Luiaards en parasolmieren

Twintig uur slapen

Een werkelijk lui dier is ten dode opgeschreven. Maar als er niet gejaagd of gepaard hoeft te worden gaan dieren ook niet moeilijk doen. Dan kunnen ze prima ontspannen.

HET MOET HEEL PRETTIG ZIJN om als leeuw door het leven te gaan. Twintig uur per dag in het gras in de Afrikaanse savanne, helemaal niks doen, beetje tevreden naar je harem kijken. Eens per dag eet je verse antilope, gazelle of wrattenzwijn. Uiteraard niet zelf gevangen, dat zou een hele inspanning vergen. Nee, dat doen je vrouwen. Die gaan op jacht, drijven de zebra op, doden hem. En dan mag jij als eerste aan tafel. De anderen krijgen de afgekloven restjes. Een heerlijk bestaan.
De leeuw lijkt het ultieme voorbeeld van een lui dier. Vergelijk dat eens met die overijverige beesten die de hele dag bezig zijn hun nestje te bouwen, altijd waaks moeten zijn uit angst opgegeten te worden of duizenden kilometers moeten afleggen om een ei te leggen. Dat is zoiets als een olieprins vergelijken met een forenzende fabrieksarbeider. Maar toch is luiheid niet het juiste woord, vindt Artis-bioloog Charlotte Vermeulen: ‘Luiheid is een waardeoordeel. Het heeft iets moralistisch. Goed, een leeuw doet het grootste gedeelte van de dag niks, maar dat heeft ook een functie.’ Kort gezegd, de leeuw spaart zijn kracht. Want af en toe moet hij wel aan de bak: om te vechten met een andere leeuw, die zijn positie bedreigt. Dat is trouwens ook de keerzijde: als hij dat gevecht verliest is hij de pineut. Weg harem, weg privileges.
Je zou kunnen zeggen dat dieren niet zozeer lui zijn – want dat impliceert dat ze wel iets moeten, maar het niet willen of doen – maar exact weten wanneer en hoe ze rust moeten houden. Een leeuw is dus niet het ultieme voorbeeld van luiheid, maar van efficiëntie. Ook heel leerzaam, want hoeveel mensen zouden niet graag efficiënter zijn om zodoende meer tijd over te houden om uit te rusten. Dieren zijn daar goed in. Zie uw poes, die twintig uur per dag in haar mand ligt. Als er niet gejaagd hoeft te worden gaat ze ook niet moeilijk doen.
Natuurlijk heeft het onderscheid tussen efficiënte en inefficiënte dieren niet veel te maken met mentaliteit of sociaal gedrag, maar alles met fysiologie, hiërarchie en klimatologie. Vermeulen: ‘Het begint eigenlijk met het verschil tussen warmbloedige en koudbloedige dieren. Warmbloedigen, zoals vogels, mensen en veel andere zoogdieren, zijn inefficiënt. Ze moeten altijd hun lichaamstemperatuur constant houden. Dat geeft vrijheid, ze kunnen in gebieden met verschillende temperaturen leven. Maar het kost ook ontzettend veel energie. Dat betekent meer eten, en dus jagen, en minder rust. Terwijl een koudbloedig dier bijna niks eet.’

WE LOPEN NAAR het reptielenverblijf in Artis. Het is er tropisch warm, aangenaam voor de koudbloedige dieren. De krokodil ligt, zoals altijd, doodstil in het water. Hij wacht simpelweg tot er een prooi dichtbij genoeg is, en dan slaat hij toe. ‘Sit and wait predators heet dat’, zegt Vermeulen. ‘Het heeft voor de krokodil geen enkele zin om in de warmte te gaan rondrennen op zoek naar eten.’ Daar komt bij dat hij lang zonder eten kan, dus van een beetje wachten wordt hij niet ongeduldig of hongerig. Op het bordje bij de krokodil staat ‘voertijd zondag 13.30’ – een keer per week krijgt de grootste vijf vissen en vijf ratten. Meer heeft de krokodil niet nodig, omdat hij nauwelijks beweegt en geen energie verspeelt.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor de slangen aan de overkant in het verblijf. De gigantische bruine tijgerpython ligt gecamoufleerd opgevouwen onder een boomstronk. In Artis worden ze gevoed, eens per twee weken een paar opgewarmde konijnen (de python reageert op warmte, een diepvriesmaaltijd zou hij niet opmerken). In het wild ligt hij te wachten tot er hagedis, of liever een flink zoogdier, voorbij komt. Dan is hij heel even actief, wurgt zijn prooi, spert zijn bek open (zijn kaken zitten niet aan elkaar vast, dus hij kan grote beesten opeten) en gaat vervolgens in retraite. Op een middelgroot beest kan de slang weken teren, er zijn gevallen bekend van een jaar vasten na een stevige maaltijd. Extreem efficiënt. Het voordeel voor de slang is dat hij bovendien weinig natuurlijke vijanden heeft. Want hoe minder bedreigingen, hoe luier een beest kan zijn.
Mensen ontspannen vaak samen: tijdens een etentje, een dagje zeilen of op de camping. Dieren doen niet aan dat soort gezelligheid. Maar het leven in groepen heeft wel een functie. Aan de buitenkant van het kleine zoogdierenhuis in Artis wonen de stokstaartjes – ijverige roofdiertjes die in een flinke groep een heel gangencomplex bouwen om samen te wonen. Iedereen heeft een baan. De jagers zorgen voor eten, omdat ze snel en fit zijn. De bewakers hebben goede ogen en slaan alarm als ze een arend zien. De babysitters zorgen voor de kleintjes. Handig, niet alleen omdat gebruik wordt gemaakt van ieder zijn kwaliteit, maar ook omdat de rolverdeling het mogelijk maakt voor anderen om te rusten en energie te sparen tot het moment dat zij ingeroosterd zijn. Samenzijn helpt om lui te zijn.

HET GAAT DIEREN om dingen die er echt toe doen: veiligheid, eten en voortplanting. Is dat geregeld, dan kunnen ze uitstekend de boel de boel laten. Voor dieren geen rat race, geen behoefte zichzelf verder te bewijzen (behalve dan om indruk te maken op het andere geslacht, maar dat valt onder voortplanting), geen ‘zelfactualisatie’ zoals beschreven in de piramide van Maslov. Wie het zich kan veroorloven uit te rusten doet dat. En dat definieert het werkelijk luie dier, in de menselijke zin van het woord: dat is ten dode opgeschreven. Want dieren die het zich niet kunnen veroorloven te rusten, maar zich dat toch permitteren, worden opgegeten, gaan dood van de honger of sterven uit omdat ze geen nageslacht produceren.
Vandaar dat veel dieren juist zo ijverig zijn. De paradijsvogel die een schitterende dans doet om indruk te maken, de vogel die weken bezig is een nestje te bouwen, de bijen die af en aan vliegen. Het is van levensbelang. ‘Maar het gebeurt meestal wel in fases’, zegt Charlotte Vermeulen. Tijdens het paren, als ijsberen continu aan de bak moeten om de cyclus van de moeder op gang te brengen, maar bijvoorbeeld ook als er eenmaal jongen zijn. Kinderen krijgen betekent tropenjaren, ook voor sommige dieren. Vermeulen: ‘Je ziet na een broedseizoen echt doodvermoeide koolmezen. En bij reigers zie je het ook: die vliegen de hele dag af en aan om hun bedelende en krijsende kinderen eten te geven. Komen ze met een worm, schrokt die baby ’m op en begint meteen weer met piepen, dus die ouders weer weg om meer te halen. Dat gaat maar door.’ Mensen houden er meestal mee op, na een paar kinderen. Lesje geleerd, voortplanting geregeld. Het is niet duidelijk of bij dieren dat besef ook leeft, dat ze dat vermoeiende paren ook kunnen staken, dat het voor henzelf niet zoveel meer oplevert.
Ook sommige dieren zijn liever lui dan moe, en parasiteren op het werk van anderen. ‘De halsbandparkiet is een kraker’, zegt Vermeulen. ‘Hij pikt het nest van een ander in. Een zwaluw in een grote kolonie is eigenlijk nog erger. Heeft een collega-zwaluw net een ingewikkeld nest van speeksel en modder gebouwd, terwijl hij heeft zitten wachten. En als het klaar is komt hij aangevlogen, verjaagt die bouwer en pikt het nest in.’ Hoe hoger in de boom, hoe luier je kunt zijn.
We vervolgen de wandeling door Artis, op weg naar het dier dat alleen al vanwege zijn naam symbool zou moeten staan voor het slome leven: de luiaard. Toevallig zijn twee luiaards in beweging. ‘Zo actief heb ik ze nog nooit gezien’, lacht Vermeulen. Maar dan nog. Tergend traag sjouwt een grote luiaard zichzelf een half metertje voorwaarts. Een kleintje gaat slapen in de voederbak. Alles aan het beest is langzaam: niet alleen zijn tempo in de boom, ook zijn snelheid op de grond (maximaal 150 meter per uur) en vooral zijn metabolisme. De luiaard eet lastig verteerbare bladeren, bewaart die in een grote maag met verschillende compartimenten en neemt slechts één keer per week de enorme moeite om helemaal uit de boom te klimmen om op de grond te poepen. In een speciaal gegraven gat, dat hij dan weer toedicht.
Het tegenovergestelde van de luiaard is de mier. Altijd ijverig, altijd bezig in het belang van de kolonie, werken mieren zichzelf bijna letterlijk dood. Net als bij de stokstaartjes hebben de parasolmieren de rollen verdeeld: er zijn gravers, verkenners, larvenverzorgers en nestonderhouders. Ze lopen driftig heen en weer in plastic buizen in Artis, dragen stukken blad op hun rug (met de hele kolonie samen kunnen ze in een dag een hele boom kaalvreten) die ze naar speciale delen van de mierenhoop brengen om schimmels te kweken. Maar toch kan schijn bedriegen. Uit onderzoek blijkt dat er onder de nijvere mieren ook klaplopers zijn. Die lopen wel heen en weer, maar doen niks. Pretenderen dat ze op de uitkijk staan, doen alsof ze het nest onderhouden. En ondertussen wel schimmels eten. Luie uitvreters heb je overal. Zelfs onder mieren.