Het post-Saddamtijdperk

Twijfels over Amerikaanse bezetting

De Amerikanen en Britten hebben in Irak te kampen met enkele tegenvallers. De complexiteit van de Iraakse geschiedenis en bevolkingssamenstelling laat zich voelen, en bedreigt een stabiele situatie in het post-Saddam-tijdperk.

Nu de rook van de eerste schermutselingen is opgetrokken, blijkt de Amerikaans-Britse opmars in Irak minder voorspoedig te verlopen dan sommigen hadden gehoopt. Dat de troepen bij het overschrijden van de Eufraat op verzet van Saddams elitetroepen zouden stuiten, was te voorzien. De verwachte massacapitulatie van Iraakse dienstplichtigen is echter uitgebleven. De precisiebombardementen op Bagdad raakten zoals gewoonlijk vooral lege gebouwen. Saddam Hoessein, Tariq Aziz en andere leiders trekken op de Iraakse tv nog dagelijks lange neuzen naar de «agressors».

Verontrustender is de constatering van meereizende journalisten dat de aanvallers nergens juichend worden ingehaald, zelfs niet in de omgeving van de zuidelijke hoofdstad Basra, vanouds een centrum van sjiïtisch verzet tegen Saddam. The Wall Street Journal durfde afgelopen maandag voor het eerst het beestje bij de naam te noemen: «VS en GB stuiten op diepe haat bij Iraakse burgers». Volgens de krant leeft in Basra en omgeving nog altijd de herinnering aan het «verraad» van 1991, toen Bush senior de sjiïeten en Koerden opriep om tegen Saddam in opstand te komen en hen vervolgens in de steek liet.

Het wantrouwen zal toenemen naarmate de indringers zich laten verleiden tot gevechten in dichtbevolkte gebieden, hetgeen precies de bedoeling lijkt van de guerrillatactiek van het Iraakse leger. Bovendien dreigt komende week een noodsituatie te ontstaan door het uitvallen van nutsvoorzieningen en een om zich heen grijpende voedselschaarste in en rond Basra.

Om de sympathie van de bevolking te winnen, probeert het Amerikaanse leger nu grote hoeveelheden hulpgoederen naar het «bevrijde» zuiden te verschepen. Toen president Bush afgelopen zondag verordonneerde dat de humanitaire hulp binnen 36 uur op gang moest komen, maakte de «race naar Bagdad» plaats voor een race om Iraks enige havenstad Umm Qasr veilig te stellen.

In het noorden van het land tekent zich een tweede tegenvaller af. Turkije heeft laten weten een veiligheidszone van ten minste twintig kilometer op Iraaks grondgebied op te eisen. Een al te gretige Turkse interventie kan voor Iran aanleiding zijn om in te grijpen, met als gevolg dat de territoriale eenheid van Irak en de stabiliteit van de hele regio gevaar lopen. En als de Turken ook nog in gevecht raken met Koerdische strijders, zullen de Amerikanen hun handen vol hebben aan het sussen van de gemoederen. Bij het ter perse gaan van deze krant had de speciale gezant van Bush voor Irak — de Afghaanse Amerikaan Zalmay Khalilzad — ondanks een verwoede pendeldiplomatie nog geen vergelijk tussen Ankara en de Koerden bereikt. Dreigen de Amerikanen de vrede al te verliezen voordat ze de oorlog hebben gewonnen?

«Het zou een ramp voor Washington zijn als de Turken in gevecht raken met de Koerden», zegt Irak-kenner Amatzia Baram van de Universiteit van Haifa. «Misschien is Turkije daar wel op uit, als excuus om in de naaste toekomst de olievelden rond Kirkoek te bezetten. En de Koerden zullen misschien hun woede afreageren op de Arabieren in Kirkoek of op de Turkmenen, een aan de Turken verwante minderheid die in 1958 al eens slachtoffer is geweest van massale moordpartijen. Of ze het willen of niet, de Amerikanen zullen in Noord-Irak jarenlang politieagent moeten spelen.»

Een derde complicatie is het diplomatieke verzet tegen de Amerikaanse bezetting van Irak. Frankrijk en Rusland zullen hun veto uitspreken over een aangekondigde Britse Veiligheidsraadresolutie die de volkenrechtelijke status van zo’n bezetting zou moeten legitimeren. De Europese Unie heeft verklaard slechts mondjesmaat te zullen bijdragen aan de wederopbouw. De VN bieden slechts noodhulp.

Het ziet ernaar uit dat de kosten grotendeels voor rekening komen van de Amerikaanse belastingbetaler, hoewel in Washington geluiden opgaan om de Irakezen ervoor te laten betalen uit hun toekomstige olieopbrengsten. Het werpt een ander licht op de onbaatzuchtige verklaringen van Britse en Amerikaanse officieren dat ze de zuidelijke oliebronnen «in het belang van het Iraakse volk» hebben veiliggesteld.

Tot overmaat van ramp protesteren vrijwel alle Iraakse oppositiegroeperingen in ballingschap, inclusief het door de Amerikanen gefinancierde Iraaks Nationaal Congres (INC) onder leiding van Ahmed Chalabi, tegen het bezettingsplan. Vooral het vooruitzicht van een tweejarig militair bewind van de Amerikaanse opperbevelhebber Tommy Franks is hun een doorn in het oog. Vanuit zijn hoofdkwartier in Noord-Irak stuurt Chalabi al wekenlang brandbrieven aan de westerse media om de «arrogantie» van zijn bevrijders aan de kaak te stellen: «De oppositie heeft niet voor niets twintig jaar tegen Saddam gestreden. Het bestuur over Irak komt aan de bevolking toe en aan niemand anders.»

De grote vrees van de oppositie is dat de Amerikanen het op een akkoordje zullen gooien met het tweede echelon van Saddams regime. Met name het kader van de Baath, de partij waarvan Saddam zich heeft bediend om op te klimmen tot alleenheerser. Chalabi’s adviseur Kanan Makiya, hoogleraar aan de Amerikaanse Brandeis Universiteit en een autoriteit op het gebied van de moderne Iraakse geschiedenis, waarschuwt voor een nachtmerrie: «Als de corrupte machtsstructuur van de Baath overeind blijft, betekent het dat de weg naar democratie voor de naaste toekomst wordt afgesloten. Bovendien zal de Amerikaanse bezetter de autonomie van het noorden en zuiden inperken om tegemoet te komen aan de Turken en Arabische buurlanden, die doodsbenauwd zijn voor een democratisch, federaal Irak.»

The Times maakte afgelopen weekeinde bekend dat Londen en Washington de laatste hand leggen aan de plannen voor een burgerbestuur waarin de sleutelposten worden bezet door voormalige Amerikaanse generaals, diplomaten en bestuurders van hulporganisaties die rechtstreeks aan het Pentagon rapporteren. Ze zullen de leiding krijgen over alle publieke taken; van gezondheidszorg en onderwijs tot en met veiligheid en buitenlandse politiek. De Iraakse inbreng blijft beperkt tot een «adviesraad» waarvoor Khalilzad verantwoordelijk wordt. Ook dat is een weinig aanlokkelijk vooruitzicht, gezien de manier waarop deze adviseur van Amerikaanse oliemaatschappijen vorig jaar de regering-Karzai in Kaboel installeerde en ministerschappen uitdeelde aan krijgsheren en «Amerikaanse» Afghanen met een achtergrond in de olie-industrie.

De oppositie verwacht dat zelfs een kortstondig militair bewind al hevige anti-Amerikaanse gevoelens zal oproepen. Baram uit Haifa voorziet nog meer problemen: «De Amerikanen trekken te gemakkelijk de vergelijking met het naoorlogse Duitsland of Japan. Daar had je geen Koerden-probleem en, in het geval van Japan, geen buurlanden met verwante bevolkingsgroepen. In het geval van Irak heb je Turkije, Iran en 22 Arabische landen die zich ermee bemoeien. Het grootste verschil is dat de Irakezen zich niet schuldig voelen over de opkomst van Saddam, zoals de Duitsers over Hitler. Ze zullen vanaf de eerste dag hun eigen bestuur opeisen. De Amerikanen doen er goed aan meteen zoveel mogelijk onbelaste, capabele Irakezen in het bestuur op te nemen. Die zijn er in overvloed.»

Het veelgehoorde scenario dat Irak uiteen zal vallen in een Koerdisch noorden, een soennitisch centrum en een sjiïtisch zuiden wordt door weinig Irak-experts gedeeld. «Het angstverhaal van die driedeling komt uit de CIA-koker», zegt Michiel Leezenberg, Koerdistan-kenner en docent aan de Universiteit van Amsterdam. «Zijn de Iraakse sjiïeten tijdens de achtjarige oorlog tegen Iran soms niet loyaal aan Bagdad gebleven? Ook de Koerden willen best zaken doen met Bagdad. Hun ervaringen met zelfbestuur, en vooral hun onderlinge burgeroorlog van 1994 tot 1997, zijn ontnuchterend geweest. Ik ben meer bevreesd voor een wraakexplosie, waarbij mensen net als in 1991 uit hun huizen of kantoren worden gesleurd en letterlijk in stukken gescheurd. En een stabiele middenklasse bestaat na al die jaren van oorlog en sancties ook niet meer, dus ik begrijp niet waar Baram die capabele, onbelaste Iraakse bestuurders vandaan wil halen.»

Beiden zijn het er wel over eens dat de Baath Partij, ooit het trotse vehikel van het pan-Arabisch socialisme, onverwijld moet worden opgeheven. «De lagere rangen van pakweg twee miljoen mensen kun je ongemoeid laten, maar de top is door en door misdadig, corrupt en incompetent», aldus Baram. «Hun bestaan is op zichzelf een destabiliserende factor. Saddam Stad, de grote sjiïtische slum van Bagdad, ligt één kilometer verwijderd van de welvarende buurten waar de handlangers van het regime in hun gestolen welvaart baden. Heel wat arme Irakezen willen graag met hen afrekenen.»

Leezenberg denkt dat Irak door Saddams persoonlijkheidscultus is «ontideologiseerd» en dat er weinig positieve krachten zijn waarop de Amerikaanse bezetters, de onvermijdelijk toesnellende non-gouvernementele organisaties en internationale waarnemers straks kunnen bouwen als ze er een «baken van democratie» (George Bush) van willen maken. Leezenberg: «Het huidige staatsapparaat voldoet redelijk en kan voorlopig blijven functioneren als het regime spoedig valt, maar als de oorlog langer aansleept voorzie ik totale anarchie.»