. Ik wilde onaffe dingen, krassen in de lak, deuken in het harnas, scheuren in het behang. Ik wilde echte verhalen van echte mensen over het echte leven. Ik wilde de waarheid, niet de tweedehands sprookjes die om me heen werden verteld en waarin iedereen was gaan geloven.

Dat zag ik bijna als mijn «taak»: het leven documen teren dat de mensen niet wilden zien. Hoe ver ik daarin zou gaan, wist ik nog niet. Dat zou wel blijken.

Dus werd ik, beroepshalve zoals ik mijzelf voorhield, onweerstaanbaar aangetrokken door de wereld van de onaffe mensen. Met gedeukte levens, krassen op hun ziel en scheuren in hun hart.

En zo kwam het dat ik op een avond, of eigenlijk een nacht, belandde in het kerstverhaal van de jongen die doodging. Een verhaal van het schrijnende, duistere soort, precies zoals ik het hebben wilde.

Het licht was schel, het licht was hard, het licht was om te janken zo koud. Een dichter die hier niets van kan maken, dacht ik, moet een ander beroep kiezen. Of avant-gardist worden. Amsterdam etaleerde zichzelf in volle glorie, met een glimlach die een onvergetelijk retourtje Arcadië beloofde, maar achter die schone schijn hoorde je haar vals grinniken, wetend dat ze mensen zou verlokken en vervolgens vermalen tussen haar scherpe tanden.

Ik zat naast Richard, want zo heette hij, tegen een muur, onder schurend wit parkeerplaatsenlicht achter het Maupoleum. Hij vroeg of ik misschien wat geld kon missen, want hij had honger. Dat kon ik wel, gaf hem geld en liep een stukje mee. Hij vertelde dingen.

Of ik hem had gezien, op de voorkant van Nieuwe Revu?

Dat had ik niet.

De kou trok door mijn broek en schoenen heen en kroop omhoog langs mijn rug en in mijn benen. Richard zat op een gebloemd, dun kussentje en haalde een injectiespuit tevoorschijn. De losgesneden bodem van een blikje (Sinas). Een aansteker. Een of ander poeder uit een wit plastic cilindertje. Hij veegde regenwater van het dak van een geparkeerde auto, trok zijn jas uit en half zijn trui. De linkermouw van de trui bond hij halfslachtig en niet strak genoeg om zijn bovenarm.

Het was koud. De spuit die hij in zijn arm ging zetten, moest hem warm maken. Of eigenlijk de inhoud ervan.

Op de grond lagen bloedspatten.

Ik volgde met mijn ogen het kloppen op de aderen, het duwen. Het zoeken naar een ader die meewerkt. Ik keek toe, verder niets, en zweeg. Na een half uur wroeten was het hem nog steeds niet gelukt.

Ik vroeg me af of het pervers was om hier te zitten luisteren naar zijn verhalen over zijn leven, en te proberen alles goed te onthouden om er later, straks, als ik warm en droog thuis was, een verhaal over te schrijven, en dat te publiceren, waar ik dan een honorarium voor zou krijgen. Kort overleg met mijn geweten verjoeg de twijfel, en daarvoor in de plaats kwam de overtuiging dat het goed was om aan de wereld van de welvarende mensen te laten zien dat dit ook bestond. Hier, nu, onder hun raam. Deze jongen bijvoorbeeld. Hij zou ter plekke kunnen sterven, en niemand zou het weten. Niemand zou het iets kunnen schelen.

De jongen vroeg of ik journalist was. Dat was ik niet, en dat zei ik. Waarom interesseerde het me dan wat hij allemaal zei? Ik mompelde iets vaags als antwoord. Ja ja. Of ik nog wat geld kon missen, misschien? Hij vertelde me wat hij ook aan de journalist van Nieuwe Revu had verteld: zijn leven. Hij had honderd gulden gevraagd voor zijn verhaal, en dat nog gekregen ook. Die verslaggever moet hebben gevoeld dat hij iets in handen had. Zo’n verhaal dat iedereen wil lezen, over een leven dat niemand wil leven.

Hoe hij op zijn dertiende van huis wegliep — dronken vader, zwakke moeder, nare leraren — en naar Amsterdam reisde. Hoe hij ’s avonds laat op het Centraal Station aankwam en werd aangesproken door een man, een op het eerste gezicht keurige man, die vroeg of alles wel goed met hem ging en hem meenam naar een huis waar «nog meer jonge jongens» waren als hij. Dat zei de man, zei de jongen.

In dat huis, in de Spuistraat, waren inderdaad nog meer jonge jongens als hij. Daar kreeg hij aandacht, heel anders dan thuis.

Hij bleef daar. Met de andere jongens kon hij goed opschieten. Ze lachten veel. Van de man en zijn twee zwagers, van wie er een ook in het huis woonde, kreeg hij eten, zakgeld en nieuwe kleren. Merkkleding. Maar dan moest hij daar wel blijven wonen.

«Ik kreeg gewoon Nikes van ze. Zomaar liep ik met echte Nikes aan mijn voeten.» Hij vroeg niet wat de bedoeling was, wat ze van hem wilden, of hoe het verder zou gaan.

Hoe hij na twee weken in het huis voor de eerste keer met een man naar bed moest. Dat deed hij maar. Het leverde hem 225 gulden op, waarvan honderd fooi. De klant was aardig. Hij droeg een mooi wit overhemd en zei, toen hij zich weer aankleedde: «Zorg dat je hier niet te lang blijft hangen, jongen. Probeer een baantje te vinden en een kamer voor jezelf. Of ga terug naar huis.» De jongen vroeg niet waarom. Het geld in zijn hand verlamde zijn tong.

Hij was bijna veertien, maar hij leek ouder. Vanaf die dag was alles heel eenvoudig: als hij geen seks had met een klant wanneer de man of een van de zwagers hem dat opdroeg, moest hij weer de straat op. Zijn Nikes moest hij dan inleveren.

Sissend op het natte asfalt kwam er een auto aan gereden. Hij stopte voor ons. Een politieauto. Een man en een vrouw stapten uit. Zaklantaarn, uniform.

Wat we aan het doen waren.

«Niks.»

«En dat bloed op de grond?»

«Dat lag er al.»

«We zijn hier dus niet aan het gebruiken?»

«Nee.»

De agente keek naar haar collega. Die knikte. Ze stapten in en reden weg.

Zijn aderen wilden nog steeds niet. Ze waren te hard. De naald ging in, de naald ging uit, de naald werd op een andere plek in de onderarm gestoken. Zijn vingers zaten onder het bloed, er liepen stroompjes langs zijn arm. Druppels drupten op de grond, op het kussentje.

«Kom op. Verdomme!»

Hij probeerde het nu in zijn bovenarm. Nog meer bloed. Dat bloed was besmet. In dat bloed zat de dood. En in de spuit, waarvan de inhoud steeds roder kleurde, zat het middel dat hem in staat stelde het leven te verdragen. Tijdelijk. De troost is altijd tijdelijk. Alleen de dood brengt definitief troost en verlengt de roes tot in de eeuwigheid.

De jongen was inmiddels 22, en werd over een maand misschien 23. Van die 23 jaar had hij er in totaal vier in de gevangenis doorgebracht. Als hij niet vastzat, verdiende hij zijn geld door op te treden in seksshows, met striptease, en als jongenshoer. Binnenkort zou hij doodgaan. Hij was met hiv besmet door een vuile naald, die hij een keertje leende van een collega-junk.

Toen we, stijf en koud, weer gingen lopen, huppelde de jongen bijna. Hij had nergens last meer van en ging op weg om zijn volgende shot te scoren. Tegenwoordig wel twintig shotjes op een dag, zei hij. Wat kon hem het schelen, hij ging toch dood, en de dope hielp tegen de pijn. Pijn, pijn, pijn. Overal, overal, «in zijn hele klerelijer», zei hij.

Hij ging op weg, hij moest weer verder.

Of hij wel eens gelukkig was geweest, in die jaren op straat. Toen ik dat vroeg, keek hij me even verward — nee, bevreemd — aan. Wat was dat nou voor een vraag, zag ik hem denken met die dode ogen van hem.

«Ja. Eén keer zal ik nooit vergeten. Dat was toen ik mijn zoontje geboren zag worden. Ik heb een zoontje, wist je dat? De tranen stonden in mijn ogen van geluk. Moet je je voorstellen, moet je je voorstellen dat je de tranen in je ogen hebt van geluk. Begrijp je wat ik bedoel? Verder ben ik wel eens blij geweest of zo, ja dat wel, maar verder was het eigenlijk allemaal gewoon gemiddeld.»

Gewoon gemiddeld.

Hij was 22. Hij woonde op straat. Hij was zwaar verslaafd. Hij had aids. Hij zou het volgende jaar niet halen, in elk geval niet levend. Hij had wonden in zijn gezicht die niet meer, nooit meer, zouden helen. Over een maand zou hij misschien 23 worden. Alles was gewoon gemiddeld. Zijn zoontje heet Patrick. Een gewone, gemiddelde naam voor een zoontje.

«Ik wil het eigenlijk allemaal opschrijven», zei hij. «Begrijp je wat ik bedoel?»

In de anderhalf uur dat hij daar met die klerespuit zat te klooien, die negentig nachtminuten op die scherp-koude stoeptegels, moest ik denken aan de man met wie ik eerder op de avond flipperde, de man die niet tegen zijn verlies kon. Ik vroeg me af wat ík in mijn leven allemaal verloren was. Daar, toen, ik was op dat moment dertig jaar, zes maanden, 29 dagen en tien uren oud, besefte ik dat er nog helemaal niets verloren is wanneer je denkt dat je alles bent kwijtgeraakt. Want er is altijd méér te verliezen.

Nadat ik hem mijn laatste tientje had gegeven, ging ik naar huis. Ik zag hem verder lopen, met kromme schouders, stramme benen en rillend. Een oude man die nooit lacht. Een gewone, gemiddelde oude man.

De volgende dag keek ik recht in het gezicht van de jongen. Vanaf de cover van Nieuwe Revu keek zijn gehavende hoofd, waar de dood doorheen prikte, me frontaal aan. In iets te grote letters stond eronder: «Verslaafd, aids, 22 jaar en nog zes maanden te leven».

Ik schreef het verhaal, noemde het Echte Nikes, publiceerde het en kreeg er een honorarium voor. Soms las ik het voor op een literaire avond, en steevast vond men het «mooi», of «ontroerend», of vooral ook «authentiek». Soms zuchtte men erbij.

Ik zou nog wel eens aan de jongen denken, in de dagen, weken, maanden daarna. Het was twee jaar later — het Maupoleum was misschien al afgebroken — dat ik op net zo’n koude decemberavond als toen, bijna kerst was het, iemand zag lopen die me bekend voorkwam. Ik volgde hem een stukje, het was een zwerverachtige figuur, die af en toe iemand aansprak en om geld vroeg, met zijn uit gestoken hand als een kommetje. Of een collectezak. Niemand gaf hem iets. De jongen keerde om en liep in mijn richting.

«Kun jij misschien wat geld missen?» vroeg de jongen.

Het was hem. Nauwelijks te herkennen. Alsof hij in de gevangenis had gezeten, zo gezond zag hij eruit. Minstens twintig kilo zwaarder, nergens schrammen, builen of zweren. Hij hinkte niet. Alsof de dood zich uit hem had teruggetrokken.

Ik wist niets te zeggen.

De jongen draaide zich om en liep verder. Hij huppelde bijna.