Special: de risicosamenleving

U vraagt wel, maar wij ku nnen niet meer draaien

Eén promille der tbs’ers onttrekt zich aan proefverlof, soms met dramatische gevolgen. Tot voor kort achtte minister Donner van Justitie dat risico «inherent» aan het systeem. Onder druk van de Tweede Kamer, waar in een debat over tbs’er Wilhelm S. donderdag zegge en schrijve 118 keer het woord «risico» klonk, heeft Donner nu bakzeil gehaald. Een treffend voorbeeld van de onmogelijk heid voor burgers en bestuur om in het reine te komen met de risicosamenleving die ook Nederland willens en wetens is geworden.

Een referendum over de vraag «Wilt u leven in een risicosamenleving?» zou nu zeker een overweldigend nee opleveren. In de zestiende en zeventiende eeuw lag dat anders. Het woord «risico» duikt dan voor het eerst op in het koopmansjargon, in het ABN dus, en raakt spoedig in zwang als aanduiding voor «een opwindend pecuniair waagstuk in een handelsonderneming». Risico is ontleend aan het Griekse «riza», dat onder andere «klip» betekent. In een zeevarende natie gaan de meeste transacties per schip en als zo’n schip op de klippen loopt, ben je het kwijt. Voor een individuele reder is dat een ramp. Maar als honderd reders afspreken dat zij hun mogelijke tegenslagen gezamenlijk opvangen, wordt de altijd onzekere toekomst letterlijk berekenbaar. Als je meer vertrouwen hebt, durf je meer te lenen en als je schulden durft te maken, kun je tien keer zo veel ondernemen.
Deze zelfgeorganiseerde solidariteit – nog steeds is er een coöperatieve schippersverzekering «De Onderlinge» – heeft geen windeieren gelegd. Er zijn cultuurbeschouwers die «het lef om schulden te maken op grond van een verzekeringssysteem» de basis noemen voor het succes van de westerse beschaving. Onze voorvaderen zijn met open ogen de Gouden Eeuw binnen gezeild. Er is opzettelijk risico genomen dankzij een beetje elementaire statistiek en geïnsti tu tionaliseerd vertrouwen in de waterdichte trias economica: verzekering-bank-onderneming. Ri si co was voornamelijk de kans op winst.
Anno 2005 zijn wij geneigd risico’s vooral te zien als de kans op verlies. Niet alleen verlies in het handelsverkeer, maar verlies, verval en tegenslag in alle domeinen van het leven. Wij onderkennen niet alleen de zichtbare en be rekenbare risico’s in handelsondernemingen, maar ook de veel minder berekenbare gezondheidsrisico’s zoals de kans op borstkanker of de kans dat je in een bepaald ziekenhuis overlijdt bij een blindedarmoperatie. Wij zien de komst van de Polen als een risico voor onze bestaans zekerheid en vrezen dat een Europese grondwet dat risico alleen maar vergroot. Als er op korte termijn geen reden is om genetisch gemanipuleerde soja te wantrouwen, dan vrezen wij in ieder geval de risico’s op de langere termijn. En vrees over veiligheid is niet altijd even rationeel: ik heb me tijdelijk meer zorgen gemaakt over een stijgende zeespiegel, ten tijde van de tsunami. Onzin. Maar al met al heb ik een stuk minder florissant beeld van de risicosamenleving dan Jan, Pier, Tjoris en Corneel. Daarbij komt de neiging je niet neer te leggen bij tegenslagen maar verantwoordelijken te zoeken of – bij ontstentenis daarvan – de staat onvoldoende voorzorgsmaatregelen te verwijten.
Deze uitbreiding van het risico tot alle levensgebieden en het verwerpen van iedere vorm van fatalisme leveren samen een verklaring voor de risiconeurose in ons tijdsgewricht. Risico’s zijn niet meer het gevolg van eigenzinnige waagstukjes die stuk kunnen lopen op een klip. Risico’s beschouwen wij in de eerste plaats als de gevaren die wij ongevraagd lopen: door criminele nalatigheid van anderen, door gebrekkige regelgeving of door onvoldoende inspectie. Wij schrikken er niet voor terug om de klip verantwoordelijk te houden voor de schipbreuk en desnoods het noodlot zelf aan te klagen.
In deze paradoxale toestand, waarin het verlangen naar veiligheid ons onzeker maakt en de vredigheid steeds verder naar de achtergrond duwt, draaien drie belangrijke partijen om elkaar heen in moeizame spiralen: de deskundige, de overheid en de burger. De deskundigen dragen bij aan de situatie door «nog niet» zeker te weten of iets schadelijk is en «nog geen» oplossing voor het probleem te hebben. Ze hebben definitiemacht maar doen nooit uitspraken. Er moet altijd nog veel onderzoek gedaan worden, wetenschap is immers georganiseerd niet-weten.
De overheid dient uit hoofde van haar functie wel te weten, vooruit te zien en in te grijpen. Maar hoe? Bij rampen of epidemieën rijst onmiddellijk de vraag: wat had de overheid kunnen doen? Meestal is het antwoord: niets! Toch gaat de overheid niet zelden achteraf tot actie over, bedoeld om het publiek gerust te stellen. Die noodmaatregelen maken het de inspecties vervolgens onmogelijk om efficiënt op de naleving toe te zien.
De laatste partij is de burger, meestal een wat onbestemde restcategorie (slachtoffer en aanklager), wiens ziel deskundigen en politici maar niet doorgronden.
Het Nederlands Gesprekscentrum heeft de verhouding tussen deze drie partijen afgelopen jaar verkend: aan de hand van referaten van de filosofen Drenth en De Vries en de politicoloog Hajer en verschillende coreferenten, die in dit nummer zijn samengebracht.
Hermetische consensus? Nee. Of toch terug naar de burgerlijke verzekeringssolidariteit van de zeventiende eeuw? Verzekeringsmaatschappijen zijn immers private organisaties, autonome burgers dus die zich georganiseerd hebben onder prachtige namen als Concordia of Harmonie. Ze hebben deskundigen in dienst die tot duidelijke uitspraken gedwongen worden. Rüdiger Safranski zei op 19 november 2004 in deze krant: «Als je wilt weten of iets veilig is, moet je het proberen te verzekeren. Als ze ‹nee› zeggen, weet je genoeg.» En verzekeraars zijn ook gesprekspartners van de overheid en kunnen de altijd schimmige volkswil ten minste ten dele berekenbaar maken. Van verzorgingsstaat (staatssolidariteit), via risicosamenleving (non-solidariteit) naar as surantiemaatschappij (onderlinge solidariteit)?