Bloomsbuy-toneel

Tweestemmig leven

Bloomsbury-grootheid Virginia Woolf werd gemangeld tussen de stilte van het innerlijk en het lawaai van de buitenwereld. De huidige generatie herkent zich in deze verscheurdheid, zoals het opvoeren van twee toneelstukken aantoont.

The Bloomsbury Group. Deze Britse generatie kunstenaars en intellectuelen die aan het begin van de vorige eeuw lustig met artistieke, sociale en politieke vormen experimenteerde, was volgens Christopher Isherwood geen groep, maar een «clan». Dat wil zeggen: een zelf gevormde gemeenschap die op grond van overeenkomstige artistieke smaak en filosofische en politieke overtuigingen er de voorkeur aan gaf niet de eigen familie maar elkaars gezelschap als pijler van het bestaan te kiezen. Vernoemd naar de wijk in Londen, woonplaats van belangrijke leden als Virginia Woolf, Maynard Keynes, Clive Bell en Roger Fry, onderhielden ze zich niet alleen over elkaars werk, maar ook over ieders persoonlijke wel en wee. Opvallend is dat juist in deze tijd, waarin het individualisme door het wegvallen van de grote, gemeenschappelijke idealen hoogtij viert en ieder voor zich zit te ploeteren om de persoonlijke cocktail van werk, zorg en hypotheek gestalte te geven, deze bijzondere gemeenschap nog altijd tot de verbeelding spreekt. Vooral Virginia Woolf, de enige niet gestudeerde en vrouwelijke schrijver tussen de zelfbewuste Cambridge-boys, weet de laatste decennia een gevoelige snaar te raken.

Ook in Nederland. Tot eind mei reist de grote Engelse schrijfster stads- en plattelandstheaters af om bij maar liefst twee theatergezelschappen te proberen wat haar in het dagelijks leven nauwelijks lukte: zichzelf spelen. Bij theatergroep De Kern poogt ze zich met haar zus Vanessa Bell te midden van de andere «Bloomsberrie's» als semi-publieke persoonlijkheid te handhaven. Terwijl ze zich bij toneelgezelschap Carrousel opnieuw in haar langdurige doch complexe verhouding met collega-schrijfster Vita Sackville-West stort.

De Woolfs die beide theatergezelschappen voorschotelen zijn zo verschillend dat de toeschouwer die hoopte wat helderheid te krijgen in het toch al zo tegenstrijdige beeld van de schrijfster bedrogen uitkomt. Hij verlaat het theater met nog altijd die twee verschillende foto’s in zijn kop: de melancholieke vrouw die prerafaëlitisch wegdroomt van de camera en de scherpzinnige, angst inboezemende, feministische Grand Lady uit Albees toneelstuk Wie er is bang voor Virginia Woolf? Dat is niet verwonderlijk, want er bestaan op z'n minst twee Virginia Woolfs. De eerste is die van de romans, de tweede die van de dagboeken, essays en brieven. De eerste is bedachtzaam, teder en met een uiterst traag en ingehouden tempo. De tweede is fel, humoristisch en ongeduldig, goed van de tongriem gesneden, maar ook rancuneus en ongenaakbaar tegen over haar vrienden, familie en collega-schrijvers.

Ook de fans van Virginia Woolf lijken zich langs deze scheidslijn te verdelen; je bent of van de roman-Woolf of van de brieven-Woolf. Het is bijkans onmogelijk om van beiden tegelijkertijd te houden. Toch blijkt dat een voorwaarde als je Virginia Woolf op de planken wilt zetten. De vraag is: waarom? En de vraag is natuurlijk ook: waarom moet Virginia Woolf zo nodig zelf, buiten haar werk om, komen opdraven? Wat voegt een theatrale verbeelding van haar persoon toe aan haar literaire werk?

Het zijn vragen die niet alleen te stellen zijn aan beide theatergroepen, maar ook aan romanschrijvers als Christine Duhon (Een liefde van Virginia Woolf, 1992), Michael Cunningham (De uren, 1999) en eerlijkheidshalve ook aan mijzelf (Tweeduister, 2001). Ook wij konden onze handen niet van Mrs. Woolf afhouden en hebben haar, zonder te weten of zij dat op prijs zou hebben gesteld, in onze romans laten opdraven.

De fascinatie voor werk en leven van de schrijfster alleen kan die onstuitbare behoefte «iets» met Woolf «te doen» niet verklaren. Natuurlijk maakt Woolfs eigen worsteling met de keuze tussen binnen- of buitenwereld, schrijven of handelen, kunst of politiek, de studie van haar leven en werk tot een alles behalve slaapverwekkende aangelegenheid. En uiteraard hebben haar aanvallen van waanzin en haar zelfmoord onze romantische gevoelens over geniale, krankzinnige kunstenaars ook aangewakkerd. Toch neemt dat alles niet weg dat onze honger naar details, onze lust tot weten, onze grenzeloze nieuwsgierigheid gemakkelijk gestild kunnen worden met de berg informatie die al op tafel ligt, zoals de drie uitvoerige biografieën van Quentin Bell (1972), James King (1994) en Hermione Lee (1996).

Maar door al die informatie wordt de interpretatie van haar persoonlijkheid er niet eenvoudiger op. Integendeel, door de veelheid van het materiaal wordt de persoon van Virginia Woolf steeds diffuser. Daar ligt waarschijnlijk de uitdaging voor de theater- en verhalenmakers. Zij kunnen zich een eigen weg door die veelheid banen. Zij kunnen wat de biograaf niet vermag. Zij kunnen de in duizenden feitjes uiteen geplukte Virginia Woolf een kostuum aantrekken, haar een rol en character geven en daardoor iets bij elkaar brengen wat in het overgeleverde literaire en biografische materiaal nogal uiteenloopt.

Ik denk dan natuurlijk vooral aan het raadsel van de incompatibilité d'humeur tussen de roman-Woolf enerzijds en de Woolf van brieven, essays en dagboeken anderzijds. Het pregnante verschil tussen de geduldige, in melancholie omziende schrijfster die nauwgezet de vele lagen van haar binnenwereld afpelt en de ongeduldige, grappige, levenslustige en soms ook woedende en haatdragende schrijfster van de brieven, essays en dagboeken die zich nadrukkelijk tot de buitenwereld verhoudt, is een boeiend gegeven voor toneel- en romanschrijvers. Wat Woolf tot zo'n fascinerende persoonlijkheid maakt, is precies deze «schizofrenie», die tweestemmigheid van een in zichzelf gekeerde schrijver en een op de wereld gerichte persoon die zich hoe dan ook tot elkaar moeten verhouden. Maar telkens congrueert de eenzaamheid die het werk vereist niet met het rumoer van de wereld, de zoektocht naar waarheid niet met het verlangen te verdraaien en verfraaien, de afdaling in de innerlijkheid niet met het verschijnen in de openbaarheid. Virginia Woolf verenigt de uitersten van dit menselijke spectrum in één persoon, maar heeft ze gesplitst in twee écritures, twee manieren van schrijven. Het is aan de theater- en verhalenmaker om de existentiële spreidstand waarin zij verkeerde boven water te krijgen. Want net zoals «de wereld van het persoonlijke leven», zoals Woolf aan het einde van Three Guinea’s schrijft, «onlosmakelijk verbonden is met de wereld van het openbare leven», zo zijn ook de twee Woolfs niet onafscheidelijk van elkaar te zien. Sterker, de confrontatie tussen beide Woolfs vormt wellicht het meest dramatische aspect van haar leven.

Theatergroep De Kern slaagt erin van Woolfs leven een kleurrijk tableau vivant te maken. De toeschouwer krijgt niet alleen een indruk van haar leven, maar ook van de Bloomsbury-clan. Maar juist omdat de avond met zoveel verschillende personages is gevuld, ziet het publiek vooral de rol die Woolf in de openbaarheid speelde, waardoor de voor haar leven zo cruciale spanningsverhouding tussen haar schrijvende en sociale ik niet echt uit de verf komt.

Carrousel speelt het stuk van Eileen Atkins, waarin twee actrices in briefvorm met elkaar spreken. Daardoor is er vooral «veel tekst», zoals een vrouw na afloop van de voorstelling aan de bar verzuchtte. «Tja», zie de man naast haar op verveelde toon, «wel erg veel tekst.» Het toneellezen was deze bezoekers duidelijk niet zo goed bekomen. Ze hadden waarschijnlijk meer spanning willen voelen, meer drama willen zien. En dat is moeilijk als je een schrijf ster op de planken zet die alleen maar uit haar oude brieven mag citeren.

Het had toneel kunnen worden als de holle echo’s van de brieven onderzocht én gespeeld werden. Als de voorstelling zou zijn opgebouwd rond datgene wat zowel de drijfveer achter als de afgrond onder Woolfs bestaan is geweest: de onverenigbaarheid van haar met twee stemmen sprekende tong.

Het waren niet alleen de stemmen van buiten die Woolfs geest teisterden, zoals vaak in de biografieën wordt gesuggereerd, maar vooral ook de diverse stemmen in haarzelf die ze zo moeilijk tot een duet wist te verleiden. Hoezeer ze in Three Guinea’s er ook voor pleitte om «in de intensiteit van onze individuele emoties de openbare wereld niet te vergeten» omdat dan «beide huizen worden verwoest, dat van de openbare en de particuliere wereld, het materiële huis en het geestelijke huis, want ze zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden», het lukte haar in haar eigen werk nauwelijks meer om dat voor elkaar te krijgen. Haar politieke aanklacht Three Guinea’s zou oorspronkelijk een eenheid moeten vormen met de roman The Years, maar het lukte haar niet het politieke en het persoonlijke verhaal met elkaar te verbinden. «To connect», luidde haar persoonlijke levens motto, maar ze besefte steeds meer dat ze juist daarin niet slaagde. Ontevreden over elk afzonderlijk gepubliceerd deel bleef ze tot het eind toe vechten om «een eenheid tot stand te brengen die scheidingen wegvaagt alsof het slechts krijtstrepen zijn». Ze bleef dromen van «het vermogen van de menselijke geest om de grenzen te over spoelen en eenheid uit veelvoud te maken».

Maar hoe meer de twee verschillende stemmen eind jaren dertig door de oorlogsdreiging uit elkaar getrokken werden, hoe meer zij zich bewust werd van de afgrond tussen haar schrijvende en sociale ik. Ze begon te wankelen onder de druk van haar niet tot «eenheid» te brengen bipolaire intensiteit, om een andere term voor haar hartstochtelijke schizofrenie te gebruiken. Want Woolf was net zo harts tochtelijk verslaafd aan de innerlijke wereld van het schrijven als aan de rumoerige wereld van de openbaarheid. Omdat het ene een terugtrekking uit de wereld verlangde, terwijl het andere eiste dat zij iets in die wereld ging doen, verloor ze uiteindelijk haar evenwicht en viel.

Iets daarvan is ook in beide theatervoorstellingen te zien. Maar nadat het doek is gevallen, rest vooral het verlangen haar werk te herlezen. Dat is op zich al een verdienste. Virginia Woolf blijft haar lezers fascineren doordat de existentiële spreidstand waaraan zij in haar werk uitdrukking heeft gegeven door velen herkend wordt als de ambivalentie van het eigen bestaan. Net als Woolf zien velen een afgrond gapen tussen de stille uren waarin ze op zichzelf zijn teruggeworpen en de luidruchtige rol die ze in de openbaarheid moeten spelen. In die zin betekent Woolf lezen altijd vertroosting zoeken voor de eigen verscheurdheid.

Nog tot begin juni op tournee te zien: Vita & Virginia, toneelgroep Carroussel, info: 020-6248473; Een hechte samenzwering, theatergroep De Kern, tekst: Ineke ter Heege, regie: Dirk Laroy, info: 020-4200440.