‘u vraagt nieuwe dingen’

Barber van de Pol, Alles in de wind: Essays en verhalen. Uitgeverij Querido, 231 blz., 339,90
Van eenvoudige komaf, dochter van een schipperskind en een boerenzoon. Ongelovige ouders die haar echter niet verbieden naar de zondagsschool te gaan. Niettemin ook ouders die haar met de nodige argwaan volgen wanneer ze besluit de universitaire wereld binnen te stappen. Zo portretteert Barber van de Pol zichzelf in Alles in de wind, een verzamelbundel essays en verhalen over haarzelf, haar vertaalactiviteiten en ontmoetingen met auteurs als Julio Cortázar en Jorge Borges.

In haar jeugd begon ze zich al los te maken uit het eigen milieu. Ze las alles, wilde alles weten om het ‘verstandsmens’ in haarzelf te voeden. Toch loopt er tussen de regels heel wat emotie mee, vooral bij zaken die haar weerstand oproepen. In 'Wishful’ bijvoorbeeld wijst ze collegavertaler Robert Lemm terecht omdat hij Borges wegzet als filosoof; ze verwijt hem 'moralisme en blinde gedrevenheid’. En John Bergers trilogie De vrucht van hun arbeid serveert ze af als 'boerisme’, en 'propagandakunst’.
In haar jeugd las ze 'bewerkingen van avonturenromans die later klassiek zouden blijken te zijn: Alleen op de wereld, Don Quichot en, het mooist, Tom Sawyer. De 'Quichot’ heeft van de Pol nooit meer losgelaten, getuige haar schitterende vertaling die dit voorjaar uitkwam. Natuurlijk nam ze het besluit daartoe pas jaren later, na een allerminst gedecideerde keuze voor een studie Spaans, na de ontdekking dat het land van die taal haar in gelijke mate boeide als afstootte. Alleen wanneer ze werkelijk is gegrepen of geraakt, kan ze zich eraan overgeven. Als een soort revérence voor het land dat haar tenslotte in zijn greep kreeg, vertaalde ze Cervantes’ 'schitterroman in eeuwige wording’, die in het essay 'De kracht van het zich vormende’ uitstekend en overzichtelijk wordt geanalyseerd. Het is haar laatste vertaalproject, suggereert ze ergens, wat jammer zou zijn zolang de grote barokschrijver Lezama Lima nog op een Nederlandse uitgave wacht.
Vrienden zijn er in grote getalen maar lezen lijkt de belangrijkste constante in het leven van Barber van de Pol, de literatuur is de factor die haar leven bindt: 'Ik zal nooit dat dilemma tussen droom en pragmatisme, tussen prinsen op witte paarden en het mikken op een best huisgezin de baas worden, maar ik lees door, op zoek naar een gelukscompromis. Ik doe het alleen, zonder hoger voorbeeld.’
De toevallige keuze voor het Spaans groeit uit tot een levenswerk, waarin het lezen ook in dienst van anderen gebeurt - en niet de minsten. Behalve de hierboven al genoemden zijn dat Marquez en Quevedo. Ongemerkt en ongewild wordt Van de Pol zo een specialist in de Latijns-Amerikaanse literatuur, maar geen gemakkelijk inpasbare deskundige; welbewust zet ze zich af tegen elke vorm van autoriteit en conformisme.
Tegendraadsheid ligt haar wel. Kunst moet haaks op de werkelijkheid staan, weet ze, en vertaalwerk kan maar het beste niet in handen komen van wetenschappelijke Droogstoppels. Amateurs met hun quasi-toevallige vondsten zijn haar het sympathiekste, zoals ze in het prachtige essay 'Lamed’ illustreert. Uit haar essayeren spreekt kordaatheid, haar stijl is zonder opsmuk of dikdoenerij en prikkelend. In een aantal even lezenswaardige als instructieve stukken weerlegt ze de gangbare opvatting dat vertalen knechtenwerk is. Het behelst meer dan een tijdlang bivakkeren in het hoofd van een ander, met als gevolg identiteitsverlies. Als in die mening al een kern van waarheid zit, dan geldt die zeker niet voor Barber van de Pol. Met auteurs van het kaliber Cortázar, Borges of Barnes kan dat ook niet anders, daarmee moet je je meten en de confrontatie zoeken, dan ben je meer dan een behulpzaam dienstmeisje.
In 'De onweerstaanbare charme van het verraad’ spreekt ze expliciet over de aard van het vertaalwerk. Met Walter Benjamin is ze van mening dat een geslaagde vertaling op zichzelf staat. Vertaling en origineel zijn twee delen van één geheel, samen is er meer. Vandaar haar voorkeur voor schijnbaar onvertaalbare teksten. Lezers die zweren bij de oorspronkelijke taal - zoals de proustianen die ze bij toeval met een Cornips-vertaling in haar handen ontmoet in een treincoupé - koketteren niet alleen ijdel, ze missen ook zoiets als taalverrijking. Ik ben het daarin hartgrondig met haar eens.
Zoals gezegd, het Argentijnse tweetal Borges en Cortázar, eigenlijk volkomen on-Argentijns in de lichte toets die ze in hun werk aanslaan, behoort tot haar grote favorieten. Wat Van de Pol in hen vooral waardeert, is hun speelse geest. Beide auteurs combineren een goed bewaard gebleven kinderlijke ontvankelijkheid met het fantastische, dat is wat haar nog het meest fascineert. Het zijn begrippen die op verschillende plekken opduiken in de bundel, ze zijn haar zo dierbaar dat ze die bij herhaling probeert te omschrijven. Met dédain wendt ze zich af van de fantastische santenkraam die Isabel Allende oproept in haar veelgeprezen Het huis met de geesten. Een boek vol flauwekul en 'flauwsies’, vindt ze, een roman die uitpakt met het Zuidamerikaanse cliché en, zo laat zich raden, aan clichés heeft ze een broertje dood.
Het fantastische genre dat zij prefereert, heeft zijn oorsprong in de speculatie en blijft altijd verbonden met het verstandelijke. Daarin zijn Borges en Cortázar geestverwanten, en voelt zij zich met hen verwant. Cortázar eert ze in een tweetal na zijn dood geschreven brieven als de schepper van de woordspelige en erudiete Horacio Oliveira uit Rayuela, de man die haar een tijdlang in de ban hield.
Veel aandacht is er voor Borges met zijn hoffelijkheid, zijn onverstaanbare stem, zijn interesse voor filologie, etymologie, metafysica, zijn spiritualiteit - in alles een hombres de letras. Vier keer ontmoette ze hem en sprak ze met hem. In de interviews en de essays is ze op zoek naar een heel andere Borges dan het clichébeeld van de auteur die zoveel spiegels, dubbelgangers, labyrinten, citaten en tijgers in zijn werk stopt. Ze wijst op zijn dramatische vermogens, het absurdistische effect dat hij teweegbrengt door de laconieke afwisseling van zwaarwichtigheid en luchtigheid, de vrijblijvende zorg om het detail en de onzekerheid of het gaat om ernst of spot.
Het mooiste compliment voor haar bemoeienis krijgt ze van Borges zelf wanneer hij tijdens het interview opmerkt: 'Vreemd, ik heb deze dagen in Duitsland veel interviews gegeven, maar het uwe is ganz verschieden. (…) Door de dingen die u vraagt. In Buenos Aires is het net zo: als ik twee interviews geef, zijn ze precies hetzelfde, maar u… U vraagt nieuwe dingen.’