Benien van Berkel, Tobie Goedewaagen

Twijfelachtig allooi

Hoewel het beeld van collaboratie en verzet in Nederland de laatste decennia in veel opzichten veranderd is, lijkt er over één aspect nog altijd consensus te bestaan: artistiek en intellectueel stelden de Nederlandse nazi’s niets voor. Kunstenaars, schrijvers of denkers die voor de Nieuwe Orde kozen waren op z’n best derderangs, vaak zelfs veel beroerder.

Benien van Berkel, Tobie Goedewaagen (1895 - 1980). Een onverbeterlijke nationaalsocialist € 29,90 e-book, € 14,99

In Frankrijk had je onder de collaborateurs nog talentvolle schrijvers als Céline, Drieu la Rochelle en Henry de Montherlant, maar in Nederland kwamen ze niet verder dan knoeiers als Martien Beversluis, Jan H. Eekhout en George Kettmann jr. En in Duitsland zelfs kozen gerenommeerde denkers als Carl Schmitt en Martin Heidegger voor het nationaal-socialisme, maar welke Nederlandse intellectueel van enige standing trad in hun voetsporen? Goed, André Jolles diende vol overtuiging het Derde Rijk, maar hij was al voor de Eerste Wereldoorlog tot Duitser genaturaliseerd.

Een van de weinige Nederlandse intellectuelen met een behoorlijke reputatie die voor de Duitse bezetter ging werken, was de filosoof Tobie Goedewaagen. Maar ook hij werd door Loe de Jong getypeerd als een typische mislukkeling, een rancuneus mannetje dat gepasseerd was voor het hoogleraarschap en uit teleurstelling daarover in nationaal-socialistisch vaar­water terecht was gekomen. Hiermee leek hij dus sprekend op de meeste andere Nederlandse collaborateurs, die meestal ook worden ­afgeschilderd als figuren die wegens gebrek aan talent en succes gefrustreerd waren en in 1940 hun kans schoon zagen om eindelijk posities te bereiken waar ze in eigen ogen recht op hadden.

Dit beeld is in de afgelopen jaren enigszins gecorrigeerd, en er wordt nu ook aandacht geschonken aan andere motieven dan blinde ambitie. Mensen kozen soms ook voor het natio­naal-socialisme omdat ze er echt in geloofden. In haar dissertatie over Tobie Goedewaagen wijst Benien van Berkel er terecht op dat deze filosoof, die tijdens de bezetting secretaris-generaal van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten werd en oprichter was van de Kultuurkamer, al in de jaren dertig denkbeelden ontwikkelde die hem tot het nationaal-socialisme brachten. En in die tijd was dat echt niet bevorderlijk voor je maatschappelijke carrière.

Goedewaagen kwam uit een welgestelde familie van aardewerkfabrikanten en bankiers, en werd ook als volwassene door zijn ouders financieel gesteund. Zo kon hij eindeloos studeren en de onbezoldigde functie van privaat­docent in de wijsbegeerte vervullen. Aanvankelijk had hij vooral artistieke aandriften, zodat hij reeds in 1916 gedichten publiceerde in De Gids. Omdat zijn verzen eerder hoogdravend dan diepgravend of oorspronkelijk waren, had hij dit vermoedelijk te danken aan zijn vriend Adriaan Roland Holst, die poëzieredacteur van het deftige tijdschrift was. Goedewaagen verkeerde een tijdlang in allerlei kunstenaarsmilieus, maar stortte zich na enige tijd op de wijsbegeerte, waarbij hij zich ontwikkelde tot een loepzuivere kantiaan, die zich fel keerde tegen alle metafysische humbug. In vakkringen wist hij zich een zekere reputatie te verwerven, en toen in 1932 de Utrechtse hoogleraar Ovink met emeritaat ging gold Goedewaagen als zijn gedoodverfde opvolger. Inhoudelijk was er echter verwijdering ontstaan tussen Goedewaagen en zijn ­leermeester, zodat hij tot zijn verbijstering gepasseerd werd.

Goedewaagen nam steeds meer afstand van Kant, schreef een boek over Nietzsche en begon zich meer te oriënteren op Hegel en Fichte, terwijl hij zeer onder de indruk was van Spenglers Der Untergang des Abendlandes. Zoals zoveel denkers in het interbellum kwam hij zeer kritisch te staan tegenover de moderne samen­leving en kreeg hij een afkeer van de idealen van de Verlichting. (Zelfs de latere felle antifascist Menno ter Braak had aanvankelijk niets op met de democratie.)

De intellectuele en ideologische ontwikkeling die Goedewaagen doormaakte zal zeker een van de oorzaken zijn geweest van zijn keuze voor het nationaal-socialisme, maar dit sluit andere motieven uiteraard niet uit. Historisch Nieuwsblad-_redacteur Bas Kromhout, die zelf vorig jaar promoveerde op een biografie van SS-voorman Henk Feldmeijer, heeft er terecht op gewezen dat Van Berkel enigszins is door­geschoten in haar streven om van Goedewaagen maar vooral geen rancuneuze opportunist te maken. Zelf heeft deze namelijk toegegeven dat het feit dat hij geen hoogleraar werd zijn leven een beslissende wending gaf. Maar als het gaat om het gedachtegoed van Goedewaagen blijft Van Berkel sowieso een beetje vaag. Zo is het onderscheid dat zij maakt tussen zijn ‘cultuurracisme’ en het ‘biologische’ racisme van veel andere nazi’s allesbehalve duidelijk, en blijkt uit haar poging het modernistische aspect van het nationaal-socialisme te benadrukken dat zij Nolte’s beroemde boek _Der Faschismus in seiner Epoche niet goed gelezen heeft. Wel heeft ze zeer minutieus gereconstrueerd in welke slangenkuil Goedewaagen terechtkwam toen hij in 1940 de leiding van het propaganda­departement op zich nam. Ook haar schets van Goedewaagens naoorlogse leven is interessant. Als politiek delinquent mocht hij alleen nog lesgeven op een particuliere avondschool en in zijn vakanties ging hij steevast naar Duitsland, waar hij een geziene gast was op nazi-bijeenkomsten.

Van schuldbesef was geen enkele sprake, en in veel opzichten radicaliseerde hij zelfs. Van Berkel beschrijft hoe hij actief werd in een, aan de Nederlandse Volksunie van Joop Glimmerveen gelieerde, club van ‘negationisten van twijfelachtig allooi’. Deze wat ongelukkige formulering – zijn er ook holocaustontkenners van ‘niet-twijfelachtig allooi’? – is helaas typerend voor de wat moeizame schrijfstijl van de auteur, die met dit boek niettemin een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan onze kennis van de Nederlandse collaboratie.


Benien van Berkel

Tobie Goedewaagen (1895-1980): Een onverbeterlijke nationaalsocialist

De Bezige Bij, 482 blz., € 29,90