Ring Lardner, Knippen

Typische hebbelijkheden

Onlangs verschenen de beste verhalen van Ring Lardner voor het eerst in het Nederlands. Deze Amerikaan schreef in de jaren twintig van de vorige eeuw vooral humoristische verhalen, vol overdrijving van ergerlijkheden.

Omstreeks 1923 staan, voor het landhuis van een uitgever op het mondaine Long Island, twee schrijvers. Beneveld van de whisky en verkleed als matroos dansen ze samen. In het landhuis moet op dat moment de grote romancier Joseph Conrad verblijven, en het plan — overigens tevergeefs — is om zo zijn aandacht te trekken.

De schrijvers zijn vrienden en buren, en beiden zijn op de toppen van hun kunnen. De een, F. Scott Fitzgerald, zal kort daarop zelf een geniale roman voltooien, die wordt bevolkt door types van Long Island: The Great Gatsby.

De ander, Ring Lardner, schrijft die roman nooit, tot verdriet van de pers en zijn uitgever. Maar voor zijn verhalen wordt hij beter betaald dan Fitzgerald; beter dan welke schrijver ook.

Ring Lardner was in de Jazz Age van de jaren twintig beroemd in heel Amerika. Allereerst om zijn werk als sportverslaggever en columnist. Zijn razend populaire Weekly Letter werd door honderdvijftig kranten gekocht en bereikte een publiek van acht miljoen lezers.

Maar ook in hogere kringen werden zijn literaire merites opgemerkt. Hemingway, H.L. Mencken, Scott Fitzgerald en O’Hara lazen zijn verhalen gretig. En de beroemde dichteres en critica Dorothy Parker zou over een van zijn bundels, Round Up, schrijven: «Het is moeilijk om deze sobere en prachtige verhalen te bespreken; ’t zou ook moeilijk zijn om de Gettysburg Address te bespreken.» Uit dit Round Up (1929) verschijnen nu voor het eerst enkele verhalen in een Nederlandse vertaling — met daaronder zijn beste.

Lardners literaire debuut, een fictieve brievenreeks uit 1914, bekend onder de titel You Know Me Al, slaat in als een bom. Hij is dan 29 jaar, en acht jaar sportjournalist. Als baseballcorrespondent is hij verscheidene keren meegereisd met de Cubs en de White Sox uit Chicago, allebei clubs die uitkomen in de hoogste Amerikaanse profdivisie, de Major League. En het zijn precies het slang en de mores uit deze baseball-scene die Lardner vastlegt in You Know Me Al: brieven van een baseballspeler met een eigendunk zo groot als het aantal verhaspelde uitdrukkingen en spelfouten, zoals «the World Serious» in plaats van «World Series» (wedstrijden om de belangrijkste titel in het Amerikaanse honkbal — red), en woord spelingen (but as they say beauty isn’t only so deep) dat Lardner hem laat neerschrijven.

Lardner is dan beroemd als schrijver van komische verhalen. Hij schrijft er een handvol per jaar, voor uiteenlopende tijdschriften. Wat er verder van die verhalen moet worden en wat er van zijn schrijverschap moet worden in het licht van de eeuwigheid — het lijken vragen waar hij zich volstrekt niet om bekommert. Lardners pose is die van de broodschrijver, en die zal hij heel zijn carrière bewaren. Wel schrijft hij veel over dat schrijverschap, maar het is allemaal hilarische nonsens. How to Write Short Stories — With Samples. Gevraagd door zijn uitgever om een kopie van zijn verhalen blijkt hij zelf geen exemplaar te bezitten. En het blijft onduidelijk wat hij nu zelf vond van de aanhoudende vraag naar een roman.

In delen van zijn werk ligt de kracht van zijn humor in het beschrijven van vervelende hebbelijkheden en alledaagse ergernissen. In een autobiografisch stuk beschrijft hij zijn baantje als meteropnemer. Meters, zegt Lardner, zitten meestal in kelders, en ratten ook. «Whenever I saw a rat reading the meter ahead of me, I accepted his reading and went on to the next house.» Later, over zijn ervaring met musicalproducers: «You give them your script and they throw it in the ash barrel after copying the names of the characters so they can change them.»

Dit zijn zinnen die zich in je geheugen griffen. Overdrijving van ergerlijkheden, maar met zo’n ongerijmde draai dat, mocht je werkelijk verontwaardigd zijn, de ergernis verdwijnt als sneeuw voor de zon.

Dit soort grappen lijkt Lardner te reserveren voor zijn verhalen op persoonlijke titel. Maar hij laat één personage uit zijn verhalen de meester naar de kroon steken: de verteller uit Gullible’s Travels (1917) en The Big Town (1921), Lardners succesnummers na You Know Me Al.

Aan het woord in deze verhalen is de eigenwijze echtgenoot, die aanziet hoe zijn vrouw, kortweg «the Mrs», alles in het werk stelt om haar zusje aan de man te brengen. Het commentaar van de man levert juweeltjes op. Eén van zijn schoonzusters beaux heeft zojuist een suikerzoet compliment gemaakt. Suikerzoet? Lardner: «And he give her a face that you could pour on a waffle.» Een andere maakt zijn opwachting, en hij is, om het met een versleten litotes te zeggen, niet bepaald een schoonheid. Bij Lardner echter geen clichés: «He wasn’t what you could call ugly lookin’, but if you’d come out in print and say he was handsome, a good lawyer’d have you at his mercy.»

Hoe sterk deze verhalen ook zijn, de beste stammen uit zijn laatste periode. Dit zijn dan vooral díe verhalen die door een type worden verteld. Een kapper, de chauffeur van een miljonair, een bejaarde die zijn gouden bruiloft viert. Dat werkt steevast ongeveer zo: het type vertelt z’n verhaal, maar hij beoordeelt de gebeurtenissen in zijn verhaal voortdurend anders dan de lezer. Zijn inzicht wordt nu eenmaal beperkt door zijn typische hebbelijkheden. En dan ontvouwt zich naast het verhaal dat je leest een ander verhaal: de ware toedracht. De bejaarde echtgenoot vertelt vol smaak over een avontuurlijke reis die niet anders dan zeer burgerlijk kan zijn geweest, en de kapper over de geintjes van een klant, die in werkelijkheid schoftenstreken zijn.

Maar Lardner laat het niet bij dit effect. Met zeer grote zorgvuldigheid heeft hij geprobeerd om zijn types tot leven te brengen door een zelf gemunte literaire spreektaal. Céline, grootmeester op dit gebied, schreef ooit dat het met gesproken taal op papier net zo is als met een stok in het water: om hem recht te doen lijken moet je hem een beetje buigen — nét genoeg. Lardner wist deze stok van Céline feilloos te hanteren.

Hij leent Tante Betjes («dus ik zeg, zeg ik») en uitroepen van de spreektaal, en alle denkbare fouten van de schrijftaal — ook als het verhaal wordt verteld. En dat levert dan onnavolgbare zinnen als deze: «When he was alive, him and Hod Meyers used to keep this town in an uproar. I bet they was more laughin’ done here than any town its size in America.»

Al bij Lardners leven werden verschillende pogingen gedaan om de bedoeling van zijn verhalen te duiden. De aristocratische Mencken sprak van een genadeloos portret van de democratische mens, Clifton Fadiman noemde de Gouden Huwelijksreis een van de meest verpletterende aanklachten tegen het zogenaamd gelukkig huwelijk. Maar zou Lardner überhaupt zulke bedoelingen met zijn schrijven hebben gehad, dan is zijn opzet mislukt. Die verhalen waarin een toon van morele verontwaardiging valt te bespeuren, zijn tegelijk ook veel te melodramatisch om werkelijke verontwaardiging op te roepen. Lees De Minstreel van Maysville en Kerstfeest van de ouwelui uit de pas verschenen bundel.

Lardner moet iets anders voor ogen hebben gehad. Zijn types waren immers ook in de jaren twintig allang clichés. De kiss-and-tell-tiener met haar vele relaties uit Ik ga dood stond al enkele jaren in elk glossy tijdschrift als flapper bekend. En waarom zou Lardner pijlen van satire richten op zo’n gemakkelijk slachtoffer als een kapper?

Lardner vormt deze types dan ook niet, maar roept ze op, met zijn weergaloze stijl. Iedereen die ooit grinnikend om zo’n kenmerkende uitspraak van z’n tienerdochter, of een voetbaltrainer, of de kapper over straat liep, maar op z’n werk alweer was vergeten hoe die ook weer precies ging, krijgt van Lardner de kapper met al z’n uitspraken levend terug op papier. Men zou haast zeggen, de Kapper. En het plezier voor de lezer is hem te aanschouwen.

Ring Lardner

Knippen

Vertaald door Hans Heesen en Auke Leistra

Uitg. Contact, 192 blz., € 16,90