Martin Luther King jr – de Hele & Onbekende

‘U bent allen één in Christus Jezus’

Vijftig jaar geleden werd Martin Luther King vermoord. Zijn geloof in verzoening tussen wit en zwart was geworteld in een diep christelijke overtuiging. De racistische omstandigheden smeekten om een verdeling in bokken en schapen, maar King liet zich niet verleiden tot de zwart-wit-dichotomie.

Large crophh 57645812
Alabama, 1965. Martin Luther King leidt de Great Freedom March van Selma naar Montgomery in de strijd voor zwart stemrecht © Bruce Davidson / Magnum Photos / HH

De balans is opgemaakt, het beeld afgerond. Martin Luther King geldt als een van de morele grootheden van de twintigste eeuw, een voorbeeldig man, die niet alleen het aangezicht van de Verenigde Staten heeft veranderd, maar dat van de hele wereld. Een halve, misschien wel een hele heilige. Sacrosanct, ook in de betekenis van ‘onaantastbaar’: wij, met onze alledaagse tengels, kunnen deze held nauwelijks nog aanraken.

Maar hoe kan een beeld afgerond zijn wanneer we weten dat Martin Luther King is doodgeschoten, op 4 april 1968, op het balkon van het Lorraine Motel in Memphis, Tennessee, nu vijftig jaar geleden. Hij was toen 39, niet echt de leeftijd waarop je van een ‘afgerond beeld’ kunt spreken. En dat lukt al helemaal niet omdat King jr. vanaf de eerste schreden op zijn activistische pad, van de busboycot van 1955 in Montgomery, Alabama, tot aan zijn laatste levensjaar, waarin hij zich steeds meer liet gelden als een politieke radicaal, nog lang niet uitgebot leek.

Inmiddels is Martin Luther King de naam geworden van een officiële, Amerikaanse ‘Federal Holiday’, de Martin Luther King Day, die telkens op de derde maandag van januari valt. Weet u het nog, Stevie Wonder en zijn hit uit 1980 Happy Birthday? Dat nummer was bedoeld als ondersteuning van een brede campagne om heel Amerika te laten stilstaan bij die grote zwarte man uit Atlanta, Georgia. In 1983 tekende president Ronald Reagan de federale wet, en sinds 2000 wordt de King Day in alle vijftig Amerikaanse staten gevierd. Door dit eerbetoon, door al die straten en pleinen en scholen en instituties die naar King zijn vernoemd, ook in Europa, wordt de nagedachtenis aan hem in leven gehouden, maar is de man zelf ook definitief begraven. Hij rust veilig in de geschiedenis, een naam die (bijna) niemand wil onteren, en velen zich willen toe-eigenen.

Het is verleidelijk het beeld hier te bevriezen: op 28 augustus 1963, op het hoogtepunt van ‘the March on Washington, for jobs and freedom’, zoals de doelstelling voluit luidde, waarmee ook wordt verklaard waarom King een man van de civil rights movement was, van de burgerrechtenbeweging, die niet alleen raciale ongelijkheid aankaartte, maar even goed armoede, van zwarte en witte Amerikanen. Daar dan die overdonderende ‘I have a Dream’-speech: King is op dat moment 34 jaar, de man met de stem met het donkere vibrato, dat kan dwingen en dansen, huilen en juichen: ‘I have a dream that one day on the red hills of Georgia the sons of former slaves and the sons of former slave owners will be able to sit down together at a table of brotherhood. (…) I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin but by the content of their character. I have a dream today.’

Deze woorden zijn inmiddels zoveel als een seculier gebed geworden, ze worden te pas en te onpas gebruikt – en met ‘te onpas’ bedoel ik door al die mensen die doen alsof King hier een droom beschrijft die metterdaad gerealiseerd werd op het moment dat hij zijn toespraak hield voor het Lincoln Memorial, het heilige der heiligen van de Amerikaanse constitutie. De mensen die het beeld van de Dream King gebruiken als ondersteuning van het idee van ‘the Won Cause’: de strijd is gevoerd, het doel bereikt; King zegt het, benoemt het, deze zwarte Amerikaanse man staande in het hart van de Amerikaanse hoofdstad; daarmee wordt de historische ongerechtigheid die ingebakken zat in de Amerikaanse samenleving overstegen en voorbijgestreefd. Klaar, af. Het is de dodelijke verwarring dat het visioen of de bede, eenmaal verwoord, ook meteen verhoord is en werkelijkheid wordt. Dat is duidelijk niet het geval, en King zou nog vijf jaar leven om te bewijzen dat zijn beroemdste rede geen einde maakte aan de problemen van Amerika, maar hoogstens een begin vormde om die te adresseren.

Het is nodig om het luie, zelfgenoegzame beeld van de zegevierende King geweld aan te doen, omdat het zoetelijke en verzoenende poëzieplaatje dat van hem is gemaakt geen recht doet aan zijn leven en zijn strijd. Precies een jaar voor zijn gewelddadige dood is Martin Luther King een geplaagd man, en allerminst de algemeen gerespecteerde held van de natie. Op 4 april 1967 houdt King een preek in de Riverside Church in New York, die bekend komt te staan onder de naam ‘Beyond Vietnam’. Tot dan toe heeft King zich publiekelijk nauwelijks uitgesproken over die Amerikaanse, buitenlandse oorlog, omdat hij bang is zijn hand te overspelen en ook zijn brede achterban kwijt te raken, waaronder ‘white liberals’ die hem en zijn beweging moreel en financieel ondersteunen. Bovendien is er de band, hoe ambivalent ook, met de president van dat moment, Lyndon B. Johnson, de man die ook uit het Zuiden komt en onder wiens leiding zowel de Civil Rights Act (’64) als de Voting Rights Bill (’65) passeerde. Er zijn mensen, zoals de Afro-Amerikaanse socioloog en schrijver Michael Eric Dyson, die niet geheel ten onrechte beweren dat Johnson, na Lincoln, het meest voor zwart Amerika heeft gedaan.

In 1964 was Johnson begonnen met zijn ‘war on poverty’-campagne, en deze zuidelijke politicus, die per moord John F. Kennedy was opgevolgd, wist de zuidelijke senatoren en gouverneurs zodanig te bewerken en tegen elkaar uit te spelen dat ze de beide Acts niet konden voorkomen.

Johnson was de presidentiële bondgenoot op de achtergrond die King nodig had om zijn nationale prestige te behouden. Maar Johnson was ook de man die de (geërfde) Vietnamoorlog niet tot een einde bracht, integendeel. Onder zijn presidentschap ontspoorde de oorlog steeds verder. En terwijl het protest daartegen aanzwol, en tal van andere zwarte woordvoerders als Malcolm X en Stokeley Carmichael zich in felle bewoordingen tegen de oorlog hadden gekeerd, hield King zich gedeisd.

Hij schaamde zich daarvoor, zou hij later verklaren. ‘Ik was niet moedig genoeg.’ Juist King, die vaak een beroep deed op ‘het ware Amerikaanse patriottisme’, om zijn land te houden aan de gelijkheidsbeloftes die de ‘founding fathers’ in ieder geval in de geest van de wet hadden gegarandeerd, was bang zich publiekelijk te branden aan de Vietnam-kwestie. Hij werd al verdacht van ‘communistische sympathieën’. Hij werd door rechts voorgesteld als een ‘on-patriottisch element’ dat de natie te schande maakte. Twee maanden voor zijn ‘Riverside-preek’ had King ook deelgenomen aan een symposium tegen de oorlog. Maar op 4 april 1967 verbond hij zich ondubbelzinnig met de ‘war protesters’. In felle bewoordingen hekelde hij de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam; de Amerikanen waren daar ‘om er een Amerikaanse kolonie van te maken’, zoals Europeanen zich eerder hadden vergrepen aan de wereld. In de kerk volgde applaus, maar landelijk maakten Kings uitspraken hem vooral verdacht.

Volgens sommigen heeft president Johnson het meest voor zwart Amerika gedaan

De invloedrijke zwarte krant The Pittsburgh Courier schreef meteen dat King ‘op een tragische manier zwarte Amerikanen misleidt’ en dat de Vietnam-kwestie ‘te complex was voor simpele anti-slogans’. De zwarte columnist Carl Rowan oordeelde (geruggesteund door het Witte Huis) dat ‘de politiek sensitieve leider van de busboycots was heengegaan’ en dat daarvoor in de plaats iemand stond ‘die weinig verstand heeft van public relations, en het ontbreekt aan ieder tactisch inzicht’. President Johnson was er nu van overtuigd dat King het op een akkoordje had gegooid met de ‘commies’. J. Edgar Hoover, de directeur van de fbi, had hem daar al lang voor gewaarschuwd. Na Riverside schreef Hoover een memo waarin te lezen viel dat King ‘een instrument was geworden in de handen van subversieve krachten, die erop uit waren de natie te ondermijnen’.

Dit is King, een jaar voor zijn gewelddadige dood, de man die in 1964 nog de Nobelprijs voor de vrede had ontvangen: een gevallen engel, die aan alle kanten voorbij werd gestreefd. Door radicale, zwarte organisaties, van ‘Black Muslims’ tot aan ‘Black Nationalists’ en de Black Panther Party for Self Defense (opgericht in 1966) die King afdeden als ‘soft’: iemand die het zwarte belang verkocht aan de White Man: een Uncle Tom, een sell-out. Meer gematigde liberals en Democraten, wit en zwart, zagen met lede ogen aan hoe King radicaliseerde, en zich niet langer beperkte tot het thema van de raciale gelijkheid, maar systeemkritiek leverde, waarin hij in toenemende mate de kapitalistische Amerikaanse samenleving als geheel als probleem benoemde. Om het in Nederlandse politieke termen van toen uit te drukken: de jonge King was een keurige, bewogen sociaal-democraat, en de latere King werd een volhardende psp’er, van het christen-socialistische soort.

De laatste sympathiserende Republikeinen hadden al lang hun handen van hem af getrokken. In 1967 was Martin Luther King, het nationale Amerikaanse symbool, hard op weg een ‘lone wolf’ te worden in het politieke landschap; nog steeds ‘non violent’, tegen het gebruik van geweld, maar wel iemand die huilt tegen de maan terwijl steeds minder mensen er acht op slaan.

Kings machtsbasis, zoals ook beschreven door zijn biograaf Peter J. Ling, lag in de zuidelijke staten, en meer bepaald: in de zwarte zuidelijke kerken. In 1957 werd ‘the Southern Christian Leadership Conference’ opgericht (sclc), waarvan King de president werd. Al de beroemde grote acties, zoals die werden ondernomen in Montgomery, en later in Selma en Birmingham, in de jaren vijftig en zestig steunden op dit kerkelijke netwerk. De zwarte (protestantse) kerk, en dan vooral de denominatie van de baptisten waartoe King en ook zijn vader Reverend Martin Luther King sr. behoorden, was het grootste protestantse kerkgenootschap in Amerika. Binnen de beschutting van het religieuze waren zwarte Amerikanen er juist in het Zuiden, met zijn talrijke nazaten van zwarte slaven, in geslaagd een machtsbolwerk op te bouwen.

De segregatie die in staten als Alabama, Mississippi en Georgia zo alles doordringend was, had er ironisch genoeg voor gezorgd dat de zwarte kerken bloeiden, en over een fenomenale achterban beschikten. De zwarte kerk was invloedrijk, bereikte de armste tot de meer bemiddelde Afro-Amerikanen. Om het polemisch te stellen: de latere roep om ‘Black Power’ was in het Zuiden voor een deel al gerealiseerd, niet via het communisme of een andere revolutionaire ideologie, maar via het christendom – in de volwassen ogen van King jr. zeker ook een revolutionaire leer. Dezelfde bijbel, die door de supremacisten van de White Anglo Saxon Protestants (wasps) werd gebruikt om zwarte Amerikanen te onderdrukken, werd in de zwarte kerken omgebouwd tot een bevrijdingsinstrument.

Na het succes van de Voting Rights Bill (1965) besloten King en zijn medewerkers ook in het Noorden actief te worden. Daar smeulden in de getto’s het geweld en de onrust; daar woonden inmiddels zoveel Afro-Amerikanen, die uit het Zuiden waren weggetrokken, dat The Daily Chicago News het stedelijke getto de West Side kon omschrijven als ‘the part of Mississippi that got away’. In de jaren zestig was het merendeel van de zwarte Amerikanen noordelijke stadsbewoners geworden, ‘non-Southern urbanites’.

En in zijn ambities om ook het Amerikaanse Noorden te veroveren, te beginnen in Chicago, werd King geconfronteerd met het dilemma dat ook nu – zeker met Trump als president – voor zoveel verwarring zorgt. We spreken inmiddels van ‘identiteitspolitiek’ wanneer politici en activisten zich uitdrukkelijk sterk maken voor een bepaalde groep: voor Afro-Amerikanen of Afro-Europeanen, voor migranten en hun achterban, voor latino’s of homo’s en queers. Volgens de politieke wetenschapper Mark Lilla bijvoorbeeld heeft Trump zijn overwinning vooral te danken aan ‘identiteitspolitiek’ die de Democraten omarmd zouden hebben, met al hun specifieke aandacht voor minderheidsgroeperingen, waarna ‘the bigger picture’ verbrijzelde, en het grootste brokstuk overbleef voor de Republikeinen.

King is zijn leven lang voorbeeldig ‘inclusief’ geweest, om die modieuze term te gebruiken: hij sprak over burgerrechten en nooit over zwarte rechten; hij hekelde het racisme als een nationaal Amerikaans probleem, nooit enkel als een uitwas van ‘white America’. Maar in Chicago botsten King en zijn team hardhandig op ‘de identiteitskwestie’.

Medium crophh 76571395
Baltimore, Maryland, 1964. Martin Luther King nadat hij de Nobelprijs voor de vrede ontving © Leonard Freed / Magnum Photos / HH
King was ‘inclusief’, hij sprak over burgerrechten en nooit over zwarte rechten

In New York had King in 1965 een postscriptum voorgedragen van zijn ‘I Have a Dream’-rede. ‘I still have a dream’, verklaarde hij, ‘dat op een dag alle kinderen van God genoeg te eten zullen hebben en voldoende kleding, en zullen leven in materiële omstandigheden waarin hun lichamen, hun cultuur en hun hang naar geestelijke verrijking tot bloei kunnen komen, en hun vrijheidsgeest niet beknot zal worden.’ Want, verklaarde King later iets prozaïscher tegen een van zijn medewerkers: ‘Ik heb ervoor gewerkt om deze mensen het recht te bezorgen om een hamburger te eten, en nu moet ik iets doen om ervoor te zorgen dat ze ook het geld voor die hamburger hebben.’

Dat was de brede, geradicaliseerde boodschap waarmee King naar Chicago trok, waar de huisvesting nog goeddeels gesegregeerd was, en waar de armste inwoners in een zwart getto woonden. Maar hoe all–inclusive Kings woorden ook waren, vooral blanke ‘blue collar workers’ voelden zich bedreigd, en vreesden dat hun buurten, hun werk en hun scholen werden overgenomen door Afro-Amerikanen uit het Zuiden.

Daley, de machtige en legendarische burgemeester van Chicago – even beroemd als berucht – speelde hier een dubieuze rol. Eerder had hij de lof over het werk van King gezongen, toen diens activiteiten zich nog veilig tot het Zuiden beperkten, maar nu zag de burgemeester zich gedwongen ‘zijn blanke kiezers’ te beschermen, en waren het ook de gematigde zwarte lokale bestuurders die King in de steek lieten. En anders dan in het Zuiden waren de inwoners van de noordelijke getto’s niet zo loyaal aan hun kerken – zo ze al kerkgangers waren.

De tegenstelling binnen de zwarte gemeenschap liep in die dagen langs lijnen van separatie – gedwongen apartheid – en die van segregatie: gewilde apartheid, alleen eigen mensen onder elkaar, zoals de zwarte nationalisten die voorstonden. De universele boodschap van King liep stuk op al die belangen en deelbelangen. Zijn Chicago-campagne kwam te boek te staan als een mislukking. Kings christelijke ‘verzoeningsleer’ werd tot het uiterste op de proef gesteld.

Een uiterst merkwaardig fenomeen: ondanks de boekenstapels die er over King zijn geschreven is er relatief weinig aandacht voor de diep christelijke overtuiging die de zwarte voorman dreef. Alsof zijn theologiestudie en zijn domineesachtergrond bijkomstigheden waren, waar zijn wereldwijde aanhang nog steeds een beetje verlegen mee is.

King, geboren als Michael King in Atlanta (1929), was de zoon van dominee Michael King sr. – beiden zouden hun namen later veranderen in Martin Luther King. Vader King was de voorganger in de Ebenezer Baptist Church, een van de oudste zwarte kerken in het land. Daarnaast verleende hij zijn diensten aan andere kerken, wat hem maakte tot de ‘best paid Negro minister in the city’. De Kings vormden een welvarend zwart gezin: zeer christelijk en streng, maar ook gezaghebbend in de buitenwereld. Vader King was in de jaren dertig hoofd van de plaatselijke afdeling van de naacp, de National Association for the Advancement of Colored People, al opgericht in 1901, en daarmee de oudste burgerrechtenbeweging van het land.

Als puber was de jonge King ‘opstandig’, zoals dat heet: zo weigerde hij op zondagsschool te geloven in de lichamelijke verrijzenis van Jezus Christus – een halszaak in die kringen. En juist door het comfortabele (upper) middle class-leven dat de Kings konden leiden, waarin theater- en restaurantbezoek niet ongewoon waren, werden ze des te nadrukkelijker geconfronteerd met de wetten van de segregatie.

King jr. zat naast zijn vader in de auto toen de bekende dominee door een blanke agent tot de orde werd geroepen: ‘Boy, show me your license.’ De vader antwoordde waardig: ‘Ziet u het kind hier naast me? Dat is een jongen. I am a man. I’m Reverend King.’ Kings beste vriendje was blank, maar hij mocht niet in de buurt komen van het schoolplein van de all white school. King jr. bleek bevattelijk voor depressies, op jonge leeftijd deed hij een halfhartige zelfmoordpoging: hijzelf schreef zijn ‘donkere dagen’ toe aan ‘de raciale vernederingen’ die hij had ondergaan.

Wel waren er voldoende financiële middelen om te studeren, en King jr. bleek een briljante scholier – hij sloeg twee klassen over – en student. Zijn christelijke overtuiging had zich verdiept, en hij geloofde nu dat een kerkelijke carrière het beste was voor ‘an inner urge to serve humanity’. Tegelijkertijd liet King zich kennen als een relatief liberale theoloog: ‘De zoektocht naar God is een proces en geen prestatie.’

King werd naar eigen zeggen toch vooral geholpen door ‘inspiratie van boven’

Uiteindelijk zou King verder studeren en promoveren aan Boston University: voor die gelegenheid kreeg hij van zijn vader een gloednieuwe Chevrolet. Later, in 1955, de jaren van de busboycot in Montgomery, Alabama, zullen sommigen klagen dat dominee King nog nooit een bus van binnen heeft gezien. Tegelijkertijd is het goed te bedenken dat het huis van King, van zijn vrouw en hun net geboren zoon in die periode het doelwit was van een bomaanval, uitgevoerd door white supremacists. Het huis was geruïneerd, maar King niet: hij volhardde in zijn protest. Ik wil maar zeggen: ook King-de-Chevrolet-bestuurder kun je niet een ontiegelijke dapperheid ontzeggen.

De jonge doctor in de systematische theologie liet zich vooral inspireren door de Amerikaanse theoloog en ethicus Reinhold Niebuhr (1892-1971) die gesteld had dat ‘de mens een wezen is dat zichzelf kan overstijgen, ten goede en ten kwade’. Van Niebuhr nam King diens geloof over ‘in de mogelijkheden van de mens om de wereld – Gods geschenk aan de mens – te verbeteren’. Anderzijds benadrukte Niebuhr ‘de grenzen en beperkingen’ waarop de mens daarbij stuit. Filosoof en religiewetenschapper Laurens ten Kate vat Niebuhrs theologie samen als ‘een theologie van volmaaktheid en zonde’.

Beide kanten zal Martin Luther King belichamen. Zo is de hardnekkigheid waarmee King zijn leven lang zal vasthouden aan de overtuiging dat verzoening mogelijk is voor ‘all God’s children’, zonder wit en zwart van elkaar te scheiden, moeilijk te verklaren zonder zijn christelijke overtuiging, zeker gezien de racistische omstandigheden, die smeekten om een verdeling in bokken en schapen, daders en slachtoffers. Niemand heeft King publiekelijk ooit horen spreken over ‘white devils’ zoals Malcolm X. King heeft zich nooit laten verleiden tot de zwart-wit-dichotomie. Hier horen we de echo van de apostel Paulus (Galaten 3:27-28): ‘Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: U bent allen één in Christus Jezus.’ Dit is de kortst mogelijke spreuk, die het identitaire debat overstijgt. Ook Kings nadruk op geweldloosheid, als ‘the weapon of the weak’, kan voor een deel verklaard worden door het grote voorbeeld van Gandhi en diens ‘Satyagraha’, maar is even zo goed een christelijke erfenis. ‘Loving your enemies’: het blijft een van de moeilijkst op te volgen christelijke geboden. Kings boodschap van liefde is nooit tandeloos geweest, maar was hevig en strijdbaar. Ontelbare keren werd King gevangen gezet. Dat was niet omdat hij een kwezel was, maar een opstandeling, die het onrecht aanklaagde.

En dan is er nog de King van de ‘Weibergeschichte’, zoals de Duitsers het genadiglijk noemen: de vele affaires die hij tijdens en naast zijn huwelijk met zijn vrouw Coretta Scott King onderhield, zijn bijna manische behoefte aan one night stands. (Ik vraag me wel eens af of King #MeToo overleefd zou hebben.) Het was een publiek geheim, de fbi chanteerde hem ermee, en King heeft tegen vrienden wel gepraat over de schuld en de ‘zondigheid’ die hij erover voelde. Biograaf Ling zegt er dit over: ‘Kings seksuele honger, die je in zijn vroege carrière nog kunt zien als een teken van de overwinning van seksueel verlangen op de ethiek, werd later in zijn leven tot de troost die de publieke persona King nodig had om zich privé en geborgen te kunnen wanen.’ Vanaf de eerste geruchten zou president Johnson King daarna steevast aanduiden als ‘the hypocritical preacher’. Het bleef tot aan zijn laatste dag zijn zwakke stee: een van Kings medewerkers hoorde ’s ochtends rumoer komen vanuit Kings motelkamer, ruzieachtige geluiden; even later zag hij hoe een vrouw de deur uit glipte. En nog weer een uur later werd King doodgeschoten op het balkon van zijn motel. Publieke volmaaktheid en het persoonlijke tekort raken elkaar hier.

De moed van King was bovenmenselijk: we moeten dit zo letterlijk mogelijk nemen, en spreken van een ‘transcendente moed’. King zelf was ervan overtuigd dat die hem door het geloof werd aangereikt. Natuurlijk: er was de steun van al die zwarte en blanke Amerikanen – de horizontale verbinding – maar King werd naar eigen zeggen toch vooral geholpen door ‘inspiratie van boven’, de verticale verbinding. God als ‘derde term’, als satelliet, die boven het menselijke uitstijgt, en daarom verschillende groepen kan samenbrengen.

Dankzij dit religieuze repertoire was King in staat om grote woorden als ‘zonde’ en ‘schuld’ te gebruiken: voor hem was niemand daarvan uitgezonderd, wit noch zwart Amerika, en hijzelf al helemaal niet. Die algemene schuld is terug te voeren op de idee van de erfzonde, en daarmee is in het christendom direct verbonden: de verzoeningsleer. Juist omdat we allen zondaars zijn is ‘redemption’ mogelijk, verlossing voor ‘all God’s children’.

Al die beladen woorden als ‘zonde’, ‘schuld’ en ‘onschuld’ kun je niet zomaar losscheuren uit hun christelijke samenhang, zonder de begrippen te inflateren. Het inmiddels bekende boek van Gloria Wekker, emeritus hoogleraar sociale en culturele antropologie, draagt de titel Witte onschuld. Het is niet goed denkbaar dat King het woord ‘onschuld’ in de mond zou nemen, en maar één bepaalde bevolkingsgroep zou aanwijzen. Hij geloofde letterlijk in de ‘vermoorde onschuld’ – in Christus – en die oversteeg wat hem betrof het menselijke, en zeker de menselijke huidskleur.

Over ‘white privilege’ had je King eventueel wel kunnen horen: dat is een politiek-sociologische term, waarover valt te debatteren. Maar ‘witte onschuld’ is een ontologische aantijging, waartegen geen verweer mogelijk is. Bovendien ontbreekt het de ‘witte onschuld’, eenmaal vacuüm verpakt, aan de verzoeningsbelofte die de essentie uitmaakt van het evangelie. De woorden zouden voor King onuitsprekelijk zijn geweest.

Zoals je niet zomaar het jou welgevallige stukje kunt wegnemen uit het complexe, liberaal-democratische systeem, zo kun je King niet lossnijden uit zijn christelijke overtuiging of zijn zwarte kerkachtergrond. King behoort, ik zeg het de eerder geciteerde Michael Eric Dyson na, tot ‘the Great American Radicals’. En zijn radicaliteit werd niet getemperd, maar juist gevoed door zijn geloof.


In het kader van het filmfestival 1968: You Say You Want a Revolution is er op Dodenherdenking speciale aandacht voor de twee grote politieke moorden in de VS in 1968: Robert Kennedy en Martin Luther King. Schrijver Stephan Sanders vertelt er over Martin Luther King waarna er onder fragmenten worden vertoont uit de documentaire Peace Pickets Arested for Disturbing the Peace van antropoloog Leonard Henry. Meer informatie.