Pijnlijke geschiedenis De Armeense kwestie

‘Tweehonderdduizend? Drie miljoen!’

Tachtig jaar lang durfde vrijwel niemand in Turkije te praten over de vermeende genocide in 1915 van de Turken op de Armeniërs. Maar zoals de Turkse schrijver Ahmet Altan ooit opmerkte: ‘Geen enkele leugen kan langer standhouden dan honderd jaar.’ Het taboe werd in de jaren negentig langzaam doorgeprikt.

TURKEN HEBBEN SORRY GEZEGD tegen Armeniërs. Op een website die ruim een half jaar geleden is geopend door drie vooraanstaande Turkse intellectuelen schreven Turken hun namen onder de tekst die eindigde met: ‘Sorry voor de grote ramp in 1915.’ Voor deze Turken staat het buiten kijf dat de Turkse staat verantwoordelijk was voor de volkerenmoord op de Armeense minderheid, een genocide die plaatsvond in de lente van 1915. Een doorbraak in dit grootse Turkse taboe? Niet echt, want in Turkije wonen 73 miljoen mensen en behalve die dertigduizend ‘erkenners’ op de website wil niemand iets weten van een pijnlijk verleden. ‘De hele wereld is tegen Turkije, dus is die genocide ook verzonnen door de vijanden van de Turken.’
Turks extreem-rechts had het niet alleen in 1915 gemunt op Armeniërs; tweeënhalf jaar geleden nog werd de Armeense journalist Hrant Dink getroffen door kogels die afgevuurd werden door een door de ultranationalisten gehersenspoelde jongen. Hrant Dink, een wees en een engel die naar de aarde was gestuurd om de Turken en de Armeniërs met elkaar te verzoenen, lag daar voor de ingang van zijn eigen krant Agos. Zijn dode lichaam was met kranten bedekt. Alleen de versleten zolen van zijn schoenen waren te zien. Het was de dag dat een groot deel van Turkije, wel of niet gelovend in de genocide, in diepe rouw werd gedompeld. Over hoeveel Armeniërs in 1915 de dood vonden raakt men niet uitgediscussieerd, maar de dood van Hrant Dink was een feit. Honderdduizend Turken liepen uit op zijn begrafenis, uit de luidsprekers klonk de weemoedige muziek van het Armeense volksliedje: ‘In Erzurum loopt de bruid met de blonde haren…’
Hrant Dink werd op 19 januari doodgeschoten. Voor Etyen Mahcupyan is het elke dag 19 januari. Hij zit op de stoel waar Dink zat en zegt: ‘Ik droom niet meer elke dag over hem, maar hij is altijd aanwezig in onze gesprekken en onze gedachten.’ Etyen Mahcupyan, de nieuwe hoofdredacteur van Agos, was een van de beste vrienden van Hrant Dink. Na diens dood werd Mahcupyan gevraagd om hem op te volgen. Mahcupyan deed het, ondanks de zware taak om elke dag geconfronteerd te worden met de dood van zijn vriend. En met de angst voor een nieuwe aanslag, deze keer op hemzelf.
Op de muur achter zijn stoel hangt een foto van zijn vermoorde vriend, die zijn tanden bloot lacht. Aan de muren hangen ook foto’s van de gedwongen deportatie in 1915. Armeense vrouwen en kinderen lopen naast ossenwagens, niet wetend dat hun reis een donkere tunnel zal blijken die naar de dood voert.
‘Na de dood van Hrant is een nieuwe tijd begonnen in Turkije’, zegt Mahcupyan. ‘Zeer tegen mijn verwachting in liepen meer dan honderdduizend mensen mee op de begrafenis. Die enorme energie heeft als het ware een ander land gemaakt van Turkije. Het is nu mogelijk om donkere krachten binnen de staat aan te pakken. De Turkse staat rekent af met degenen die verantwoordelijk zijn voor talloze politieke aanslagen. Dit was tot een paar jaar geleden ondenkbaar. Misschien komt het ook zo ver dat de Turkse staat zich confronteert met de gebeurtenissen in 1915.’

DE ARMEENSE MINDERHEID in Turkije werd in het tweede jaar van de Eerste Wereldoorlog zo ongeveer van de aardbodem weggevaagd. Hierna is het heel lang stil geweest. Maar liefst acht decennia durfde vrijwel niemand in Turkije met een woord te reppen over de Armeense kwestie. Niemand wilde weten wat er in 1915 was gebeurd tussen de Turken en de Armeniërs en hoeveel Armeniërs er waren omgebracht. Het onderwerp was taboe: geen boeken, geen onderwijs en geen discussies over de gedwongen exodus van destijds. Maar zoals de Turkse schrijver Ahmet Altan een keer opmerkte: ‘Geen enkele leugen kan langer standhouden dan honderd jaar.’ Het taboe werd medio jaren negentig langzaam doorgeprikt. De gewone Turken kregen te horen dat er in 1915 ‘iets’ was gebeurd. Dat er vóór dat jaar heel veel Armeniërs in hun land hadden gewoond.
Inderdaad, zo’n 94 jaar geleden leefden in het Turkse deel van Klein-Azië zeker twee miljoen Armeniërs, verspreid over heel Anatolië. Ze vormden overal een minderheid, met uitzondering van de provincie Van. Het was een ontwikkeld volk dat aan landbouw en handel deed. Hun muziek en tradities leken op die van de Turken en de Koerden, waarmee ze samenleefden in de bergachtige gebieden. Maar er was één groot verschil: de Armeniërs waren christenen.

NU, IN 2009, sta ik op het Taksimplein in Istanbul. Het is de enige Turkse stad waar nog Armeniërs leven, niet meer dan veertigduizend in totaal. In de steden, dorpen en bergen van Anatolië is het Armeense volk verdwenen. Op dit bekende plein in Istanbul is een shoarmazaak met een Armeniër als eigenaar. Hij vertelt over zijn verleden: ‘Mijn ouders hebben in Kayseri gewoond. Na de dood van Atatürk is de druk op onze familie zo verhoogd dat we daar wel weg moesten. In 1952 zijn we naar Istanbul gekomen. Hier hebben we nooit meer last gehad. Een groot deel van mijn familie woont in het buitenland.’ Voor de shoarmaverkoper gaan de zaken goed. Zijn kinderen hebben met het geld van pa in het buitenland gestudeerd en hebben nu goede banen. De man wil niet praten over het lot dat zijn volk ten deel viel tijdens de Eerste Wereldoorlog. ‘Het is allemaal zo lang geleden. We moeten naar de toekomst kijken’, zegt hij. De shoarmazaakeigenaar, die nadrukkelijk niet met zijn naam in de pers wil komen, wil het verleden vergeten.
De Armeniërs in diaspora doen dat niet. Ze lobbyen voortdurend om de westerse parlementen zo ver te krijgen dat ze de ‘genocide’, gepleegd door de Turken op de Armeniërs, bij wet erkennen. Het lukt de laatste jaren aardig. De Turken worden telkens razend als het woord ‘genocide’ valt en dreigen de parlementen die geneigd zijn de volkerenmoord te erkennen met maatregelen. Daardoor komt de kwestie steeds weer op de agenda, hoe graag de shoarmaverkoper het verleden ook zou willen begraven.
Wat is er dan gebeurd in de Eerste Wereldoorlog waar de kleinkinderen van die Armeniërs nog altijd wakker van liggen? De officiële lezing van Turkse kant luidt: eeuwenlang hebben de Armeniërs in vrede geleefd in het Ottomaanse Rijk, de voorloper van de Turkse Republiek. Ze namen zelfs actief deel aan het bestuur van het rijk. Maar naarmate het rijk zwakker werd en grond verloor, begonnen ook de Armeniërs actief te werken aan een onafhankelijke staat. Armeense bendes vielen Turkse dorpen aan en vermoordden de boeren. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, viel Rusland Turkije binnen. De Russische Armeniërs vochten actief mee tegen de Turken. De Turkse Armeniërs voelden zich meer verwant met de christelijke Russen. Ze begonnen dan ook een bedreiging te vormen voor het Turkse leger. Hierop organiseerde de regering een exodus van de Armeniërs naar het zuiden. Onderweg vielen veel slachtoffers. Niet door de Turkse regering, maar omdat de Koerdische veldheren niet onder controle konden worden gehouden. En natuurlijk ook door de slechte omstandigheden onderweg.
Het Armeense verhaal luidt anders: alles begon met de opkomst van de nationalistische beweging Jonge Turken. Ze richtten de partij Eenheid en Vooruitgang op en kwamen door de zwakte van de sultan snel aan de macht. De leiders van deze partij zagen in dat het rijk constant terrein verloor. De enige kans op overleven was om in een kleiner land te leven met een homogene bevolking. De Eerste Wereldoorlog werd dan ook als een perfect excuus gebruikt om het land te zuiveren van de Armeense minderheid. Alle Armeniërs werden stelselmatig onderworpen aan een exodus. Onderweg werden ze koelbloedig vermoord door de militairen en de Koerden. Aan het hoofd van de genocide stond de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Talat Pasja, die zijn onderdanen beval dat ze geen genade moesten kennen voor de Armeniërs. Van de anderhalf miljoen Armeniërs die aan de exodus waren onderworpen hebben uiteindelijk zo’n vijftigduizend het gehaald. De Armeniërs in Istanbul overleefden de genocide wel, omdat daar buitenlandse afgezanten en journalisten waren gestationeerd.
‘Ik ben nog nooit naar Oost-Turkije gegaan, waar mijn voorouders hebben geleefd en waar ze uit zijn verbannen’, zegt Kaan, een 31-jarige gitarist die in bekende cafés in Istanbul speelt. ‘Tijdens de verbanning hebben de meeste Armeniërs braaf alle instructies van de militairen opgevolgd. Tegen hen werd gezegd dat ze hun bezittingen binnen een dag in ossenwagens moesten doen, de volgende dag zouden ze vertrekken. Mijn opa vertrouwde het allemaal niet en dook onder bij een alevitische familie in een ander dorp. Hij was de enige in de familie die niet vertrok naar de woestijnen in het zuiden. Hij was ook de enige die in leven is gebleven.’
Kaan zelf heeft er stilaan genoeg van dat de Armeense kwestie telkens opduikt: ‘Het is wel makkelijk voor de Armeniërs in het buitenland om de kwestie warm te houden. Maar hier in Turkije moeten wij met de Turken samenleven. Ik ben hier nooit gediscrimineerd vanwege mijn achtergrond. En ik wil dat graag zo houden. Mijn Turkse vrienden zien me als Kaan en niet als Kaan de Armeniër. Oké, het is wel tragisch wat er in 1915 is gebeurd, maar het is 94 jaar geleden.’
Hij treedt die avond op met zijn groep in een café in Beyoglu, de uitgaanswijk van Istanbul. Normaal spelen de jongens popmuziek, maar er is een volkslied waar niemand de laatste tijd omheen kan. Kaan speelt het dan ook: ‘Op de markt van Erzurum loopt het meisje uit de bergen./ Ik weet dat ze jou mij niet zullen gunnen./ Ik wou dat ik dood was, de bruid met de blonde haren uit de bergen…’ Kaan zingt het liedje eerst in het Turks, daarna in de originele vorm, in het Armeens. Het geluid van het Armeense blaasinstrument is hartverscheurend, het vibrato doet fantaseren over het gehuil van de kinderen tijdens de reis naar de dood in 1915.
Hoewel ook Kaan niet wil dat de Armeense zaak telkens ter sprake komt, gebeurt dat in Turkije de laatste twintig jaar wel steeds meer. Eerst kwamen de Armeniërs in het nieuws met aanslagen van de Armeense terreurbeweging Asala op Turkse diplomaten. Daarna werden de Armeniërs gespreksonderwerp tijdens de oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan, twee sovjetrepublieken die na de opheffing van de Sovjet-Unie in oorlog raakten om de Armeense enclave Nagorno-Karabach. De Turken spraken ook over Armeniërs als het ging om de Koerdische beweging PKK. Volgens sommige Turkse nationalisten steunden de Armeniërs de PKK.
En dan was daar de publicatie twaalf jaar geleden van het ‘Armeense taboe’ van de hand van de Franse onderzoeker Yves Ternon. Die werd na een vonnis van de rechtbank direct uit de schappen van de winkels gehaald. De rechtszaak bij een hogere rechter duurde ongeveer drie jaar. Uiteindelijk mocht het boek toch worden uitgegeven. In het vonnis stond dat de Armeense minderheid te klein is om een bedreiging te vormen voor de eenheid van de Turkse staat.
Enkele jaren geleden deed ook een discussieprogramma op de televisie veel stof opwaaien. Twee Turkse historici en een rechtse parlementariër vertelden om de beurt het gebruikelijke verhaal dat eigenlijk de Turken slachtoffer waren geweest van de Armeense bendes die uit waren op het stichten van een eigen staat. Maar tot ieders verbazing belde de programmamaker ook Taner Akcam, een Turkse onderzoeker die vanwege zijn mening over de Armeense kwestie naar de Verenigde Staten was gevlucht. De discussie was zeer verhit. De doorgaans kalme Taner Akcam schreeuwde op een gegeven moment door de telefoon: ‘De PKK heeft mensen vermoord. Moeten we daarom alle Koerden uitroeien?’ De vrouw van wijlen president Turgut Özal belde woedend op. ‘Hoe kunnen jullie deze man aan het woord laten. Ik vraag jullie om onmiddellijk zijn afkomst uit te zoeken. Ik kan niet geloven dat deze Akcam een Turk is.’ Een dag later publiceerde Hürriyet, de krant met de grootste oplage in Turkije, een brief van een lezer die schreef dat het nu eindelijk eens tijd werd om generaal Talat, de man die verantwoordelijk wordt geacht voor de gebeurtenissen in 1915, als een Pol Pot of Stalin te beschouwen.
Nu, een paar jaar na de uitzending van dit programma, ga ik naar het huis van Kaan. Een oude tante is op bezoek. Op tv gaat het weer eens over de Armeense kwestie. Een Turkse deskundige vertelt hoe volgens hem de ‘tweehonderdduizend’ Armeniërs in 1915 om het leven zijn gekomen. Kaans tante ontsteekt in woede: ‘Wat! Het waren er wel drie miljoen. Mijn vader heeft het me allemaal verteld.’ ‘Kun je de Turken niet vergeven?’ vraag ik. De tante zegt: ‘Hoe moet ik de Turken vergeven? Ze hebben niet eens hun verontschuldigingen aangeboden.’
Die dertigduizend verontschuldigingen op internet tellen niet, volgens haar. De Turkse leiders zouden hun spijt moeten betuigen. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat Turkse bestuurders een dergelijk plan hebben. Na de handtekeningenactie op internet zei de Turkse premier Tayyip Erdogan niet te begrijpen wat de intellectuelen willen bereiken: ‘Waarom zouden Turken sorry zeggen tegen Armeniërs? Mensen die een fout hebben begaan zeggen sorry. Daarom weet ik niet waarom we sorry moeten zeggen.’
Schrijver Omer Laciner ondertekende de internettekst omdat hij het wachten beu is. Hij zegt: ‘Het ziet ernaar uit dat Turkse regeringen absoluut geen zin hebben in het erkennen van de genocide. Ze hebben geen boodschap aan de tragedie die tijdens het verdrijven van Armeniërs in 1915 heeft plaatsgevonden. Als persoon wil ik wel iets doen. Ik wil mijn medeleven tonen voor de pijn die onze Armeense broeders hebben gevoeld. Het minste wat we kunnen doen is op een eerlijke manier sorry zeggen.’

VOOR HET GEBOUW van de Armeense krant Agos is het als altijd druk. Mensen lopen haastig over de stoep waar Hrant Dink tweeënhalf jaar geleden in het hoofd werd geschoten. Hier lag de wees die zichzelf als een bange duif zag. ‘Ze bedreigen me elke dag met de dood. Ik ben zo bang geworden als een duif. Maar ik weet ook dat in mijn land de mensen de duiven niets aandoen’, had Dink geschreven. Ik kijk naar de stoep en weet dat het verleden misschien pijnlijk is, maar dat de dood van Dink pas echt zeer doet.